Rechtbank Rotterdam, 08-07-2026 (ROT 25/8014, 25/8016, 25/8017 en 25/8019)
Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding, beroepen gegrond. Omdat aan het opleggen van een bestuurlijke boete een betalingsherinnering vooraf dient te gaan, en de rechtbank in deze zaken bij het ontbreken van deze betalingsherinneringen niet kan vaststellen of die voldoen aan de wettelijke vereisten en zijn voorzien van een juiste adressering, zijn de bestreden besluiten onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Daarom moeten de bestreden besluiten worden vernietigd.
Full text
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: ROT 25/8014, 25/8016, 25/8017 en 25/8019 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaken tussen [eiser], uit [plaatsnaam], eiser en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister (gemachtigden: [naam 1], [naam 2] en [naam 3]). Procesverloop 1. De minister heeft met de afzonderlijke primaire besluiten van 21 juli 2025 (25/8016 en 25/8017), 8 september 2025 (25/8014 en 25/8019) in totaal vier boetes ter hoogte van € 36,51 opgelegd wegens het niet betalen van verschuldigde toltarieven. Met de bestreden besluiten van 26 september 2025 op de bezwaarschriften van eiser is de minister bij de boeteoplegging gebleven. 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. 1.2. De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. Op 7 december 2024 is de A24/Blankenburgverbinding geopend. De A24 verbindt de A20 bij Vlaardingen met de A15 bij Rozenburg. Om de aanleg van de A24 te kunnen financieren wordt tol geheven. Tolheffing gaat via E-tol, elektronisch betalen. Dat betekent dat betalen automatisch geschiedt via een aanbieder of via een betaling online. Er zijn geen tolpoortjes. Betaling van een tolrit kan vanaf 7 dagen vooraf tot 3 dagen (72 uur) achteraf plaatsvinden. Het toltarief wordt vastgesteld bij ministeriële regeling en bedraagt in dit geval € 1,51 per rit. Als te laat wordt betaald volgt een betalingsherinnering. Deze betalingsherinnering is het eerste jaar na opening nog kosteloos. Daarna wordt hiervoor een bedrag van € 9,- in rekening gebracht. Als betaling dan nog steeds uitblijft wordt een bestuurlijke boete opgelegd. Het boetebedrag is in de wet vastgesteld op een bedrag van € 35,– vermeerderd met het oorspronkelijke toltarief. De tolheffing en de handhaving hiervan worden geregeld in de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15. 3. De minister stelt dat eiser op 22 mei 2025 om 09:48 en 12:50, 31 mei 2025 om 18:34 en op 1 juni 2025 om 01:15 met het voertuig met kenteken [kenteken] gebruik heeft gemaakt van de Blankenburgverbinding. Omdat eiser voor deze ritten geen tol heeft betaald, is er aan eiser voor elke rit afzonderlijk een betalingsherinnering verstuurd. Vanwege uitblijven van een betaling zijn de primaire besluiten genomen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. 4. De minister heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat eiser gebruik heeft gemaakt van de Blankenburgverbinding en dat hij hiervoor de toltarieven niet heeft betaald. De door eiser gedane betalingen zijn gebruikt voor oudere ritten die nog niet waren betaald. 5. Eiser voert aan dat de minister de boetes ten onrechte heeft opgelegd. Hij betwist niet dat hij de beboete ritten heeft gemaakt, maar hij betwist wel de toltarieven voor die ritten niet te hebben betaald. Eiser verwijst naar de door hem overgelegde betalingsbewijzen. De minister heeft zijn betalingen niet mogen gebruiken voor andere ritten. Overigens betwist eiser ook dat er sprake was van andere onbetaalde ritten. De minister heeft niet aangetoond dat hiervan sprake was en voor welke ritten de betalingen zijn gebruikt . Ter zitting heeft eiser aangevoerd geen herinnering te hebben ontvangen voor de beboete ritten. Beoordeling door de rechtbank 6. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank de minister verzocht de betalingsherinneringen te overleggen. Bij brief van 26 mei 2026 heeft de minister aangegeven dat dit niet mogelijk is omdat de betalingsherinneringen, uit privacyoverwegingen en het niet onnodig opslaan van data, al uit de systemen van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) zijn verwijderd. De minister wijst er op dat de datum en het tijdstip van verzending van de betalingsherinneringen wel blijkt uit haar zaaksoverzichten met de verzendinformatie van het CJIB. De minister stelt zich op het standpunt dat in de rechtspraak is geaccepteerd dat met de zaaksoverzichten de daadwerkelijke verzending wordt aangetoond. Het CJIB heeft de betalingsherinnering verstuurd aan het adres waarop eiser destijds stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen. . 