Rechtbank Amsterdam, 30-07-2026 (13/070471-26)
EAB Kroatië; verweer m.b.t. de detentieomstandigheden verworpen; overlevering toegestaan
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/070471-26 Datum uitspraak: 30 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 24 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 november 2025 door de Gemeentelijke Rechtbank te Rijeka, Kroatië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Kroatië) op [geboortedag] 1975, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 7 mei 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 7 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie, en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. L.C. Cox, advocaat in Amersfoort. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Het onderzoek is geschorst tot de zitting van 19 mei 2026. Zitting 19 mei 2026 Op de zitting van 19 mei 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.C. Cox, en door een tolk in de Kroatische taal. Tussenuitspraak van 2 juni 2026 Bij tussenuitspraak van 2 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank met het oog op de toetsing aan artikel 11 OLW geformuleerde vraag over de detentieomstandigheden aan de Kroatische uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De zitting van 16 juni 2026 De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 16 juni 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en heeft afstand gedaan van het recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsvrouw, mr. L.C. Cox. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Tussenuitspraak van 30 juni 2026 Bij tussenuitspraak van 30 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om de officier van justitie en de raadsvrouw in de gelegenheid te stellen een standpunt in te nemen over de aanvullende informatie van 18 juni 2026 die na sluiting van het onderzoek is binnengekomen. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 16 juli 2026 Op de zitting van 16 juli 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.C. Cox, en door een tolk in de Kroatische taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Kroatische nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 2 juni 2026 De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 2 juni 2026 al is geoordeeld over grondslag en de inhoud van het EAB (onder 3) en over de dubbele strafbaarheid van de feiten (onder 4). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen en geoordeeld moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 2 juni 2026. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Daarnaast verwijst de rechtbank naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 30 juni 2026. Deze overwegingen moeten ook als herhaald en ingelast worden beschouwd. Op 18 juni 2026 heeft de uitvaardigende autoriteit de volgende e-mail gestuurd: Regarding your further request, I inform you that I have received the answer of the prison authorities with the guarantee that [opgeëiste persoon] , in case that his surrender to the Croatian authorities is approved, will be placed in the Rijeka Prison and that he will not be transferred to the Zagreb Remand Prison. Standpunt raadsvrouw De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat deze nieuwe informatie vragen oproept. Hoe kan het dat deze garantie op 10 juni 2026 niet kon worden gegeven en acht dagen later ineens wel? Het is niet duidelijk van wie deze nieuwe garantie komt. Gelet hierop dient de rechtbank kritisch te kijken naar de nieuwe garantie. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank uit dient te gaan van de laatste garantie en verwijst hiertoe naar een uitspraak van deze rechtbank . De garantie van 18 juni 2026 neemt het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg nu hij niet in the Zagreb Remand Prison wordt gedetineerd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen geldt voor gedetineerden in the Zagreb Remand Prison . De garantie van 18 juni 2026 is afkomstig van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Daarin staat dat the prison authorities - die over plaatsing van gedetineerden gaan - garanderen dat de opgeëiste persoon niet in the Zagreb Remand Prison wordt gedetineerd. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze garantie te twijfelen. Met deze garantie wordt het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen en vormen de detentieomstandigheden geen beletsel meer voor de overlevering. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 6 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 47, 138ab en 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 7 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Gemeentelijke Rechtbank te Rijeka (Kroatië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG613126131004/È G613126131004 ECLI:NL:RBAMS:2026:5553. ECLI:NL:RBAMS:2026:6631. Rb. Amsterdam 4 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8318. Rb. Amsterdam 27 december 2023, ECL1:NL:RBAMS:2023:8493.