Skip to content
Case Law · Gerechtshof Den Haag ·ECLI:NL:GHDHA:2026:2093 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Gerechtshof Den Haag, 23-06-2026 (200.365.102/01)

Gerechtshof Den Haag
Summary

Verzoek tot inzage in dan wel afschrift van gegevens ex artikel 196 Rv. Afgewezen bij gebrek aan belang bij gegevens.

Full text

GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.365.102/01 Zaak- en rekestnummer rechtbank : C/09/689935 / HA RK 25-421 Beschikking ex artikel 196 Rv van 23 juni 2026 in de zaak van 1 [verzoeker] , wonend in [woonplaats 1] , 2. Nieuwhold B.V. , gevestigd in Haarlemmermeer, verzoekers, advocaat: mr. M.H. van Hooft, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen 1 [verweerder] , wonend in [woonplaats 2] , 2. [naam 1] Project- en risicomanagement B.V. , gevestigd in Alphen aan den Rijn, verweerders, advocaat: mr. M.H.D. Scholten, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof noemt verzoekers hierna [verzoeker] respectievelijk Nieuwhold, en gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) [verzoekers] Verweerders worden hierna [verweerder] respectievelijk SPRM, en gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) [verweerders] genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1 De zaak betreft een verzoek tot inzage in en afschrift van correspondentie tussen [verweerders] en een derde met betrekking tot een bepaald vastgoed-ontwikkelingsproject, de volledige projectadministratie van dit project en relevante overeenkomsten en financiële stukken. [verzoeker] en [verweerder] hebben samengewerkt in meerdere vastgoedprojecten, waaronder het betreffende project totdat die samenwerking in juli 2021 is beëindigd. [verzoekers] wenst inzage in en afschrift van de bescheiden om haar rechtspositie te kunnen bepalen voor een eventuele civiele procedure tegen [verweerders] 1.2 De rechtbank heeft het verzoek van [verzoekers] afgewezen omdat zij onvoldoende belang heeft bij de gevraagde bescheiden. Het daartegen ingestelde hoger beroep slaagt niet. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 12 februari 2026 is [verzoekers] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 15 januari 2026 (hierna: de bestreden beschikking). [verweerders] heeft een verweerschrift ingediend dat op 14 april 2026 is ontvangen ter griffie van het hof. 2.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen elk nog aanvullende producties overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 De rechtbank is in de bestreden beschikking in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 van een aantal feiten uitgegaan. Met grief 1 klaagt [verzoekers] dat de rechtbank de feiten te beperkt en eenzijdig heeft gegeven. Het hof ziet geen aanleiding tot aanvulling. De door [verzoekers] naar voren gebrachte omstandigheden waarmee de rechtbank volgens haar geen, althans onvoldoende rekening heeft gehouden, zijn geen vaststaande feiten, maar interpretaties van de feiten. Het hof gaat hieraan daarom voorbij in het kader van de beoordeling van de in dit geding gevraagde voorlopige bewijsverrichting. Bovendien is het aan de rechter om uit de tussen partijen vaststaande feiten die feiten te selecteren die de rechter voor de beoordeling van het geschil relevant acht. Aangezien de in de beschikking vastgestelde feiten door [verzoekers] verder niet zijn betwist, zijn deze niet in geschil en dienen zij ook het hof tot uitgangspunt (voor zover relevant, aangevuld met feiten die evenmin ter discussie staan). Het gaat in deze zaak om het volgende: 3.2 [verzoeker] is enig bestuurder en aandeelhouder van Nieuwhold. [verweerder] is enig bestuurder en aandeelhouder van SPRM. Vanaf 2019 hebben partijen meerdere vastgoed-ontwikkelprojecten samen uitgevoerd, waarbij [verzoekers] doorgaans als investeerder optrad en [verweerders] als ontwikkelaar. 3.3 Op 10 juli 2020 hebben [verzoekers] en [verweerders] een overeenkomst met elkaar gesloten met betrekking tot het vastgoedproject IJsselgaarde (hierna: het Project). Daarbij verbond [verzoekers] zich aan het project als investeerder en werd [verweerders] als ontwikkelaar belast met het projectmanagement. 