Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:7891 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 04-08-2026 (13/032005-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Veroordeling tot 40 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk voor langdurige bankhelpdeskfraude waarbij groot aantal personen, variërend in leeftijd van 67 tot 81 jaar, slachtoffer zijn geworden van telefonische oplichting.

Full text

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13.032005.26 [verdachte] Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/032005-26 Datum uitspraak: 4 augustus 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, wonende op het adres [adres] , [woonplaats] , thans gedetineerd in de [naam PI] , hierna: verdachte. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 juli 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. de Bruijn, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. De behandeling van de zaak tegen verdachte heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd plaatsgevonden met de behandeling van de zaak met parketnummer 13/031989-26 tegen medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd, na aanpassing als bedoeld in artikel 314a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op de zitting van 21 juli 2026, dat hij zich in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan: 1. het medeplegen van oplichting van [slachtoffer 1] op 29 januari 2026; 2. het medeplegen van pogingen tot oplichting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op 29 januari 2026; 3. het medeplegen van oplichting van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] in de periode van 29 juli 2025 tot en met 27 december 2025; 4. diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel in de periode van 29 juli 2025 tot en met 10 december 2025 van goederen toebehorende aan [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 12] en [slachtoffer 14] ; 5. het verwerven/voorhanden hebben van niet-openbare gegevens in de periode van 8 januari 2026 tot en met 29 januari 2026. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Inleiding Op 19 november 2025 werd aangifte gedaan van oplichting door middel van een babbeltruc. Het slachtoffer is op het tijdstip van de oplichting gebeld door telefoonnummer + [nummer] , dat op dat moment werd gebruikt in een toestel voorzien van IMEI-nummer [nummer] . Uit onderzoek bleek dat dit toestel contact had met het telefoonnummer van [naam 1] (hierna: [naam 1] ), die in de politiesystemen naar voren kwam als verdachte in verschillende oplichtingszaken. Zij heeft in een verhoor verklaard dat zij door verdachte (haar (ex-) partner) werd aangestuurd tot het plegen van babbeltrucs. Bovendien maakte het toestel voorzien van IMEI-nummer eindigend op [nummer] veelvuldig contact met cell-id’s in de buurt van de woning van verdachte. Gelet hierop is verdachte op 29 januari 2026 door de politie geobserveerd en werd een technische actie gestart op de telefoon met het IMEI-nummer eindigend op [nummer] . Over de technische actie waren meerdere zogenaamde babbeltrucs te horen. Hierop zijn verdachte en drie andere inzittenden van een Volkswagen Golf aangehouden op verdenking van oplichting. Verdachte zat op de bijrijdersstoel. In de auto werden meerdere telefoons aangetroffen. Het toestel voorzien van IMEI-nummer eindigend op - [nummer] , een mini-telefoon, is aangetroffen op de vloermat van de bijrijderszijde van het voertuig. 4.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde feiten. 4.3. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft op de pro forma-zitting van 8 mei 2026 verzocht om inzage te krijgen in de iPhone 11 met goednummer 6768070, die aan verdachte wordt toegerekend. De rechtbank heeft deze onderzoekswens toen afgewezen omdat deze onvoldoende concreet was onderbouwd. De raadsman heeft deze onderzoekswens op de inhoudelijke behandeling van 21 juli 2026 herhaald en zich op het standpunt gesteld dat, als hij niet in de gelegenheid wordt gesteld om het bronmateriaal te onderzoeken, er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat een ernstige schending van verdachte zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) oplevert. De raadsman stelt dat als gevolg hiervan het materiaal afkomstig uit de iPhone 11 moet worden uitgesloten van het bewijs. Vervolgens heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte de gebruiker van de mini telefoon (de rechtbank begrijpt: L8STAR BMW met goednummer 6767909) is. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van de onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] onbetrouwbaar is, omdat zij warrig heeft verklaard over bijvoorbeeld het tijdstip van de oplichting. Het medeplegen en de diefstal door middel van een valse sleutel is daarnaast op geen enkele wijze onderbouwd. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 5 omdat onduidelijk is hoe, wanneer en op welke wijze de leadlijsten op de iPhone 11 zijn gekomen en dat daardoor de wetenschap van verdachte niet kan worden bewezen. 4.4. Oordeel van de rechtbank 4.4.1. Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Ten aanzien van de iPhone 11 (goednummer 6768070) met IMEI-nummers [nummer] en [nummer] , de mini telefoon (goednummer 6767900) met IMEI-nummer [nummer] en Snapchataccounts ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’ De iPhone 11 is op 29 januari 2026 in de personenauto met kenteken [kenteken] bij verdachte aangetroffen. Op deze iPhone 11 zijn Excel-bestanden met persoonsgegevens aangetroffen, welke de verbalisant ambtshalve herkende als leadlijsten. Daarnaast zag de verbalisant dat op deze telefoon meerdere gesprekken op de applicatie Snapchat waren gevoerd door de gebruiker [accountnaam] met weergavenaam [weergavenaam] ! . De verbalisant zag een gesprek van 29 januari 2026 tussen gebruiker [accountnaam] en gebruiker [gebruikersnaam 1] ’ met weergavenaam [weergavenaam] . Uit het onderzoek is voorts gebleken dat medeverdachte [medeverdachte] de gebruiker van die weergavenaam is. De gebruiker [accountnaam] stuurt berichten met de woorden “Bims” en “Florijn” naar het account [weergavenaam] , waarop wordt geantwoord dat hij eraan komt. De verbalisant ziet vervolgens dat [medeverdachte] om 14.39.59 uur naar gebruiker [accountnaam] stuurt dat hij er is. Enkele minuten later komt verdachte uit zijn woning aan de [adres] en neemt plaats op de bijrijdersstoel van de auto waarvan [medeverdachte] de bestuurder is. [naam medeverdachte] , medeverdachte bij een andere verdenking van oplichting, heeft verklaard dat verdachte gebruik maakt van het Snapchataccount [accountnaam] met weergavenaam [weergavenaam] ! . De mini telefoon is op 29 januari 2026 in diezelfde personenauto aangetroffen op de mat van de bijrijdersstoel, waarop verdachte zat tijdens de aanhouding. Het met dit toestel corresponderende IMEI-nummer heeft in de periode van maandag 21 juli 2025 tot en met maandag 15 december 2025 in totaal 1659 interacties gehad met een cell-id op de [adres] interacties met een cell-id op de locatie [adres] . De (ex-)partner van verdachte is woonachtig op de [adres] . Dit is in de nabije omgeving van de cell-id gevestigd op de [adres] . Uit de basisregistratie personen blijkt dat verdachte woonachtig is op het adres [adres] . Het IMEI-nummer heeft bovendien meerdere keren contact gehad met [naam 2] en [naam 1] , allebei ex-partners van verdachte. 4.4.2 Tussenconclusie Op grond van al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte de gebruiker is geweest van de iPhone 11 en de mini telefoon. Bovendien kan worden vastgesteld dat verdachte de gebruiker is van de Snapchat-accounts [accountnaam] en [accountnaam] . De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat een ernstige schending van het recht op een eerlijk proces van verdachte als bedoeld in artikel 6 EVRM oplevert en zo ja, of dat zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting. De raadsman heeft op de pro forma-zitting van 8 mei 2026 verzocht om inzage in de iPhone 11 met goednummer 6768070. De rechtbank heeft de verdediging ter terechtzitting in de gelegenheid gesteld om te specificeren welke gegevens van de telefoon hij wenst te onderzoeken. De raadsman heeft dit echter niet gedaan. De rechtbank heeft het verzoek dan ook gemotiveerd afgewezen. De officier van justitie heeft vervolgens op 19 juni 2026 per e-mail verzocht of de verdediging eventuele nieuwe onderzoekswensen binnen twee weken kenbaar kon maken. Hier is door de verdediging niet op gereageerd. De griffier heeft daarna op 6 juli 2026 per e-mail gevraagd of de verdediging kan bevestigen dat er geen nieuwe onderzoekswensen zijn ingediend. Ook hierop is enige reactie uitgebleven. De rechtbank stelt daarom vast dat de verdediging voldoende in de gelegenheid is gesteld om onderzoekswensen in te dienen. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van een vormverzuim, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 4.4.3. Modus operandi Onderzoek Crèmewit richtte zich op een aanzienlijk aantal aangiften van een specifieke vorm van oplichting, die ook wel wordt aangeduid met de term bankhelpdeskfraude. Uit de aangiften in het dossier komt een beeld naar voren van een in grote lijnen telkens vrijwel identieke modus operandi, die zich in het kort als volgt laat omschrijven. De beoogde slachtoffers, veelal op leeftijd en kwetsbaar, werden gebeld door een persoon die zich voordeed als een medewerker van de fraudehelpdesk van een bank of van de politie. De zogenaamde bankmedewerker (die zich in meerdere gevallen voorstelde als [naam 3] ) of zogenaamde politieagent (die zich in meerdere gevallen voorstelde als [naam 4] of [naam 5] ) vertelde het slachtoffer dat er een verdachte transactie dreigde plaats te gaan vinden of al had plaatsgevonden. Het slachtoffer werd verteld dat zijn of haar rekening veiliggesteld zou kunnen worden door geld over te maken naar een ander rekeningnummer en/of door zijn of haar betaalpassen en kostbare spullen mee te geven aan de politie, die deze aan huis zou komen ophalen. In een aantal gevallen is met deze opgehaalde betaalpassen daadwerkelijk geld opgenomen. 4.4.4. Feit 1 (medeplegen oplichting [slachtoffer 1] ) Op 29 januari 2026 werd aangever [slachtoffer 1] omstreeks 17.50 uur gebeld door een vrouw die zich voorstelde als [naam 3] , medewerker van de alarmcentrale. [slachtoffer 1] werd door deze vrouw gevraagd of hij € 800,- had uitgegeven aan cadeaubonnen bij de Primera en werd op een dringende toon geïnstrueerd dat hij deze € 800,- veilig moest stellen door het geld naar een ander rekeningnummer op zijn naam over te maken. Uit de observatiebevindingen blijkt dat verdachte op dat moment met [naam 6] (hierna: [naam 6] ) in de auto zat. De mini telefoon van verdachte heeft op diezelfde dag om 17.47 uur gebeld naar aangever. Dit telefoongesprek duurde ruim 27 minuten. Het transcript van dit telefoongesprek is uitgewerkt. 