Rechtbank Amsterdam, 04-08-2026 (13/031989-26)
Veroordeling tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk voor langdurige waarbij groot aantal personen, variërend in leeftijd van 67 tot 81 jaar, slachtoffer zijn geworden van telefonische oplichting.
Full text
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13.031989.26 [verdachte] Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/031989-26 Datum uitspraak: 4 augustus 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, ingeschreven op het adres [adres] , thans gedetineerd in de [naam PI] , hierna: verdachte. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 juli 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. de Bruijn, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. B.H. van der Zwan naar voren hebben gebracht. De behandeling van de zaak tegen verdachte heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd plaatsgevonden met de behandeling van de zaak met parketnummer 13/032005-26 tegen medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd, na aanpassing als bedoeld in artikel 314a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op de zitting van 21 juli 2026, dat hij zich in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan: 1. het medeplegen van oplichting van [slachtoffer 1] op 29 januari 2026; 2. het medeplegen van pogingen tot oplichting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op 29 januari 2026; 3. het verwerven/voorhanden hebben van niet-openbare gegevens op 29 januari 2026; 4. het medeplegen van oplichting van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] in de periode van 16 juli 2025 tot en met 25 januari 2026; 5. diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel van goederen toebehorende aan [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , in de periode van 16 juli 2025 tot en met 25 januari 2026. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Inleiding Op 19 november 2025 werd aangifte gedaan van oplichting door middel van een babbeltruc. Het slachtoffer is op het tijdstip van de oplichting gebeld door telefoonnummer + [nummer] , welke op dat moment werd gebruikt in een toestel voorzien van IMEI-nummer [nummer] . Uit onderzoek bleek dat het toestel contact had met het telefoonnummer van [naam 1] (hierna: [naam 1] ), die in de politiesystemen naar voren kwam als verdachte in verschillende oplichtingszaken. Zij heeft in een verhoor verklaard dat zij door haar (ex-)partner, medeverdachte [medeverdachte] , werd aangestuurd tot het plegen van babbeltrucs. Bovendien maakte het toestel voorzien van IMEI-nummer eindigend op [nummer] veelvuldig contact met cell-id’s in de buurt van de woning van [medeverdachte] . Gelet hierop is [medeverdachte] op 29 januari 2026 door de politie geobserveerd en werd een technische actie gestart op de telefoon met IMEI-nummer eindigend op [nummer] . Over de technische actie waren meerdere zogenaamde babbeltrucs te horen. Hierop is verdachte met drie andere inzittenden van een Volkswagen Golf, waaronder [medeverdachte] , aangehouden op verdenking van oplichting. Verdachte bleek de bestuurder van deze auto te zijn en [medeverdachte] zat op de bijrijdersstoel. In de auto werden meerdere telefoons aangetroffen, waaronder een mini telefoon, het hierboven genoemde toestel voorzien van IMEI-nummer eindigend op [nummer] . 4.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten. 4.3. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle feiten dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de feiten 1, 2, 4 en 5 geldt dat niet kan worden bewezen dat verdachte enige uitvoeringshandeling heeft verricht. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw daarbij aangevoerd dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] onbetrouwbaar is, omdat zij warrig heeft verklaard over bijvoorbeeld het tijdstip van de oplichting. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het onduidelijk is hoe, wanneer en op welke wijze de leadlijsten op de iPhone SE met goednummer eindigend op -7894 terecht zijn gekomen. Het dossier bevat geen bewijs voor het gebruik van de leadlijsten, noch voor kennisname van de inhoud en ook niet voor de verwerving ervan. Er kan derhalve niet worden vastgesteld dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze gegevens door misdrijf waren verkregen. 