3.4 Op 31 mei 2021 heeft [verweerder] aan [verzoeker] ( [verzoeker] ) het volgende bericht gestuurd: “ Hoi [verzoeker] , (…) T.a.v. de overeenkomsten. Ik doe het maar even per e-mail, (…) Ouderkerk. • Afspraak was dat ik 4% AK zou krijgen. Dat zou volgens de laatste Stiko € 356.000 zijn. Met Thunnissen € 300.000 afgesproken. • Jij zou voorfinancieren • Opbrengst na aftrek 4% AK zouden we delen (ook na verkoop project) • Voor de goede orde, mijn acquisitie fee valt buiten de GREX en gaat dus niet ten koste van het resultaat. Ik stel voor dat we dit gewoon zo handhaven met die[n] verstande dat de winst (1 mio) nu eerst 50-50 gedeeld wordt met Thunnissen en dat wij daarna ons deel 50-50 delen. Volgens de huidige stand van zaken is dat dan 2 x 250k voor ons. (…) ”. 3.5 Op 7 juli 2021 heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [verweerder] . Naar aanleiding van dat contact zijn de onderstaande e-mails uitgewisseld. 3.6 Op 7 juli 2021 om 12:57 uur heeft [verzoeker] gemaild aan ( [verweerder] ) [verweerder] : “ [verweerder] Ik ben in shock na ons telefoontje van vanmorgen. Ik had het idee dat jij het zelfde dacht over het nakomen van afspraken als ik. Helaas blijkt dat niet het geval. Ik zal in ieder geval mijn conclusies trekken. Ik neem je dit ernstig kwalijk. [verzoeker] ” 3.7 Op 7 juli 2021 om 13:57 uur heeft [verweerder] het volgende geantwoord aan [verzoeker] : “ Hoi [verzoeker] , Volgens mij overdrijf je. Tegelijkertijd baal ik er steeds meer van hoe het gaat. Bv die Range Rover die nu gefinancierd is omdat jij nog geld van [naam 2] krijgt en je de RR vervolgens ook nog op het lijstje zet als te verrekenen met jou. Ik hoop dat je begrijpt dat ik dat waardeloos vind. Volgens mij kunnen we er maar beter een punt achter zetten en schoon schip maken. Voor de toekomst kunnen we dan altijd weer nieuwe (en betere!) afspraken maken. Volgens het laatste overzicht is het saldo Zevenhuizen € 33.291,87 excl. Range Rover en incl. schuur. Ik stel het volgende voor: • Ik betaal die € 33.291,87 terug; • Ik crediteer de nog openstaande facturen; • Jij zorgt dat die schuur afgebouwd wordt; • Ik neem de Range Rover incl. financiering over; • Alle overige afspraken vervallen. Ik hoor het wel .” 3.8 Op 7 juli 2021 om 15:45 uur heeft [verzoeker] het volgende geantwoord aan [verweerder] : “ [verweerder] , Dat is akkoord met de volgende aantekeningen: -overnemen financiering moet met [naam 2] . Die vindt dat prima. -Schuur is volgens offerte (120excl.), evt. meerwerk is niet inclusief -De laatste betaling (door NieuwID Vastgoed ad € 9075, factuur F0071) wordt niet alleen gecrediteerd maar ook terugbetaald. Deze was door jou niet meegerekend. -betaling per direct op NL53RABO0155542966, [verzoeker] , als terugbetaling van het bedrag dat is in 2020 van deze rekening betaald heb. Groet [verzoeker] ” 3.9 Op 8 juli 2021 om 09:58 uur heeft [verzoeker] het volgende verstuurd aan [verweerder] : “ Goedemorgen [verweerder] , (…) Mbt de projecten waarover we tot gisteren afspraken hadden zijn alle afspraken vervallen. Dat heeft concreet als gevolg: -Bredeweg zal ik zelf oppakken, als er gesprekken gepland staan hoor ik het graag; -Hardinxveld zal ik zelf oppakken, graag hoor ik of je bereid bent een offerte te maken voor het ontwikkelingstraject. Zal nog even duren zoals je weet dus daar is ruim de tijd voor; -Moerkapelle zal ik je niet voor de voeten lopen; -Aanspraken door mij op Ouderkerk en Moerkapelle zijn vervallen, aanspraken door jou op Moerkapelle en Hardinxveld zijn vervallen. Als ik verder dingen mis hoor ik het graag. Groet [verzoeker] ” 3.10 [verzoekers] en [verweerders] hebben uitvoering gegeven aan de hiervoor in 3.9 vermelde per e-mail gemaakte afspraken. 3.11 [verweerders] heeft het Project verder met TN Ontwikkeling (Thunnissen) uitgevoerd. 