4.4.5. Feit 2 (medeplegen poging tot oplichting [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] ) Op 29 januari 2026 omstreeks 17.00 uur werd aangever [slachtoffer 3] gebeld door een vrouw die zich voorstelde als bankmedewerker. Aan hem werd gevraagd of hij een transactie had uitgevoerd van € 800,- voor cadeaukaarten. [slachtoffer 3] antwoordde dat hij niet degene was die voor dit bedrag cadeaukaarten had gekocht. De vrouw aan de telefoon zou hiernaar kijken, waarbij aangever in de wacht werd gezet. Later werd aangever gebeld door een man, die vertelde werkzaam te zijn bij de politie. De man vroeg of aangever gouden sieraden of geld thuis had. Tijdens het gesprek raadpleegde [slachtoffer 3] de ING-website, waarop hij zag dat hij hen niet aan de lijn had. Daarop verbrak aangever de verbinding. Uit de observatiebevindingen blijkt dat verdachte op dat moment met [naam 6] in de auto zat. De mini telefoon van verdachte heeft diezelfde dag om 17.09 uur gebeld naar aangever. Het transcript van dit telefoongesprek is eveneens uitgewerkt. Op diezelfde dag werd aangeefster [slachtoffer 2] omstreeks 13.00 uur gebeld door een vrouw die zich aan haar voorstelde als bankmedewerkster. Zij vertelde dat er iemand € 800,- van haar bankrekening af wilde schrijven en dat er iets met haar rekening was. [slachtoffer 2] vertelde dat zij naar de bank wilde komen, maar de vrouw gaf aan dat dit niet mogelijk was. De verbalisanten die de aangifte van [slachtoffer 2] opnamen, constateerden dat aangeefster niet meer goed wist wat er allemaal was gebeurd. Uit een noot van de verbalisant in het relaas blijkt dat in het telefoongesprek tussen de mini telefoon van verdachte en aangeefster te horen is dat aangeefster bezig is met de laatste handelingen op aandringen van de verdachten. Op dat moment, om 19.00 uur, gaat het arrestatieteam over tot aanhouding van de vier inzittenden van de Volkswagen Golf, waaronder verdachte en [medeverdachte] . Verdachte heeft de gegevens van aangeefster op 29 januari 2026 om 17:33 uur via Snapchat verkregen van gebruiker [gebruikersnaam 2] . Oordeel van de rechtbank Voor een bewezenverklaring van oplichting als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Daarnaast moet de verdachte zich hebben bediend van ten minste één van de in dat artikel genoemde oplichtingsmiddelen, dan wel van een combinatie daarvan. Tot deze oplichtingsmiddelen behoren het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. De slachtoffers, van 47, 75 en 83 jaar, hebben aangifte gedaan van telefonische oplichting. Zij hebben in hun aangiftes verklaard dat zij zijn gebeld door iemand die zich voorstelde als medewerker van de bank en/of iemand die zich voorstelde als politieagent. In werkelijkheid waren dit medeverdachten. Aan de slachtoffers werd verteld dat er verdachte transacties waren opgemerkt, er gefraudeerd zou zijn, onderzoek moest worden gedaan of dat de politie informatie had dat er zou worden ingebroken. Ook dit was in strijd met de waarheid. De slachtoffers werden soms urenlang aan de lijn gehouden. Vervolgens kwam iemand aan de deur en maakte geld of een bankpas afhandig. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen, het aannemen van een valse hoedanigheid en valse naam en een samenweefsel van verdichtsels, bij de slachtoffers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen waardoor zij zijn bewogen tot de afgifte van een of meer goederen/geldbedragen en het beschikbaar stellen van gegevens (pincode). De rechtbank heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich bediend heeft van een van tevoren bedachte, gehanteerde werkwijze. Daarbij deden de daders zich voor als personen die te vertrouwen zijn en was er sprake van een indringendheid van de aan de slachtoffers gedane leugenachtige mededelingen waarbij misbruik gemaakt is van de kwetsbaarheid van de slachtoffers. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] niet betrouwbaar is. De rechtbank constateert dat deze aangifte wordt ondersteund door de tapbevindingen en het feit dat verdachte kort voor het bellen naar aangeefster haar gegevens heeft ontvangen. De omstandigheid dat zij warrig verklaart over details zoals het tijdstip, doet niet af aan de vaststelling dat geprobeerd is om haar op te lichten. Deze aangifte kan dan ook als bewijs worden gebruikt. Medeplegen Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een ander of anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, zijn van belang de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Het gaat erom dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. De hierboven geschetste werkwijze impliceert een aanzienlijke mate van organisatie, structuur en taakverdeling. Verschillende daders verrichten verschillende handelingen, die elkaar opvolgen of simultaan plaatsvinden en die moeten zijn afgestemd om het gemeenschappelijke doel te bereiken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte nauw en bewust betrokken is geweest bij de beschreven oplichtingspraktijk en daaraan heeft deelgenomen. De rol van verdachte was het ter beschikking stellen van informatie over de slachtoffers, van het script en van zijn telefoon aan [naam 6] , die in de auto naast hem kon bellen naar de slachtoffers. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de rol van verdachte daarmee van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken. Verdachte vormde een noodzakelijke en wezenlijke schakel voor het bereiken van het einddoel van de oplichting, namelijk het faciliteren van het contact tussen het slachtoffer en de oplichter. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij niet betrokken was bij de oplichtingen, ongeloofwaardig. De rechtbank betrekt daarbij dat steeds zijn telefoon werd gebruikt voor de oplichtingen, en dat hij in de auto zat van waaruit de oplichtingen telefonisch plaatsvonden en dat de informatie over het slachtoffer op zijn telefoon binnenkwam. De rechtbank gaat er gelet op deze handelwijze vanuit dat tussen verdachte en zijn medeverdachten de benodigde afstemming met betrekking tot de oplichting heeft plaatsgevonden. Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan. 4.4.6. Feit 3 en feit 4 (medeplegen oplichting en diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel) [slachtoffer 4] Op 4 augustus 2025 omstreeks 14.00 uur werd aangeefster [slachtoffer 4] gebeld door een vrouw, die zich voorstelde als [naam 3] , een medewerker van de alarmcentrale. [slachtoffer 4] werd verteld dat er € 800,- van haar rekeningnummer zou zijn afgenomen bij de Primera. De vrouw vertelde [slachtoffer 4] dat de wijkagent bij haar langs zou komen om een envelop met daarin haar bankpas, reader en contant geld (in totaal € 580,-) mee te nemen. [slachtoffer 4] moest hierbij ook haar pincode vertellen. Even later belde een man bij haar thuis aan en nam de envelop mee. Later bleek er nog € 500,- van haar rekening te zijn afgeschreven. De mini telefoon van verdachte heeft op het moment van de oplichting gebeld naar [slachtoffer 4] . [slachtoffer 5] Op 12 augustus 2025 omstreeks 17.30 uur werd bij aangeefster [slachtoffer 5] aangebeld door een jongeman. [slachtoffer 5] pakte haar pinpas uit de keuken, welke de jongeman afpakte en waarna hij vertrok. Hiermee is € 300,- en € 200,- opgenomen bij een pinautomaat. [slachtoffer 5] weet niet goed meer wat er gebeurd is. De mini telefoon van verdachte heeft rond dit tijdstip (17.36 uur) ook gebeld naar [slachtoffer 5] . [slachtoffer 7] Op 3 november 2025 om 17.27 uur werd aangeefster [slachtoffer 7] op zowel haar huis- als mobiele telefoon gebeld door anonieme nummers, waarbij een man zich voorstelde als iemand van de bank en een vrouw zich voorstelde als iemand van de politie. [slachtoffer 7] werd verteld dat er een risico was dat € 800, - zou worden gestolen, maar dat dit door het onderzoek voorkomen was. De man vertelde dat iemand genaamd [naam 7] aan de deur zou komen, die een code zou noemen en aangeefster haar nieuwe pincode zou vertellen. Een vrouw die zich voorstelde als [naam 7] stond vervolgens aan de deur van [slachtoffer 7] en nam de bankpas, drie gouden ringen, ongeveer € 1.900,- aan contant geld en de huissleutel mee. Later bleek dat er ook € 500,- en € 150,- is gepind met de bankpas van [slachtoffer 7] . De mini telefoon van verdachte heeft op de dag van de oplichting gebeld naar [slachtoffer 7] . [slachtoffer 8] Op 29 juli 2025 omstreeks 16:00 uur werd aangever [slachtoffer 8] gebeld door een vrouw genaamd [naam 3] die zich voorstelde als een bankmedewerker. Aan hem werd verteld dat er was geprobeerd om voor € 800,- aan cadeaubonnen bij de Primera te pinnen. De vrouw vertelde [slachtoffer 8] dat de politie hem ook nog zou bellen. Direct nadat de verbinding werd verbroken, werd [slachtoffer 8] gebeld door een man die vertelde dat [naam 4] naar zijn geld zou komen kijken. Een man kwam bij de woning van aangever en vroeg aan [slachtoffer 8] hoeveel geld hij in huis had. De man zei dat hij € 500,- moest fotograferen in de auto. [slachtoffer 8] moest hem ook zijn pinpas met pincode meegeven. De mini telefoon van verdachte heeft op de dag van de oplichting gebeld naar [slachtoffer 8] . [naam zus slachtoffer 9] (deed als curator aangifte namens haar verstandelijk gehandicapte broer, [slachtoffer 9] ) Op 8 augustus 2025 omstreeks 15:00 uur werd [slachtoffer 9] gebeld door iemand die zich voorstelde als de politie. Die persoon zou hebben gezegd dat zijn bankpas zou worden opgehaald omdat de pincode geblokkeerd moest worden. Kort na het telefoongesprek kwam een man bij de woning van [slachtoffer 9] , die zich voordeed als wijkagent genaamd [naam 4] . [slachtoffer 9] gaf aan dat zijn financiën worden beheerd door zijn zus, waarop de man vertelde dat de zus akkoord had gegeven voor het afgeven van de pinpas. [slachtoffer 9] gaf zijn pas daarop mee aan de man, en later bleek dat hiermee drie keer is gepind: € 100, - bij een pinautomaat, € 0,44 bij Parkeren A’dam en € 65,88 bij de Lidl. De mini telefoon van verdachte heeft diezelfde dag om 15.54 uur gebeld naar [slachtoffer 9] . [slachtoffer 12] Op 27 november 2025 omstreeks 19.00 uur werd aangeefster [slachtoffer 12] gebeld door een vrouw die haar vertelde dat zij bezig was met veiligheid voor de verzekering. De vrouw vroeg aan [slachtoffer 12] wat voor gouden sieraden zij had, en vertelde dat er iemand naar haar woning zou komen om deze gouden sieraden te bekijken. De vrouw vroeg waar [slachtoffer 12] woonde, waarop [slachtoffer 12] haar adres gaf. Even later kwam er een persoon aan de deur die zich voorstelde als