4.4. Oordeel van de rechtbank 4.4.1. Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Ten aanzien van de iPhone SE (goednummer 6767957) De iPhone SE met goednummer 6767957 is op 29 januari 2026 bij de aanhouding van verdachte in zijn rechterbroekzak aangetroffen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij deze telefoon in augustus 2025 tweedehands heeft gekocht en dat hij deze alleen gebruikt voor het schrijven van teksten voor zijn muziek. Op deze telefoon was op diverse social media-accounts ingelogd, waaronder door de gebruikers [gebruikersnaam] en [gebruikersnaam] op Snapchat, [gebruikersnaam] op Facebook, [gebruikersnaam] op Instagram en [gebruikersnaam] op TikTok. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de voormalig eigenaar van de telefoon, genaamd [naam eigenaar] , nog was ingelogd op de social media-accounts. Dat de gebruiker [gebruikersnaam] na augustus 2025 nog actief is geweest op Snapchat, is volgens verdachte te verklaren doordat [naam eigenaar] via de cloud heeft ingelogd op zijn account. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard gebruik te maken van de naam [naam 2] . De iPhone SE (goednummer 6767894) en Snapchataccount ‘ [gebruikersnaam] ’ De iPhone SE met goednummer 6767894 is op 29 januari 2026 in de middenconsole van de Volkswagen Golf aangetroffen. Op deze telefoon zijn negen lijsten met persoonsgegevens aangetroffen, welke door de verbalisant ambtshalve zijn herkend als leadlijsten. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het klopt dat dit zijn telefoon is. Op deze telefoon stond de gebruiker [gebruikersnaam] op de applicatie Snapchat ingelogd. 4.4.2. Tussenconclusie De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij de iPhone SE met goednummer 6767957 alleen zou gebruiken voor het schrijven van songteksten en dat de social-media-accounts op die telefoon van de voormalige eigenaar nog ingelogd stonden op het toestel middels de cloud, ongeloofwaardig. Los van de omstandigheid dat het onaannemelijk is dat de vorige eigenaar van een telefoon met zijn social-media ingelogd blijft op een telefoon die hij verkoopt, blijkt uit onderzoek aan de andere telefoon (met goednummer 676894) waarvan verdachte bevestigt dat het zijn telefoon is, dat de gebruiker [gebruikersnaam] ook op die telefoon op Snapchat stond ingelogd. De rechtbank stelt bovendien vast dat verder op de telefoon (met goednummer 6767957) op Snapchat, Facebook, Instagram en Tiktok accounts waren ingelogd met verschillende variaties van de naam [naam 2] , waarvan verdachte heeft verklaard dat hij deze naam gebruikt. Op grond van al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat verdachte de gebruiker is geweest van de iPhone SE met goednummer 6767957 en van de iPhone SE met goednummer 6767894. Bovendien kan worden vastgesteld dat verdachte de gebruiker is geweest van het account [gebruikersnaam] op Snapchat. 4.4.3. Modus operandi Onderzoek Crèmewit richtte zich op een aanzienlijk aantal aangiften van een specifieke vorm van oplichting, die ook wel wordt aangeduid met de term bankhelpdeskfraude. Uit de aangiften in het dossier komt een beeld naar voren van een in grote lijnen telkens vrijwel identieke modus operandi, die zich in het kort als volgt laat omschrijven. De beoogde slachtoffers, veelal op leeftijd en kwetsbaar, werden gebeld door een persoon die zich voordeed als een medewerker van de fraudehelpdesk van een bank of van de politie. De zogenaamde bankmedewerker (die zich in meerdere gevallen voorstelde als [naam 3] ) of zogenaamde politieagent (die zich in meerdere gevallen voorstelde als [naam 4] of [naam 5] ) vertelde het slachtoffer dat er een verdachte transactie dreigde plaats te vinden of al had plaatsgevonden. Het slachtoffer werd verteld dat zijn of haar rekening veiliggesteld zou kunnen worden door geld over te maken naar een ander rekeningnummer of door zijn of haar betaalpassen en kostbare spullen mee te geven aan de politie, die deze aan huis zou komen ophalen. In een aantal gevallen is met deze opgehaalde betaalpassen daadwerkelijk gepind en geld opgenomen. 