Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:5987 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 04-06-2026 (C/02/434828 / FA RK 25-2198)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Summary

Afwijzen verzoek tot vaststellen van een omgangsregeling. Schriftelijke afdoening.

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/434828 / FA RK 25-2198 datum uitspraak: 4 juni 2026 beschikking over omgang in de zaak van [de man] , hierna: de man, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. S. van Reeven-Özer in Waalwijk, tegen [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. V.K.S. Deetman in Dordrecht. over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, hierna: [minderjarige] . 1 Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - de beschikking van deze rechtbank van 11 september 2025; - het F9-formulier van 23 september 2025 van mr. V.K.S. Deetman; - het F9-formulier met bijlage van 7 oktober 2025 van mr. S. van Reeven-Özer; - het F9-formulier met bijlagen van 25 maart 2026 van mr. V.K.S. Deetman; - het F9-formulier van 7 april 2026 van mr. S. van Reeven-Özer; - het F9-formulier met bijlage van 22 april 2026 van mr. S. van Reeven-Özer; - de twee F9-formulieren van 28 april 2026 van mr. V.K.S. Deetman; - het bericht van de griffier van de rechtbank van 29 april 2026; - het F9-formulier met bijlage van 6 mei 2026 van mr. S. van Reeven-Özer; - het F9-formulier van 6 mei 2026 van mr. V.K.S. Deetman. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Binnen deze relatie is [minderjarige] geboren. 2.2 De man heeft [minderjarige] erkend. 2.3 De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige] . 2.4 [minderjarige] verblijft bij de vrouw. 2.5 Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. 2.6 Bij beschikking van deze rechtbank van 11 september 2025 is de behandeling van het verzoek van de man aangehouden tot dinsdag 31 maart 2026 pro forma, in afwachting van een bericht van de advocaten van partijen. 3 Het verzoek 3.1 De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. een omgangsregeling vast te stellen waarbij de man en [minderjarige] contact met elkaar hebben gedurende een dagdeel per week, waarbij de man bereid is om in overleg met de vrouw tot een concrete dag en/of tijdstippen te komen in het kader van de onderhavige procedure; II. althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie oordelend redelijk en juist acht. 3.2 De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek af te wijzen. Kosten rechtens. 4 De nadere beoordeling Wettelijk kader 5.1 In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden: omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind; de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind; het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil; er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. Inhoudelijke beoordeling 5.2. De rechtbank heeft in de beschikking van 11 september 2025 de man de kans gegeven om te laten zien dat hij betrouwbaar is en daadwerkelijk wil investeren in de opbouw van een relatie met [minderjarige] , door één keer per maand een kaartje te sturen naar [minderjarige] en een hulpverleningstraject te volgen (psycho-educatie). Daarnaast diende de man professionele hulp te zoeken voor zijn emotieregulatie. Aan de advocaten van partijen is verzocht om uiterlijk op 31 maart 2026 de rechtbank schriftelijk op de hoogte stellen van hoe de hulpverleningstrajecten van de man zijn verlopen en vooral van wat de reactie van [minderjarige] is geweest op de ontvangen kaartjes. Ook heeft de rechtbank de advocaten verzocht om zich dan uit te laten over het verdere gewenste procesverloop. 5.3 Uit de berichten van de advocaten van partijen blijkt dat beide partijen wensen dat de zaak schriftelijk wordt afgedaan. De rechtbank acht zich aan de hand van de ingediende stukken voldoende geïnformeerd om een definitieve beslissing te nemen in deze zaak. Uit de stukken blijkt dat de man enkel in september en oktober 2025 een kaartje heeft gestuurd naar [minderjarige] . [minderjarige] heeft volgens de vrouw heftig gereageerd op de kaartjes vanuit de man. Vervolgens heeft de man enkele maanden geen kaartje gestuurd naar [minderjarige] . Het is de man daarnaast niet gelukt om concrete stappen te zetten ten aanzien van de hulpverleningstrajecten, die de rechtbank nodig achtte om omgang tussen de man en [minderjarige] in welke vorm dan ook plaats te kunnen laten vinden. Hoewel de man daartoe een reden aanvoert, namelijk dat de man een sterfgeval in de familie had, staat vast dat het de man opnieuw niet is gelukt om zich betrouwbaar richting [minderjarige] op te stellen en zich te houden aan de opdrachten vanuit de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat de man inmiddels voldoende kansen heeft gekregen om te laten zien dat hij serieus wil investeren in contact met [minderjarige] , maar dat de man deze kansen de afgelopen periode niet c.q. onvoldoende heeft aangegrepen. Voor [minderjarige] is het nodig dat hij erop kan vertrouwen dat - als de man weer deel uit gaat maken van zijn leven – de man zich als een betrouwbare vaderfiguur gaat opstellen die laat zien dat hij moeite wil doen voor het opbouwen van een band met zijn zoon. Daarvoor is nodig dat de man zich aan afspraken houdt. Hij heeft de kans gekregen om te laten zien dat hij daadwerkelijk gemotiveerd is voor het opbouwen van een band met [minderjarige] . De rechtbank heeft in de beschikking van 11 september 2025 duidelijke opdrachten meegegeven aan de man, echter hij heeft zich daar onvoldoende aan gehouden. Zelfs het maandelijks sturen van een kaartje is de man niet gelukt. [minderjarige] heeft op de paar kaartjes die hij wel heeft gekregen, negatief gereageerd. [minderjarige] heeft geen behoefte aan contact met de man. Hij wil dat het stopt en wil rust. Hij is inmiddels 12 jaar oud en heeft zelf een belangrijke stem hierin. Gelet op het voorgenoemde oordeelt de rechtbank dat het vaststellen van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . De kinderrechter gunt [minderjarige] dat hij bezig kan zijn met de dingen die belangrijk zijn voor jongeren van zijn leeftijd en dat hij niet meer bezig hoeft te zijn met wat de man zegt te willen, maar steeds niet waarmaakt. De man heeft het zelf volledig af laten weten de afgelopen jaren en zal zich er bij neer moeten leggen dat vanwege zijn eigen gedrag er geen omgang zal komen tussen [minderjarige] en hem. Het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling zal dan ook worden afgewezen. Proceskosten 5.4 Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten moet dragen 5 De beslissing De rechtbank 5.1 wijst het verzoek van de man af. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.

Similar Content