iemand van de politie. Hij vertelde dat hij de bankpassen met bijbehorende pincodes en sieraden van aangeefster op kwam halen. De man vertelde dat hij hier foto’s van zou maken in het dienstvoertuig en de spullen zo terug zou komen brengen. Later bleek dat er € 500,- en € 330,- was afgeschreven van de rekening van [slachtoffer 12] . De mini telefoon van verdachte heeft op diezelfde dag om 19.02 uur gebeld naar [slachtoffer 12] . [slachtoffer 6] Op 21 augustus 2025 omstreeks 16.30/17.00 uur werd aangeefster Van [slachtoffer 6] gebeld door een vrouw die vroeg of zij mevrouw [naam 8] was en of zij kostbaarheden in huis had. Aangeefster vertelde dat zij niets had. De vrouw vertelde dat er een inbraak ging plaatsvinden en dat er twee personen bij de ingang van haar flat zouden zijn aangehouden. Een persoon genaamd [naam 9] zou de pinpas van aangeefster komen ophalen. Na het telefoongesprek ging de deurbel en vertelde een man dat hij [naam 9] heette. Aangeefster gaf haar pinpas aan hem mee. De mini telefoon van verdachte heeft op diezelfde dag om 17.12 uur gebeld naar Van [slachtoffer 6] . [slachtoffer 14] Op 10 december 2025 omstreeks 15.00 uur werd er bij aangeefster [slachtoffer 14] aangebeld door een jongeman die vertelde dat hij van de politie was en haar bankpas even moest zien. [slachtoffer 14] weet niet meer wat de jongeman verder vertelde, maar zij gaf hem haar bankpas en pincode mee. De jongeman zou in zijn auto iets controleren en zou de spullen dan terugbrengen. [slachtoffer 14] heeft vervolgens dertig minuten bij de deur staan wachten. Later bleek dat er € 40,- en € 400,- van haar rekening was afgeschreven. De mini telefoon van verdachte heeft op diezelfde dag om 14.52 uur gebeld naar [slachtoffer 14] . [slachtoffer 10] Op 15 augustus 2025 omstreeks 21.00/21.30 uur werd aangeefster [slachtoffer 10] gebeld door een man die haar vertelde dat zij bezig waren met een onderzoek voor haar veiligheid en dat er een begeleider onderweg was om haar te helpen. Even later stond er een man bij [slachtoffer 10] voor de deur, die zonder toestemming naar binnen liep. [slachtoffer 10] werd op dat moment opnieuw gebeld. [slachtoffer 10] was bang dat haar iets aangedaan zou worden en gaf daarom haar bankpas met pincode aan de man, waarna hij direct de woning verliet. Vijf minuten later werd aangeefster opnieuw gebeld met de mededeling dat de pincode niet klopte. Hierop gaf zij opnieuw de pincode. De mini telefoon van verdachte heeft op 10 november 2025 (een kleine drie maanden na de oplichting) om 15:04 uur gebeld naar aangever. De officier van justitie lijkt ervan uit te gaan dat op het moment van de oplichting is gebeld met de telefoon van verdachte naar aangever. Daar ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor in het dossier. Verdachte zal daarom vrijgesproken worden van de oplichting van [slachtoffer 10] omdat ten aanzien van deze oplichting geen betrokkenheid van verdachte is vast te stellen. [naam stiefdochter slachtoffer 11] (deed aangifte namens haar stiefmoeder met dementie, [slachtoffer 11] ) Op 16 november 2025 werd [naam stiefdochter slachtoffer 11] omstreeks 21.30 uur gebeld door haar stiefmoeder [slachtoffer 11] , die vertelde dat er twee agenten in haar woning waren geweest. Later bleek dat de gouden trouwring, een gouden slavenarmband en ongeveer € 80,- tot € 90,- aan contant geld van [slachtoffer 11] weg waren. In de agenda van [slachtoffer 11] staat op de pagina van 12 november 2025 geschreven: “ [naam 9] politie”. De mini telefoon van verdachte heeft op 16 november 2025 om 15.01 uur gebeld naar [slachtoffer 11] . [slachtoffer 13] Op 22 december 2025 kreeg aangeefster [slachtoffer 13] een sms-bericht met de tekst: ''Er is zojuist een nieuw toestel (SAMSUNG-J105) aan uw Mijn ING gekoppeld. Bent u dit niet zelf? Neemt u dan zsm contact op via + [nummer] .'' [slachtoffer 13] belde dit nummer, maar kreeg de voicemail te horen. Later is [slachtoffer 13] teruggebeld door de alarmdienst van de ING-bank. In dit gesprek werd aangegeven dat er in een winkel van Primera was getracht om met de rekening van [slachtoffer 13] te betalen. Hierna moest aangeefster € 800,- overmaken naar een rekeningnummer op haar eigen naam. Uit onderzoek van de politie blijkt dat de mini telefoon (toestel met IMEI-nummer [nummer] ) op deze dag actief was en gebruik maakte van het telefoonnummer + [nummer] . [slachtoffer 15] Op 27 december 2025 omstreeks 10.00 uur werd aangever [slachtoffer 15] gebeld door een vrouw zich noemende [naam 3] die zich voorstelde als een medewerker van de bank. Zij vertelde aangever dat er € 1.600,- van de rekening van [slachtoffer 15] was afgehaald. Verder vroeg zij of hij meer geld in huis had en vertelde hem dat hij dat moest afgeven. De vrouw zei dat ze hem later zou terugbellen. Diezelfde dag werd aangever gebeld door een man zich noemende [naam 5] , die vertelde het hoofd van de politie te zijn en dat hij bij [slachtoffer 15] zou langskomen zodat hij zijn pinpas en contact geld kon ophalen. [slachtoffer 15] heeft de pinpas meegegeven toen de man voor de deur stond. Later blijkt dat er twee keer € 2.000,- is opgenomen en dat er € 0,14 is gepind in een parkeergarage. Er is een foto van de pinpas van aangever aangetroffen op de iPhone 11 van verdachte. [slachtoffer 16] Op 11 augustus 2025 werd aangever [slachtoffer 16] omstreeks 16.00/17.00 uur gebeld door een