4.4.4. Vrijspraak feit 1 en feit 2 (medeplegen oplichting [slachtoffer 1] en medeplegen poging tot oplichting [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] ) De rechtbank is van oordeel dat de rol van verdachte bij de onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde (pogingen tot) oplichting niet is vast te stellen. Ten aanzien van de oplichting van [slachtoffer 1] (feit 1) geldt dat uit de observatiebevindingen blijkt dat verdachte op het moment van de oplichting niet in de Volkswagen Golf aanwezig was. Het dossier bevat ook geen andere aanwijzingen voor de betrokkenheid van verdachte bij dit feit. Ten aanzien van de pogingen tot oplichting van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] (feit 2), die plaatsvonden terwijl verdachte wel aanwezig was in de Volkswagen Golf, geldt dat de enkele aanwezigheid van verdachte in deze auto onvoldoende is voor de vaststelling dat hij ter zake van feiten nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte] en/of de andere inzittenden. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage aan deze delicten heeft geleverd. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. 4.4.5. Feit 3 (verwerven/voorhanden hebben van niet-openbare gegevens) Op de telefoon van verdachte met goednummer 6767894 zijn negen lijsten met persoonsgegevens aangetroffen, welke door de verbalisant ambtshalve zijn herkend als leadlijsten. Bovendien is een van deze lijsten genaamd ‘ [naam lijst] ’. In deze lijsten staat een grote hoeveelheid persoonlijke gegevens van personen, zoals namen, geboortedata, adressen, IBAN-nummers, telefoonnummers en woonplaatsen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard hierover niks te weten. Oordeel van de rechtbank De op de telefoon van verdachte aangetroffen leadlijsten bevatten veel zeer persoonlijke en privacygevoelige gegevens. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke persoonsgegevens veelal worden gebruikt bij strafbare feiten, zoals bankhelpdeskfraude. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van deze gegevens op zijn telefoon. De rechtbank stelt voorop dat de telefoon is aangetroffen in de broekzak van verdachte. Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat hij in beginsel geacht wordt bekend te zijn met de inhoud hiervan. Deze aanname kan worden weerlegd als verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. De rechtbank acht de verklaring van verdachte – dat hij niks weet over de leadlijsten – onaannemelijk, zeker nu ten minste één van de leadlijsten is vernoemd naar de alias van verdachte en de gegevens die op deze lijsten staan later ook daadwerkelijk zijn gebruikt voor het oplichten van de hierop genoemde personen (zie rubriek 4.4.7). De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte, op het moment dat hij deze leadlijsten met (persoons)gegevens ontving, wist dat die gegevens bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten. Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan. 4.4.6. Feit 4 en 5 (medeplegen oplichting en diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel) [slachtoffer 4] Op 16 juli 2025 werd aangeefster [slachtoffer 4] gebeld door een man die vertelde dat er twee keer was gepoogd om van haar rekening een bedrag naar het buitenland over te maken. Aangeefster heeft in opdracht van de man € 40.000,- overgemaakt naar haar lopende betaalrekening. De man gaf aan dat haar pas met spoed zou worden opgehaald zodat haar rekening kon worden geblokkeerd. [slachtoffer 4] werd verteld dat er al 147 meldingen in de wijk waren, waarbij hetzelfde aan de hand zou zijn. [slachtoffer 4] moest vervolgens inloggen op www.kpn.nl zodat ze een beveiligingscheck konden doen, maar deze liep vast. Tijdens het gesprek heeft [slachtoffer 4] haar pincodes afgegeven. Daarna kwam iemand haar bankpassen ophalen. Deze persoon gaf [slachtoffer 4] hierbij een code, die haar ook telefonisch al eerder was doorgegeven, zodat zij zeker zou weten dat het de juiste persoon betrof. Later bleek hiermee € 23.530,- te zijn gepind bij een juwelier en vier keer € 500,- bij een pinautomaat. De juwelier is voorafgaand aan de koop gebeld door het telefoonnummer [nummer] om een prijsafspraak van € 23.530, - te maken voor drie goudstaven. [slachtoffer 4] bleek achteraf ook anoniem gebeld te zijn door dit nummer. De politie heeft op de telefoon van verdachte met goednummer 6767957 een schermafbeelding gevonden van een WhatsApp-profiel met weergavenaam [naam eigenaar] en een profielfoto van Denzel Washington. Het telefoonnummer wat hieraan gekoppeld