6.1. De rechtbank overweegt dat de betalingsherinneringen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarom deel uit (moeten) maken van het procesdossier. In de Memorie van Toelichting is juist ook vanwege het gekozen tolheffingssysteem en de handhaving met boeteoplegging het belang van de betalingsherinnering aangegeven. De rechtbank begrijpt dat de minister in verband met de privacy van de weggebruikers en de capaciteit voor dataopslag stukken niet te lang wil bewaren. Deze keuze komt echter voor rekening en risico van de minister. De minister had er ook voor kunnen kiezen op de zaak betrekking hebbende stukken pas te verwijderen nadat de boete onherroepelijk is geworden. Hoewel de minister een blanco betalingsherinnering en de verzendadministratie heeft overgelegd kan de rechtbank zonder de concrete betalingsherinneringen in het geval van eiser niet controleren wat de exacte inhoud van de betalingsherinneringen is geweest en welk adres daarop is vermeld. Dat maakt dat over een belangrijke stap in het proces geen rechterlijke controle mogelijk is. Reeds om die reden moeten de beroepen gegrond worden verklaard. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb, kan als een partij niet voldoet aan de verplichting stukken over te leggen, de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat het geconstateerde gebrek tot vernietiging van de bestreden besluiten moet leiden. De uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waar de minister naar verwijst, maakt dit niet anders. In die uitspraak ging het in het kader van de beoordeling van de tijdigheid van het ingestelde bezwaar om de vraag of en wanneer bepaalde poststukken waren verzonden. Die uitspraak ziet niet op de vraag welke stukken op grond van artikel 8:42 Awb als op de zaak betrekking hebbende stukken moeten worden overgelegd. Uit de uitspraak blijkt ook niet dat de beslissingen van de officier van justitie waar het om draaide niet in het dossier zaten. 6.2. Voor zover de minister stelt dat eiser pas op zitting, en daarmee onredelijk laat, heeft aangevoerd de betalingsherinneringen niet te hebben ontvangen, wordt hij niet gevolgd. Zoals hierboven overwogen had het op de weg van de minister gelegen de betalingsherinneringen als op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. De minister heeft bovendien inhoudelijk kunnen reageren op het standpunt van eiser. 6.3. Omdat aan het opleggen van een bestuurlijke boete een betalingsherinnering vooraf dient te gaan, en de rechtbank in deze zaken bij het ontbreken van deze betalingsherinneringen niet kan vaststellen of die voldoen aan de wettelijke vereisten en zijn voorzien van een juiste adressering, zijn de bestreden besluiten onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Daarom moeten de bestreden besluiten worden vernietigd. Gelet hierop behoeft hetgeen voor het overige door eiser is aangevoerd geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 7. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en herroept de primaire besluiten. Dat betekent dat in alle vier de zaken de boete van de baan is. De rechtbank begrijpt uit de Memorie van Toelichting bij de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 dat bij vernietiging van de boete geen toltarief meer hoeft te worden betaald. 8. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de minister de door eiser betaalde griffierechten vergoeden. Vanwege de samenhang tussen de verschillende zaken is enkel in de zaak 25/8014 griffierecht geheven. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen in de zaken 25/8014, 25/8016, 25/8017 en 25/8019 gegrond; vernietigt de bestreden besluiten in de zaken 25/8014, 25/8016, 25/8017 en 25/8019; herroept de primaire besluiten in de zaken 25/8014, 25/8016, 25/8017 en 25/8019; bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- in de zaak 25/8014 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie wetten.nl - Regeling - Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 - BWBR0037517 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 augustus 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6346, r.o. 15. Zie Kamerstukken II, 2014–2015, 34 189, nr. 3. p. 25. Artikel 10, vierde lid aanhef en onder 4 van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 geeft de mogelijkheid de persoonsgegevens van eiser tot vijf jaar na het onherroepelijk worden dan wel vernietiging van de boete te bewaren. Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 november 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:AA3736, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 1997, JB 1997/270. Zie Kamerstukken II, 2014–2015, 34 189, nr. 3. p. 25.