Skip to content
Case Law · Rechtbank Midden-Nederland ·ECLI:NL:RBMNE:2026:4326 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Midden-Nederland, 11-05-2026 (UTR 25/4896)

Rechtbank Midden-Nederland
Summary

Eisers hebben een inzageverzoek gedaan bij de korpschef van de politie over gegevens die de politie over hen bewaart. Dit hebben zij gedaan op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). De korpschef heeft eisers gedeeltelijke inzage gegeven in de gegevens die over hen worden bewaard. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan eisers alleen gedeeltelijke inzage is gegeven. De korpschef zal opnieuw een besluit moeten nemen. Dit beroep is gegrond. Eisers hebben ook apart beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een besluit door de korpschef. Dit beroep is niet-ontvankelijk.

Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Almere Bestuursrecht zaaknummers: UTR 25/3744, 25/4896, 25/3736 en 25/4894 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaken tussen [eiser] uit [plaats] , eiser en [eiseres] uit [plaats] , eiseres, tezamen: eisers. (Gemachtigde: mr. S. Sabir), en de korpschef van politie, namens deze, de politiechef van de Landelijke eenheid , de korpschef. (Gemachtigde: A. Krommendijk en E. de Boer). Samenvatting 1. Eisers hebben een inzageverzoek gedaan bij de korpschef over de gegevens die de politie over hen bewaart. Deze uitspraak gaat over de vraag of de korpschef inzage in een deel van die gegevens mocht afwijzen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de gedeeltelijke inzage niet in stand kan blijven. Het beroep is in zoverre gegrond en eisers krijgen dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers hebben een inzageverzoek gedaan over de politiegegevens die politie over hen bewaart. De korpschef heeft dit inzageverzoek met de bestreden besluiten van 11 juli 2025 gedeeltelijk afgewezen. 3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. 4. De rechtbank heeft de beroepen op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van de korpschef. Beoordeling door de rechtbank Beroep niet tijdig beslissen 5. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de korpschef (zaaknummers UTR 25/3744 en UTR 25/3736). Eisers wilden met het beroep niet tijdig beslissen bereiken dat de korpschef op hun inzageverzoek zou beslissen. De korpschef heeft dit met de bestreden besluiten van 11 juli 2025 gedaan. Eisers hebben daarom geen procesbelang meer bij een oordeel van de rechtbank over hun beroep niet tijdig beslissen. In zoverre is het beroep daarom niet-ontvankelijk. Tenzij geheel aan het beroep tegemoetgekomen wordt, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit. Omdat de korpschef niet geheel tegemoetgekomen is aan het beroep van eisers, beoordeelt de rechtbank hierna de gronden die eisers hebben aangevoerd tegen de bestreden besluiten van 11 juli 2025. De beroepen tegen de besluiten over de inzageverzoeken 6. De korpschef heeft inzage in de politiegegevens over eisers gedeeltelijk afgewezen. Uit artikel 27, eerste lid, van de Wet politiegegevens (Wpg) volgt dat de korpschef een inzageverzoek om een aantal redenen kan afwijzen. De korpschef heeft de inzage gedeeltelijk afgewezen, omdat dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is: ter vermijding van belemmering van de gerechtelijke onderzoeken of procedures (de a-grond); ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (de b-grond); ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden (de d-grond); ter bescherming van de nationale veiligheid (de e-grond). 7. Uit artikel 27, tweede lid, van de Wpg volgt dat een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een inzageverzoek schriftelijk is en de redenen voor de afwijzing bevat. De rechtbank zal zich in dit geval beperken tot de afwijzing op grond van de a-, b- en e-gronden, omdat eisers geen bezwaar hebben tegen de afwijzing voor zover dat ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden is. 8. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef in de bestreden besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de afwijzingsgronden aan inzage in de weg staan. De motivering van de korpschef komt in de bestreden besluiten in essentie neer op een herhaling van de afwijzingsgronden. Daarmee heeft de korpschef niet gemotiveerd waarom het noodzakelijk is om de inzage gedeeltelijk af te wijzen op basis van deze afwijzingsgronden. De korpschef heeft in zijn verweerschrift gewezen op de brieven die zijn overgelegd bij het aanbieden van de vertrouwelijke stukken . Deze motivering maakt naar het oordeel van de rechtbank evenmin duidelijk waarom de afwijzingsgronden van toepassing zijn, omdat ook deze motivering algemeen van aard is. 9. De rechtbank is verder van oordeel dat de korpschef ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt zodat de korpschef niet inzichtelijk heeft gemaakt of de gedeeltelijke afwijzing in dit geval een evenredige maatregel is. De korpschef stelt zich in de bestreden besluiten op het standpunt dat de gedeeltelijke afwijzing een noodzakelijke en evenredige maatregel is gelet op het belang van de afwijzingsgronden en dat het belang van die afwijzingsgronden zwaarder weegt dan het belang van eisers. Met deze motivering heeft de korpschef de betrokken belangen niet kenbaar en toetsbaar tegen elkaar afgewogen. De brieven die de korpschef heeft overgelegd aan de rechtbank bij het aanbieden van de vertrouwelijke stukken bevatten evenmin een belangenafweging. Uit de tekst van artikel 27 van de Wpg vloeit niet voort dat de korpschef geen belangenafweging hoeft te maken als het noodzakelijk is om de afwijzingsgronden toe te passen. De korpschef had dus wel degelijk een belangenafweging moeten maken. 10. Eisers hebben nog aangevoerd dat de zoekslag van de korpschef niet volledig is geweest. De rechtbank is van oordeel dat eisers daarvoor geen aanknopingspunten naar voren hebben gebracht. Van een onvolledige zoekslag is de rechtbank dan ook niet gebleken. Conclusie en gevolgen 11. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten een motiveringsgebrek bevatten. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen en de gedeeltelijke afwijzing van de inzageverzoeken niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing over de inzageverzoeken te nemen. Dit omdat de korpschef opnieuw zal moeten motiveren waarom de gedeeltelijke afwijzing op grond van artikel 27, eerste lid, onder a, b en e van de Wpg in het geval van eisers een noodzakelijke en evenredige maatregel is. Ook draagt de rechtbank niet aan de korpschef op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. 11.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de korpschef een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de korpschef hiervoor zes weken. 11.2. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de korpschef ongelakte vertrouwelijke stukken heeft overgelegd waarbij de geweigerde gegevens van kaders zijn voorzien. Met deze kaders wordt echter niet duidelijk welke gegevens zijn gelakt op grond van welke afwijzingsgrond. De rechtbank kan de noodzaak van de afwijzing op deze manier dan ook niet beoordelen. Daarnaast heeft de korpschef niet de gelakte stukken overgelegd waarin eisers wel inzage hebben gekregen zodat de rechtbank niet kan controleren of de inzage juist is geweest. De gelakte stukken zijn namelijk net als de ongelakte stukken op de zaak betrekking hebbende stukken zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De korpschef had deze stukken dus moeten overleggen. De korpschef kan in dit geval voor de gelakte stukken ook (gemotiveerd) een beroep doen op vertrouwelijkheid op grond van artikel 8:29 van de Awb. Dat laatste geldt ook voor de motivering van de noodzaak en evenredigheid van de afwijzing in het geval de korpschef dat nodig zou vinden. De korpschef zal daarvoor afzonderlijk en expliciet een beroep op vertrouwelijkheid moeten doen, waarna de rechtbank zal beslissen of dat verzoek om vertrouwelijkheid gerechtvaardigd is. 11.3. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de korpschef het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. De korpschef moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. In dit geval is sprake van samenhangende zaken zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Voor de toepassing van het Bpb worden samenhangende zaken beschouwd als één zaak. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift voor het niet tijdig beslissen en beroepschrift met inhoudelijke gronden ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Het gewicht voor het beroepschrift voor het niet tijdig beslissen is licht (0,5) en voor de overige proceshandelingen gemiddeld (1). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk; - verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten van 11 juli 2025 gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten van 11 juli 2025; - draagt de korpschef op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe besluiten te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 388,- aan eisers moet vergoeden; - veroordeelt de korpschef tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De stukken zijn vertrouwelijk op grond van artikel 8:29 van de Awb.

Similar Content