vrouw die zich voorstelde als een medewerker van de bank. De vrouw vertelde aangever dat iemand geld van zijn bankrekening af probeerde te halen en dat zij zijn pas had geblokkeerd. Een half uur later werd aangever gebeld door een vrouw die vertelde dat ze van de politie was. De vrouw vertelde dat de politie wilde onderzoeken wat er met de bankpas van aangever was. Ze vertelde dat er iemand van de politie, genaamd [naam 4] , onderweg was om zijn bankpas en scanner op te halen. De jongeman kwam bij [slachtoffer 16] aan de deur en nam zijn bankpas en scanner mee. De mini telefoon van verdachte heeft op diezelfde dag om 18.39 uur gebeld naar aangever. Oordeel van de rechtbank De slachtoffers, variërend in leeftijd van 67 tot en met 81 jaar, hebben allen aangifte gedaan van telefonische oplichting. Zij hebben in hun aangiftes verklaard dat zij zijn gebeld door iemand die zich voorstelde als medewerker van de bank en/of iemand die zich voorstelde als politieagent. Aan de slachtoffers werd verteld dat er verdachte transacties waren opgemerkt, er gefraudeerd zou zijn, er onderzoek moest worden gedaan of dat de politie informatie had dat er zou worden ingebroken. De slachtoffers werden soms urenlang aan de lijn gehouden. Vervolgens werden zij bewogen om geld of een bankpas (met pincode) af te staan. Kort na het verkrijgen van de bankpassen werd gepind en geld opgenomen bij een pinautomaat. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen, het aannemen van een valse hoedanigheid en valse naam en een samenweefsel van verdichtsels, bij de slachtoffers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor zij zijn bewogen tot de afgifte van een of meer goederen/geldbedragen en het beschikbaar stellen van gegevens (pincode). De rechtbank heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte zich bediend heeft van een van tevoren bedachte, gehanteerde werkwijze. Daarbij deden de daders zich voor als personen die te vertrouwen zijn en was er sprake van een indringendheid van de aan de slachtoffers gedane leugenachtige mededelingen waarbij misbruik gemaakt is van de kwetsbaarheid van de slachtoffers. Medeplegen De hierboven geschetste werkwijze impliceert een aanzienlijke mate van organisatie, structuur en taakverdeling. Verschillende daders verrichten verschillende handelingen, die elkaar opvolgen of simultaan plaatsvinden en die moeten zijn afgestemd om het gemeenschappelijke doel te bereiken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte nauw en bewust betrokken is geweest bij de beschreven oplichtingspraktijk en daaraan heeft deelgenomen. Dit geldt ook voor de tenlastegelegde diefstallen door middel van een valse sleutel. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar deze bijdrage kan ook vóór of na het strafbare feit zijn geleverd. De rol van verdachte was het ter beschikking stellen van zijn telefoon bij het bellen, waarna een onbekend gebleven persoon betalingen met de afhandig gemaakte bankpassen kon verrichten. Ook zijn afbeeldingen van de bankpas van aangever [slachtoffer 15] op de telefoon van verdachte aangetroffen. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is zijn rol daarmee van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken, óók voor de diefstallen. Verdachte vervulde immers een noodzakelijke en wezenlijke schakelrol voor het bereiken van het einddoel van de oplichting, namelijk het faciliteren van het contact tussen slachtoffer en oplichter en het vervolgens geld pinnen met de afgegeven bankpas. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij niet betrokken was bij de oplichtingen en/of de diefstallen, ongeloofwaardig. De rechtbank betrekt daarbij dat steeds zijn telefoon werd gebruikt voor de oplichtingen en dat het pinnen steeds plaatsvond zeer kort nadat de passen waren verkregen. De slachtoffers werden veelal aan de telefoon gehouden, kennelijk om te voorkomen dat zij argwaan zouden krijgen en/of naasten zouden kunnen bellen. Als de passen hierdoor geblokkeerd zouden worden, zou het pinnen immers niet meer mogelijk zijn. De rechtbank gaat er gelet op deze handelwijze vanuit dat tussen verdachte en zijn medeverdachten de benodigde afstemming met betrekking tot de oplichting en het aansluitende pinnen door een ander heeft plaatsgevonden. De rechtbank neemt het bewijs van de feiten mede aan op grond van de andere soortgelijke feiten. Met name de werkwijze komt op essentiële punten overeen, zoals hiervoor al is weergegeven. Ook speelt een rol dat verdachte bij de feiten 1 en 2 fysiek is aangetroffen in de auto waarin oplichtingspraktijken plaatsvonden. Verder heeft verdachte geen verklaring gegeven waarom met zijn telefoon steeds gebeld is ten tijde van de oplichtingen. Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan met uitzondering van de oplichting van aangever [slachtoffer 10] (genoemd onder feit 3). 4.4.7. Feit 5 (verwerven/voorhanden hebben van niet-openbare gegevens) Op de iPhone 11 van verdachte zijn Excel-bestanden met persoonsgegevens aangetroffen, welke door de verbalisant ambtshalve zijn herkend als leadlijsten. In deze lijsten staat een grote hoeveelheid persoonlijke gegevens van personen, zoals namen, geboortedata, adressen, IBAN-nummers, telefoonnummers en woonplaatsen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard hiervan niks te weten. Oordeel van de rechtbank De op de telefoon van verdachte aangetroffen leadlijsten bevatten veel persoonlijke en privacygevoelige gegevens. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke persoonsgegevens veelal worden gebruikt bij strafbare feiten, zoals de hierboven beschreven bankhelpdeskfraude. De verdachte heeft zich in de periode van het ontvangen van die gegevens ook daadwerkelijk schuldig gemaakt aan oplichting van personen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte, op het moment dat hij deze (persoons)gegevens ontving, wist dat die gegevens bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten. Daar komt bij dat verdachte op 29 januari 2026 om 16.29 uur via de applicatie Snapchat aan gebruiker [gebruikersnaam 2] het bericht stuurt: “stuur me die asn leads”. Het verweer van de verdediging dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de leadlijsten op zijn telefoon wordt dan ook verworpen. Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 5 tenlastegelegde heeft begaan. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat Ten aanzien van feit 1 hij op 29 januari 2026 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed te weten een geldbedrag van € 800 euro door - telefonisch contact op te (laten) nemen met het voornoemd slachtoffer, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van een medewerker (van de fraudehelpdesk) van een bank en - voornoemd slachtoffer te vertellen dat er een geldbedrag van de rekening is afgeschreven, en - voornoemd slachtoffer te vertellen dat hij het geld moest veilig stellen en - voornoemde slachtoffers te bewegen tot het overmaken van een geldbedrag; Ten aanzien van feit 2 hij op 29 januari 2026 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, - [slachtoffer 2] en - [slachtoffer 3] te bewegen tot de afgifte van een goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten pincodes, door valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid - contact op te (laten) nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de bank en/of de politie en - de voornoemde personen voor te houden er een geldbedrag van de rekening is of zou worden afgeschreven terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Ten aanzien van feit 3 hij op meer tijdstippen in de periode van 29 juli 2025 tot en met 27 december 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, - [slachtoffer 4] en - [slachtoffer 5] en - [slachtoffer 6] en - [slachtoffer 7] en - [slachtoffer 8] en - [slachtoffer 9] en en - [slachtoffer 11] en - [slachtoffer 12] en - [slachtoffer 13] en - [slachtoffer 14] en - [slachtoffer 15] en - [slachtoffer 16] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een of meerdere geldbedragen en/of sieraden en/of juwelen en/of bankpassen en/of bijbehorende pincodes, door - telefonisch contact op te (laten) nemen met het voornoemde slachtoffers, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van een medewerker (van de fraudehelpdesk/alarmcentrale) van een bank en/of de politie /en of de verzekeringsmaatschappij en/of - voornoemde slachtoffers te vertellen dat er onderzoek wordt gedaan in verband met de veiligheid en/of dat een of meerdere bankpassen mogelijk zullen worden geblokkeerd en/of dat er een geldbedrag van de rekening is en/of zou worden afgeschreven, en/of - voornoemde slachtoffers te vertellen dat meerdere bankpassen door een politieagent worden opgehaald, en/of - voornoemde slachtoffers te vertellen dat er criminelen in de buurt van de woning van het slachtoffer actief zijn en/of criminelen zijn aangehouden en/of - voornoemde slachtoffers te vertellen dat waardevolle goederen gecontroleerd moeten worden en/of een of meerdere geldbedragen door een politieagent worden opgehaald, en/of - voornoemde slachtoffers te bewegen om de bijbehorende pincode(s) telefonisch door te geven en/of - voornoemde slachtoffers te bewegen tot het overmaken van een geldbedrag en/of - aan te (laten) bellen bij de woning van voornoemde slachtoffers en/of bankpas(sen) en/of bijhorende pincode(s) in ontvangst te nemen en/of - aan te (laten) bellen bij de woning van voornoemde slachtoffers en/of geldbedragen en/of sieraden en/of juwelen, althans waardevolle goederen, in ontvangst te (laten) nemen; Ten aanzien van feit 4 hij, op meer tijdstippen in de periode van 29 juli 2025 tot en met 10 december 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een of meerdere geldbedragen, die geheel: - [slachtoffer 4] en - [slachtoffer 5] en - [slachtoffer 7] en - [slachtoffer 8] en - [slachtoffer 9] en - [slachtoffer 12] en - [slachtoffer 14] in elk geval aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader(s) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door meermalen, althans eenmaal gebruik te maken van een bankpas en/of creditcard en/of (bijhorende) pincodes van die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 12] en [slachtoffer 14] ; Ten aanzien van feit 5 hij op meerdere tijdstippen in de periode van 8 januari 2026 tot en met 29 januari 2026 te Amsterdam, althans in Nederland, niet-openbare gegevens, te weten twee, lijsten en sets met daarop de naam en geboortedatum en adresgegevens (straatnaam en/of huisnummer en/of postcode en/of woonplaats) en/of e-mailadres en/of telefoonnummer(s) en/of IBAN bankrekeningnummer van duizenden, althans een zeer grote hoeveelheid personen (al dan niet geselecteerd op geboortedatum en/of postcode en/of woonplaats) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6 De strafbaarheid van de feiten De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straffen en maatregelen 8.