was betrof [nummer] . Vervolgens is onderzoek gedaan naar dit telefoonnummer in de politiesystemen. Hieruit blijkt dat een slachtoffer uit een andere zaak bij de politie heeft verklaard dat zij een man genaamd [verdachte] had leren kennen die de gebruikersnaam [gebruikersnaam] gebruikte op Snapchat. Van deze man kreeg dit slachtoffer door dat zij accounts moest openen voor het aanvragen van zakelijke leningen. Tijdens het doen van aangifte hierover werd dit slachtoffer gebeld door telefoonnummer [nummer] , waarna zij aangaf de stem van deze persoon te herkennen als zijnde [verdachte] . Uit het verhoor van verdachte [naam verdachte] (hierna: [naam verdachte] ) blijkt daarnaast dat hij is gevraagd om met de weggenomen pinpas van aangeefster [slachtoffer 4] te pinnen bij de juwelier en de pinautomaat, en dat hij hier € 400,- voor kreeg. [naam verdachte] heeft verklaard dat hij het gekochte goud heeft meegegeven aan de jongens die hem op pad stuurden. [slachtoffer 5] Op 12 september 2025 werd aangeefster [slachtoffer 5] gebeld door een man die zich voordeed als een bankmedewerker. De man vertelde haar dat iemand geld van haar rekening af had proberen te halen, maar dat de bank dit had kunnen tegenhouden. [slachtoffer 5] werd doorverbonden met een politieagent die haar vertelde dat er bij haar in de buurt was ingebroken. De agent vroeg aan haar of zij waardevolle spullen in huis had liggen, waarop [slachtoffer 4] antwoordde dat zij dat niet had. Aangeefster werd weer verbonden met de bankmedewerker, die haar vertelde dat zij haar pinpas en identifier in een envelop moest doen, met de pincode op de envelop geschreven. Daarna kwam iemand haar bankpas ophalen en die gaf haar een code die haar telefonisch eerder was doorgegeven, zodat ze zeker zou weten dat het de juiste persoon betrof. Later bleek dat er € 9,10 is gepind bij parkeren gemeente Arnhem, € 61,35 bij tankstation Total Schuytgraaf in Arnhem en € 11.200, - bij de Bijenkorf in Amsterdam. Op de telefoon van verdachte met goednummer 6767894 is een foto van het adres van aangeefster aangetroffen, gedateerd op 12 september 2025. [slachtoffer 6] Op 4 oktober 2024 werd aangeefster gebeld door iemand die zich voorstelde als [naam 6] van de ABN AMRO Bank, die haar vertelde dat werd gepoogd geld van haar rekening af te halen in Duitsland. De man zei dat hij haar rekening zou blokkeren als zij een formulier zou invullen en dit terug zou sturen via WhatsApp. [slachtoffer 6] moest hierop haar rekeningnummer, creditcardnummer en pincodes noteren. [slachtoffer 6] heeft het formulier ingevuld en gestuurd naar het telefoonnummer waar zij door gebeld was. De man zei dat hij haar bankpas en creditcard zou laten ophalen, maar aangeefster gaf aan dat zij dit niet wilde. [slachtoffer 6] is vervolgens een hele tijd aan de lijn gehouden, tot er mevrouw aan de deur stond die haar een code gaf die ook al eerder telefonisch was doorgegeven. [slachtoffer 6] heeft hierop een envelop met daarin haar bankpassen en creditcard meegegeven. Op de envelop stonden de pincodes geschreven. Later bleek dat hiermee € 2.000, - is gepind bij een Geldmaat in Den Haag. Ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat hij degene is geweest die de persoon die aan de deur kwam heeft geregeld, en dat hij aan deze persoon het adres van [slachtoffer 6] heeft doorgegeven met het doel om [slachtoffer 6] op te lichten. [slachtoffer 7] Op 25 januari 2026 werd aangeefster gebeld door een man die vertelde dat er een verdachte transactie was gedaan en dat hij vermoedde dat zij gehackt was. De man vertelde [slachtoffer 7] dat haar huistelefoon werd afgeluisterd en dat hij haar daarom beter op haar mobiele nummer kon spreken. Zij kreeg een WhatsApp-bericht van een nummer met een profielfoto van de Rabobank. Aangeefster heeft meerdere foto’s van haar paspoort, bankpas, creditcard en waardevolle spullen gestuurd. De man heeft meerdere uren met [slachtoffer 7] gebeld en tijdens dit gesprek gaf zij haar pincodes door. Daarna kwam iemand haar bankpas ophalen en die gaf haar een code die haar telefonisch eerder was doorgegeven, zodat ze zeker zou weten dat het de juiste persoon zou zijn. Later bleek dat er vijf transacties zijn gedaan van in totaal ongeveer € 1.600,-. Op de telefoon van verdachte met goednummer 6767894 zijn de foto’s aangetroffen die [slachtoffer 7] naar de man heeft gestuurd. Op de telefoon van verdachte met goednummer 6767957 zijn daarnaast gesprekken op Snapchat tussen verdachte en gebruiker [gebruikersnaam] aangetroffen. Verdachte gaf het adres van aangeefster door aan de gebruiker, samen met een foto van een weegschaal waar gouden sieraden op liggen. Verdachte gaf de gebruiker hierbij duidelijke instructies, waaronder het adres, de ophaalcode en wanneer hij kon gaan lopen. Vervolgens wordt er afgesproken op een adres in Amsterdam. [slachtoffer 8] Op 19 januari 2026 werd aangever gebeld door een man die zich voorstelde als iemand van de fraudedesk van de ABN AMRO Bank. De man gaf aan dat er een groot bedrag was afgeschreven van de rekening van aangever en dat hij dit wilde terugstorten. [slachtoffer 8] moest hiervoor nummers op zijn identifier intoetsen en doorgeven aan de man, waarna hij het bedrag binnen een half uur terug zou krijgen. Uiteindelijk bleek dat er een bedrag van € 15.200, - en € 17.200,- is afgeschreven bij een juwelier. Verdachte is herkend op de camerabeelden van de juwelier als zijnde de persoon die deze bedragen heeft uitgegeven. Oordeel van de rechtbank Voor een bewezenverklaring van oplichting als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Daarnaast moet de verdachte zich hebben bediend van ten minste één van de in dat artikel genoemde oplichtingsmiddelen, dan wel van een combinatie daarvan. Tot deze oplichtingsmiddelen behoren het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. De slachtoffers, bijna allemaal ouder dan 70 jaar, hebben aangifte gedaan van telefonische oplichting. Zij hebben in hun aangiften verklaard dat zij zijn gebeld door iemand die zich voorstelde als medewerker van de bank en/of iemand die zich voorstelde als politieagent. Aan de slachtoffers werd verteld dat er verdachte transacties waren opgemerkt, er gefraudeerd zou zijn, er onderzoek moest worden gedaan of dat de politie informatie had dat er zou worden ingebroken. De slachtoffers werden soms urenlang aan de lijn gehouden. Vervolgens werden geld en/ of sieraden en bankpassen afhandig gemaakt. Ook werden geldbedragen gepind met de gestolen bankpassen en de verkregen pincodes. De rechtbank is gelet op bovenstaande gang van zaken van oordeel dat door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen, het aannemen van een valse hoedanigheid en valse naam en een samenweefsel van verdichtsels, bij de slachtoffers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen waardoor zij zijn bewogen tot de afgifte van een of meer goederen waaronder (in sommige gevallen) sieraden, geldbedragen en het beschikbaar stellen van gegevens zoals pincodes. De rechtbank stelt vast dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een vooraf geplande werkwijze waarbij hij en zijn mededaders zich voordeden als betrouwbare personen. Hierbij was sprake van een indringendheid van de aan de slachtoffers gedane leugenachtige mededelingen, waarbij misbruik werd gemaakt van hun kwetsbaarheid en vertrouwen in overheidsinstanties. Medeplegen Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een ander of anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, zijn van belang de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Het gaat erom dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. De geschetste werkwijze impliceert een aanzienlijke mate van organisatie, structuur en taakverdeling. Verschillende daders verrichten verschillende handelingen, die elkaar opvolgen of simultaan plaatsvinden en die moeten zijn afgestemd om het gemeenschappelijke doel te bereiken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte nauw en bewust betrokken is geweest bij de beschreven oplichtingspraktijk en daaraan heeft deelgenomen. Dit geldt ook voor de tenlastegelegde diefstallen door middel van een valse sleutel. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar deze bijdrage kan ook voor of na het strafbare feit zijn geleverd. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte verschillende uitvoeringshandelingen verrichte, waaruit blijkt dat hij een spin in het web was. Verdachte had een faciliterende rol in de oplichtingen en de diefstallen daarna die een planmatige aanpak en intensieve samenwerking vergden. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is zijn rol daarmee van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken, dit geldt óók voor de diefstallen. Verdachte vervulde immers een noodzakelijke en wezenlijke schakelrol voor het bereiken van het einddoel van de oplichting, namelijk het doorsturen van adressen aan ophalers en in het geval van aangever [slachtoffer 8] het pinnen bij de juwelier. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij – met uitzondering van de zaak van aangeefster [slachtoffer 6] – niet betrokken was bij de oplichtingen en/of de diefstallen, ongeloofwaardig. De rechtbank betrekt daarbij dat is gebleken dat verdachte de ophalers regelde en dat het pinnen steeds plaatsvond zeer kort nadat de passen waren verkregen. De slachtoffers werden veelal aan de telefoon gehouden, kennelijk om te voorkomen dat zij argwaan zouden krijgen en/of naasten zouden kunnen bellen. Als de passen hierdoor geblokkeerd zouden worden, zou het pinnen hiermee immers niet meer mogelijk zijn. Bovendien acht de rechtbank de verklaring van verdachte ongeloofwaardig omdat er tal van gesprekken tussen verdachte en anderen zijn gevonden waaruit blijkt dat verdachte zich bezighoudt met het verschaffen van leadlijsten en oplichtingspraktijken. Zo blijkt uit snapchatgesprekken dat verdachte actief mensen zoekt, opdrachten uitzet om passen op te halen, en bepaalt welke percentages er verdiend worden. Verdachte ontvangt meermaals adressen waarvan uit onderzoek gebleken is dat daar helpdeskfraude heeft plaatsgevonden. De rechtbank gaat er gelet op deze handelwijze vanuit dat tussen verdachte en zijn medeverdachten de benodigde afstemming met betrekking tot de oplichting en het aansluitende pinnen heeft plaatsgevonden. De rechtbank neemt het bewijs van de feiten mede aan op grond van de andere soortgelijke feiten. Met name de werkwijze komt op essentiële punten overeen, zoals hiervoor al is weergegeven en verschillende aangevers komen op de leadlijsten voor. Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat Ten aanzien van feit 3 hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Amsterdam, niet-openbare gegevens, te weten negen, althans (straatnaam en/of postcode en/of woonplaats) en/of e-mailadres en/of telefoonnummer(s) en/of IBAN bankrekeningnummer van duizenden, althans een zeer grote hoeveelheid personen (al dan niet geselecteerd op geboortedatum en/of postcode en/of woonplaats) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen; Ten aanzien van feit 4 hij op meerdere tijdstippen in de periode van 16 juli 2025 tot en met 25 januari 2026 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, - [slachtoffer 4] en - [slachtoffer 5] en - [slachtoffer 6] - [slachtoffer 7] en - [slachtoffer 8] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten sieraden en/of juwelen en/of bankpassen en/of bijbehorende pincodes en/of identifiers, door - telefonisch contact op te (laten) nemen met het voornoemde slachtoffers, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van een medewerker (van de fraudehelpdesk/alarmcentrale) van een bank en/of de politie en/of - voornoemde slachtoffers te vertellen dat er onderzoek wordt gedaan in verband met de veiligheid en/of dat een of meerdere bankpassen mogelijk zullen worden geblokkeerd en/of dat er een geldbedrag van de rekening is en/of zou worden afgeschreven, en/of - voornoemde slachtoffers te vertellen dat meerdere bankpassen door een politieagent worden opgehaald, en/of - voornoemde slachtoffers te vertellen dat er criminelen in de buurt van de woning van het slachtoffer actief zijn en/of - voornoemde slachtoffers te vertellen dat waardevolle goederen door een politieagent worden opgehaald, en/of - voornoemde slachtoffers te vertellen dat de betaalpas en/of een identifier worden opgehaald, en/of - voornoemde slachtoffers te bewegen om de bijbehorende pincode(s) telefonisch door te geven en/of - aan te (laten) bellen bij de woning van voornoemde slachtoffers en/of bankpas(sen) en/of bijhorende pincode(s) en/of identifiers in ontvangst te nemen en/of - aan te (laten) bellen bij de woning van voornoemde slachtoffers en/of geldbedragen en/of sieraden en/of juwelen, althans waardevolle goederen, in ontvangst te (laten) nemen; Ten aanzien van feit 5 hij, op meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juli 2025 tot en met 25 januari 2026 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel aan: - [slachtoffer 4] en - [slachtoffer 5] en - [slachtoffer 6] en - [slachtoffer 7] en - [slachtoffer 8] in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedragen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door meermalen, althans eenmaal gebruik te maken van een bankpas en/of creditcard en/of (bijhorende) pincode(s) van die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] . Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straffen en maatregelen 8.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden waarvan zes voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en de bijzondere voorwaarden zoals omschreven door de reclassering met een proeftijd van twee jaar. 8.2. Standpunt van de verdediging Voor het geval de rechtbank tot strafoplegging komt heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met het feit dat de oudste dochter van verdachte moeite heeft met de detentie van haar vader. Verder verzoekt de raadsvrouw om aan te sluiten bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor fraude. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen in combinatie met een voorwaardelijk deel en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. 8.3. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met anderen gedurende meerdere maanden schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude, waarbij een groot aantal personen is gedupeerd. De slachtoffers, veelal kwetsbare ouderen, werden telefonisch benaderd door een van de daders, die zich voordeed als medewerker van de bank of politie en die de slachtoffers wijs maakte dat zij bestolen zouden gaan worden. Op geraffineerde wijze werden de slachtoffers gemanipuleerd zodat zij bewogen werden betalingen te doen en/of hun betaalpas(sen) en kostbare spullen af te staan. Bankhelpdeskfraude is een steeds meer voorkomende vorm van criminaliteit die voor verdachten op relatief gemakkelijke wijze zeer lucratief kan zijn. Verdachte heeft op georganiseerde en professionele wijze op grote schaal misbruik gemaakt van het gewekte vertrouwen van de kwetsbare slachtoffers, die dachten dat zij op deze wijze juist konden voorkomen dat zij veel geld zouden kwijtraken. Door zo te handelen heeft verdachte het vertrouwen van de slachtoffers in de medemens ernstig geschaad. Deze zelfverrijking ten koste van kwetsbare ouderen op doortrapte wijze neemt de rechtbank de verdachte kwalijk. Persoon van de verdachte De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 april 2026, waaruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar twee keer eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten, waardoor sprake is van recidive. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 14 juli 2026. Hierin wordt vermeld dat de volgende leefgebieden risicoverhogende factoren kunnen vormen: financiën, sociaal netwerk en psychosociaal functioneren. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en dagbesteding. Strafoplegging De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet hierop, en op het feit dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, ziet de rechtbank aanleiding af te wijken van wat door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op van 24 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met daarbij de in het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport geadviseerde bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar. De rechtbank ziet meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel, om verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van strafbare feiten en om hem door de reclassering te laten begeleiden bij zijn terugkeer in de maatschappij. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 139g, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. 10 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het onder tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 3 niet-openbare gegevens verwerven of voorhanden hebben, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf zijn verkregen, meermalen gepleegd Ten aanzien van feit 4 medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd Ten aanzien van feit 5 diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Bepaalt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelden bijzondere voorwaarden voldoet. Stelt als bijzondere voorwaarden : Meldplicht bij reclassering Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, Wibautstraat 6-12 te Amsterdam. Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden Veroordeelde neemt binnen de proeftijd deel aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang Veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt. Dagbesteding Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur. Zo nodig met hulp van een daartoe aangewezen organisatie, dit ter beoordeling van de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie. Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Vaandrager, voorzitter mrs. J.O. Rutten en C. Işıtman, rechters in tegenwoordigheid van mrs. J.J.M. Smolders en L.D. de Vries, griffiers en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 augustus 2026. Voor het overzicht is achter de processen-verbaal benoemd uit welk dossier zij afkomstig zijn. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190 (documentcode 21803175), p. 002-003 (procesdossier ZD). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190 (documentcode 21825932), p. 006 (procesdossier ZD). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190 (documentcode 21889994), p. 009-0010 (procesdossier ZD). Proces-verbaal van verdenking met nummer PL1300-2025292190 (documentcode 21900184), p. 0067 (procesdossier ZD). Proces-verbaal van observatie met nummer PL1300-2025292190, p. 0071 (procesdossier ZD). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190 (documentcode 21992825), p. 0119 (procesdossier ZD). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190, p. 0074 (procesdossier ZD). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190 (documentcode 21992825), p. 0119 (procesdossier ZD). Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Verklaring verdachte ter terechtzitting van 21 juli 2026. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190 (documentcode 22022329), p. 25-26. (pv van bevindingen telefoon Telgt). Verklaring verdachte ter terechtzitting van 21 juli 2026. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190, p. 0085-0086 (PV nazending t.b.v. RDK). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190, p. 0085-0086 (PV nazending t.b.v. RDK). Verklaring verdachte ter terechtzitting van 21 juli 2026. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190, p. 0059 (PV nazending t.b.v. RDK). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190, p. 0085-0086 (PV nazending t.b.v. RDK). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190, p. 0085; 0087 (PV nazending t.b.v. RDK). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190, p. 0085-0088 (PV nazending tbv RDK). Verklaring verdachte ter terechtzitting van 21 juli 2026. Proces-verbaal van aangifte met nummer 250716-1457-703, p. 0381-0382 (nazending II). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190, p. 357-359 (nazending II). Proces-verbaal; van bevindingen met nummer PL1300-2025292190 (documentcode 22294064), digitale p. 0154-0156 (nazending II). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025177270-15, p. 0371-0372 (nazending II). Proces-verbaal van aangifte met nummer PL0600-2025464138-2, p. 0295-0296 (nazending II). Proces-verbaal; van bevindingen met nummer PL1300-2025292190 (documentcode 22182169), p. 0261 (nazending II). Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1500-2025338997-2, p. 0299-0300 (nazending II). Verklaring verdachte ter terechtzitting van 21 juli 2026. Proces-verbaal van aangifte met nummer 260125-2338-206, p. 0068-0070 (PV nazending t.b.v. RDK). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190 (documentcode 22014036), p. 0059, 0064-0067 (PV nazending t.b.v. RDK). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190 (documentcode 2212099), p. 0309-0316 (nazending II). Proces-verbaal van aangifte met nummer 260119-2570-160, p. 7-9 (nagekomen procesdossier). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL0600-2026029222-7, p. 14 (nagekomen procesdossier); proces-verbaal van bevindingen met nummer PL0600-2026029222-18, p. 29-32 (nagekomen procesdossier). Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190 (documentcode 22182169), p. 0257-0294 (nazending II); proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025292190 (documentcode 22018808), p. 0030-0032; p. 0036-0040.