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 Bij verzoekschrift van 7 augustus 2025 heeft [verzoekers] , na wijziging van haar verzoek ter zitting, verzocht bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking: primair : I. [verweerders] te bevelen om binnen twee dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoekers] inzage te geven, althans afschrift te verstrekken, van de volgende gegevens: - alle correspondentie (waaronder e-mails, brieven, sms-berichten, WhatsAppberichten en andere vormen van elektronische communicatie) tussen [verweerders] en TN Ontwikkeling, dan wel met aan TN Ontwikkeling gelieerde partijen, die betrekking heeft op het Project, tot en met juli 2021; - de volledige projectadministratie met betrekking tot het Project; II. te bepalen dat [verweerders] bij gebreke van volledige nakoming van het verzochte een dwangsom verbeurt van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen, met een maximum van € 100.000,-; III. [verweerders] te veroordelen in de kosten van de procedure, met nakosten; subsidiair heeft [verzoekers] inzage in de volgende gegevens verzocht: - alle correspondentie (waaronder e-mails, brieven, sms-berichten, WhatsAppberichten en andere vormen van elektronische communicatie) tussen [verweerders] enerzijds en Thunnissen/ TN Ontwikkeling anderzijds over de periode l mei 2019 tot en met 8 juli 2021 met betrekking tot de totstandkoming van hun afspraken; - alle overeenkomsten tussen [verweerders] en TN Ontwikkeling; - alle facturen, bonnetjes en betaalbewijzen uit de projectadministratie; - alle inkooporders, offertes en kostenramingen uit de projectadministratie; - alle interne notities of e-mails uit de projectadministratie waarin besluiten over financiële verplichtingen of investeringskeuzes zijn vastgelegd. 4.2 Het verzoek van [verzoekers] was gebaseerd op artikel 194 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en strekte ertoe verzoekers in staat te stellen de haalbaarheid van diverse vorderingen in een nader te entameren bodemprocedure te beoordelen. 4.3 De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en [verzoekers] in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [verzoekers] onvoldoende belang heeft bij haar verzoek ex artikel 194 Rv en dat haar (mogelijke) vorderingen geen reële kans van slagen hebben. 5 Verzoek in hoger beroep 5.1 [verzoekers] is het niet eens met de bestreden beschikking en heeft hiertegen twee grieven aangevoerd. [verzoekers] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de verzoeken van [verzoekers] zoals in het verzoekschrift geformuleerd en zoals gewijzigd ter zitting bij de rechtbank alsnog toe te wijzen, met veroordeling van [verweerders] in de kosten van beide instanties, inclusief nakosten en met wettelijke rente. 5.2 [verzoekers] komt met haar grieven – kort samengevat – op tegen de weergave van de feiten door de rechtbank (grief 1, zie hiervoor in rechtsoverweging 3.1) en tegen de toetsingsmaatstaf die de rechtbank heeft toegepast (grief 2, zie beoordeling hierna). 5.3 [verweerders] concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van [verzoekers] en tot bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank van 15 januari 2026, dan wel tot afwijzing van het verzoek tot inzage, dan wel tot beperking van de inzage, met veroordeling van [verzoekers] in de kosten van deze procedure, met nakosten en wettelijke rente. 6 Beoordeling in hoger beroep 6.1 Met grief 2 vraagt [verzoekers] in de kern om een herbeoordeling van haar inzageverzoek ex artikel 194 jo 196 Rv. Volgens [verzoekers] heeft de rechtbank bij de beoordeling een onjuiste maatstaf aangelegd door vooruit te lopen op de uitkomst van een mogelijke bodemprocedure en daarmee de functie en strekking van artikel 194 Rv miskend. Beoordelingskader 6.2 Op grond van artikel 194 Rv heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking beschikt, recht op inzage of afschrift van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. De rechter kan voordat een zaak aanhangig is, op grond van artikel 196 Rv op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting, zoals de onderhavige, bevelen. Een verzoek daartoe wijst de rechter toe, tenzij hij van oordeel is dat: a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is; b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat; c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde; d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. 