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden, met aftrek van het voorarrest. 8.2. Standpunt van de verdediging Voor het geval de rechtbank tot strafoplegging komt heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de hoogte van het schadebedrag. De raadsman heeft de rechtbank verzocht een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen in combinatie met een voorwaardelijk deel en een (forse) taakstraf. 8.3. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met anderen gedurende meerdere maanden schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude, waarbij een groot aantal personen is gedupeerd. De slachtoffers, veelal kwetsbare ouderen, werden telefonisch benaderd door een van de daders, die zich voordeed als medewerker van de bank of politie en die de slachtoffers wijs maakte dat zij bestolen zouden gaan worden. Op geraffineerde wijze werden de slachtoffers gemanipuleerd zodat zij bewogen werden betalingen te doen en/of hun betaalpas(sen) en kostbare spullen af te staan. Bankhelpdeskfraude is een steeds meer voorkomende vorm van criminaliteit die voor verdachten op relatief gemakkelijke wijze zeer lucratief kan zijn. Verdachte heeft op georganiseerde en professionele wijze op grote schaal misbruik gemaakt van het gewekte vertrouwen van de kwetsbare slachtoffers, die dachten dat zij op deze wijze juist konden voorkomen dat zij veel geld zouden kwijtraken. Door zo te handelen heeft verdachte het vertrouwen van de slachtoffers in de medemens ernstig geschaad. Deze zelfverrijking ten koste van kwetsbare ouderen op doortrapte wijze neemt de rechtbank de verdachte uiterst kwalijk. Persoon van de verdachte De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 april 2026, waaruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar twee keer eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, waardoor sprake is van recidive. Bovendien was verdachte in het kader van een van deze veroordeling, zeer recent voorwaardelijk in vrijheid gesteld. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport betreffende verdachte van 30 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte stabiliteit ervaart op diverse leefgebieden (vaste huisvesting en gestructureerde dagbesteding) en er geen sprake is van problematisch middelengebruik. De reclassering acht het sociaal netwerk in combinatie met het psychosociaal functioneren als mogelijk delict gerelateerd. Verdachte heeft aangegeven dat hij in het verleden beïnvloedbaar was. Gelet hierop adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan als bijzondere voorwaarden verbonden een meldplicht, een gedragsinterventie die is gericht op cognitieve vaardigheden en het aflossen van schulden, zodat verdachte inzicht in zijn financiën krijgt. Strafoplegging De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, en daarbij acht geslagen op de hoeveelheid slachtoffers en de hoogte van de gepinde bedragen/waarde van de buitgemaakte goederen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 40 maanden op, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar. De rechtbank ziet meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel, om verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van strafbare feiten en om hem door de reclassering te laten begeleiden bij zijn terugkeer in de maatschappij. 9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel 9.1. De vorderingen De benadeelde partij [slachtoffer 15] vordert € 4.000, - aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [slachtoffer 11] vordert € 2.290, - aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 9.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt zich ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 15] op het standpunt dat hoewel het schadeformulier wel deels is ingevuld, geen formele vordering tot schadevergoeding is ingediend. De officier acht de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering. De officier van justitie acht de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 11] toewijsbaar, met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 9.3. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft de vorderingen niet betwist. 9.4. Oordeel van de rechtbank Benadeelde partij [slachtoffer 15] Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Het bedrag van € 4.000, - betreft het bedrag dat door de dader is overgemaakt. Niet gebleken is dat deze schade reeds is vergoed en de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank daarom niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering zal, nu er sprake is van onbekende mededaders, hoofdelijk worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Benadeelde partij [slachtoffer 11] Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Het bedrag van € 2.290,- betreft het bedrag dat door de dader is gepind. De rechtbank zal de benadeelde partij echter niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu deze schade reeds is vergoed door de verzekering 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 139g, 311 en 326 Sr. 10 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1 medeplegen van oplichting Ten aanzien van feit 2 medeplegen van poging

Similar Content