6.3 Het doel van voorlopige bewijsverrichtingen is gelegen in het snel verkrijgen van opheldering over omstreden of onbekende feiten en het voorkomen dat bewijs daarvan verloren gaat. Aan de hand van de verkregen informatie of het vastgelegde bewijs kunnen partijen hun positie in een mogelijke procedure beter inschatten en beoordelen of het raadzaam is om een procedure te beginnen. Dit brengt mee dat de rechter een verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in beginsel toewijst. Maar de rechter moet daarbij ook rekening houden met de bescherming van de belangen van andere betrokkenen en zogenaamde “ fishing expeditions ” voorkomen. Kortom, het recht op een voorlopige bewijsverrichting is niet onbegrensd. Het verzoek dient te worden afgewezen 6.4 Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat het verzoek van [verzoekers] moet worden afgewezen omdat afwijzingsgronden van toepassing zijn. Hiervoor is het volgende redengevend. 6.5 [verzoekers] stelt belang te hebben bij inzage in de verzochte correspondentie tussen [verweerders] en TN Ontwikkeling om duidelijkheid te krijgen over het moment en de inhoud van het contact tussen hen, met het oog op de beoordeling van eventuele schending van contractuele of wettelijke verplichtingen van [verweerders] jegens haar. Volgens [verzoekers] heeft [verweerders] bij het opzeggen van de samenwerking tussen hen met betrekking tot het Project namelijk niet te goeder trouw gehandeld door al vóór 7 juli 2021 met TN Ontwikkeling (Thunnissen) afspraken te maken over de ontwikkeling van het Project. 6.6 Het hof is van oordeel dat [verzoekers] geen (voldoende) belang heeft bij haar verzoek nu dat ziet op informatie die niet betwist is en waarmee zij reeds bekend is. Dat [verweerders] al vóór 7 juli 2021 gesprekken voerde met TN Ontwikkeling over een toekomstige samenwerking met betrekking tot het Project, wordt door [verweerders] niet betwist. Sterker nog, [verzoekers] was op de hoogte van de gesprekken met TN Ontwikkeling, zoals blijkt uit het e-mailbericht van 31 mei 2021 (3.4, hiervoor), waarin [verweerder] aan [verzoeker] een concreet voorstel deed dat, zoals hij in die e-mail aangaf, juist resulteerde uit de tot dan door hem met TN Ontwikkeling (Thunissen) gevoerde gesprekken. Daarmee ontvalt naar het oordeel van het hof een voldoende belang bij het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen (in de kern immers gebaseerd op de stelling dat [verweerder] geheel buiten [verzoeker] om met Thunnissen gesprekken voerde en hem er in juli mee verraste). Nu [verzoekers] ook in de grieven geen enkele aandacht heeft besteed aan inhoud en belang van deze e-mail en hoe die zich verhoudt tot haar stellingen in deze procedure, komt haar verzoek neer op een fishing expedition (zie ook hierna). 6.7 Daarbij komt dat uit de mailwisseling tussen partijen van 8 juli 2021 (3.8, hiervoor) blijkt dat [verzoekers] (in de volle wetenschap van de e-mail van [verweerder] van 31 mei 2021) alle afspraken met [verweerders] , waaronder de samenwerking met betrekking tot het Project, zelf heeft opgezegd en daarbij een voorstel voor een verdeling van de projecten waarop partijen samenwerkten heeft gedaan. Dat [verzoekers] nu in hoger beroep stelt dat zij daarbij geen afstand heeft gedaan van haar rechten en aanspraken en mogelijk een beroep op dwaling kan doen, maakt dit niet anders. Vast staat dat aan de afspraken in de mail van 8 juli 2021 ten aanzien van de verdeling van projecten uitvoering is gegeven door partijen. Ook hebben partijen vanaf eind 2021 nog samengewerkt op een nieuw project. Ook toen is daar door [verzoekers] nooit een beroep op gedaan of is zij op die afspraken bij [verweerders] teruggekomen. [verzoekers] heeft hierover ter zitting bij het hof verklaard dat zij nu anders tegen de afspraken aankijkt. [verzoekers] heeft echter niet duidelijk gemaakt dat en waarom zij in het kader van een mogelijk beroep op dwaling belang heeft bij inzage in de correspondentie tussen [verweerders] en TN Ontwikkeling. 6.8 Het hof constateert dat [verzoekers] het inzageverzoek zo wil toepassen dat zij als het ware op goed geluk inzage in dan wel verstrekking van allerlei bescheiden vraagt in de hoop dat zij informatie aantreft die relevant is voor een procedure. Gelet op de hiervoor uiteengezette context waarin de samenwerking tussen partijen door [verzoekers] is opgezegd, heeft [verzoekers] geen enkel concreet aanknopingspunt naar voren gebracht voor haar vermoeden dat [verweerders] in strijd met de redelijkheid en billijkheid en/of onrechtmatig heeft gehandeld in het kader van de beëindiging van die samenwerking met betrekking tot het Project. Het inzageverzoek is echter geen opsporingsmiddel om geheel onbekende feiten aan het licht te brengen. De handelwijze van [verzoekers] moet hiermee worden gekwalificeerd als een fishing expedition en leidt tot de conclusie dat [verzoekers] haar bevoegdheid om afgifte van stukken te vragen voor een ander doel wil gebruiken dan waarvoor het is gegeven. In zoverre is sprake van misbruik van bevoegdheid door verzoekers. 6.9 Ook ten aanzien van de verzochte projectadministratie heeft [verzoekers] naar het oordeel van het hof geen belang bij haar verzoek. [verzoekers] stelt de volledige projectadministratie, althans een groot aantal gespecificeerde stukken daaruit (haar subsidiaire verzoek), nodig te hebben om de exacte omvang van de door haar geleden schade vast te kunnen stellen. 6.10 Zoals [verzoekers] ook zelf ter zitting bij het hof heeft aangegeven, komt de vraag naar eventueel geleden schade pas in de tweede termijn aan de orde. Deze stukken zijn dus (mogelijk) eerst van belang nadat een eventuele aansprakelijkheid van [verweerders] is vast komen te staan. [verzoekers] heeft reeds om die reden nu geen belang bij haar verzoek tot inzage in en afschrift van deze stukken. Daarbij komt dat [verweerders] er terecht op heeft gewezen dat [verzoekers] niet duidelijk heeft gemaakt waarom de volledige projectadministratie van [verweerders] met TN Ontwikkeling dan wel gespecificeerde stukken daaruit voor de berekening van de eventueel door [verzoekers] geleden schade relevant zijn. 6.11 De slotsom van het voorgaande is dat ook het hof van oordeel is dat verzoekers geen (voldoende) belang hebben bij toewijzing van hun verzoek en dat toewijzing van het verzoek bovendien zou leiden tot een fishing expedition waarvoor het inzageverzoek niet is bedoeld. Grief 2 is ongegrond. Conclusie en proceskosten 6.12 De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoekers] niet slaagt. Daarom zal het hof de beschikking bekrachtigen. 6.13 Het hof zal [verzoekers] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Die proceskosten worden begroot op: griffierecht € 851,- salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II) nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.609,- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing . 7 Beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 15 januari 2026; veroordeelt [verzoekers] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [verweerders] begroot op € 3.609,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoekers] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald; bepaalt dat als [verzoekers] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoekers] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoekers] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald; wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevraagd. Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. de Heer, mr. M.J. van Cleef-Metsaars en mr. P. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier. Kamerstukken II 2019/20, 35498, p. 10 (MvT).

Similar Content