Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:6773 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 01-07-2026 (AMS 23/5842)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Tussenuitspraak na gegrond verzet. Inzageverzoek o.g.v. de AVG. Eiser was tot maart 2008 werkzaam bij de gemeente Weesp. Weesp maakt sinds maart 2022 onderdeel uit van de gemeente Amsterdam. Eiser heeft bij het college van B&W van Amsterdam gevraagd om inzage in zijn personeelsdossier. Tussen partijen is in geschil of in zijn personeelsdossier meer documenten moeten zitten. De rechtbank is van oordeel dat het college met de bestreden besluitvorming de zoekslag onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of de stelling van het college dat er niet meer documenten zijn niet ongeloofwaardig is. Zij draagt het college op dit motiveringsgebrek te herstellen.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 23/5842 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigde: mr. H. Verhaar). Procesverloop 1. Eiser heeft op 6 mei 2022 een inzageverzoek ingediend op grond van artikel 15 van de AVG. Het college heeft het verzoek met een besluit van 19 september 2022 (het primaire besluit) toegewezen. Het college heeft met een besluit van 8 november 2023 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser daartegen gegrond verklaard. 1.1. Eiser heeft op 25 september 2023 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank heeft het beroep met een uitspraak van 26 juli 2024 (de buitenzittingsuitspraak) niet-ontvankelijk verklaard. 1.2. Eiser heeft verzet ingesteld tegen de buitenzittingsuitspraak. Met een uitspraak van 5 september 2025 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door het bestreden besluit niet onverwijld naar de rechtbank toe te sturen. Als dat wel was gebeurd, dan was het bestreden besluit meegenomen bij de behandeling van het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen. De buitenzittingsuitspraak is komen te vervallen en eiser is een schriftelijke termijn geboden om gronden tegen het bestreden besluit aan te voeren. 1.3. De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. 1.4. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak op zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen te overleggen over een formele verklaring van het college dat er kortgezegd niet meer documenten zijn gevonden in zijn personeelsdossier dan die al bekend zijn. Eiser heeft de rechtbank met een brief van 10 maart 2026 laten weten dat het college niet bereid is deze verklaring te verstrekken. Eiser heeft de rechtbank gevraagd om over te gaan tot een uitspraak in deze zaak. 1.5. De rechtbank heeft partijen laten weten dat een nadere zitting in deze zaak achterwege blijft, tenzij partijen aangeven alsnog op zitting gehoord te willen worden. Geen van partijen heeft aangegeven op zitting gehoord te willen worden. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Het verzoek en de bestreden besluitvorming 2.1. Eiser was tot maart 2008 werkzaam bij de gemeente Weesp. Na eisers ontslag heeft hij hierover meerdere (hoger)beroepsprocedures gevoerd en verzoeken ingediend op grond van de Avg en de Wet open overheid. Weesp maakt sinds 24 maart 2022 als stadsgebied onderdeel uit van de gemeente Amsterdam. 2.2. Op 6 mei 2022 heeft eiser het inzageverzoek ingediend en gevraagd om onder andere inzage in dan wel afgifte van zijn volledige personeelsdossier. 2.3. Met het primaire besluit heeft het college eiser een overzicht van de van hem verwerkte persoonsgegevens verstrekt. Het college heeft besloten geen kopie van het personeelsdossier aan eiser te verstrekken, omdat dit eiser op 17 maart 2008 op Cd-rom is overhandigd. Daarna is slechts één document aan het personeelsdossier toegevoegd, waarin alleen eisers naam, adres en woonplaats zijn opgenomen. 2.4. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het primaire besluit aangevuld. Het overzicht dat met het primaire besluit is verstrekt bevat niet alle elementen om eiser in staat te stellen de rechten die hij aan de AVG ontleent daadwerkelijk uit te oefenen. Eiser kan met deze gegevens namelijk niet controleren of zijn persoonsgegevens juist zijn en of zij zijn verwerkt in overeenstemming met de AVG. Met het bestreden besluit heeft het college het overzicht aangevuld met de vermelding van eisers naam, adres en woonplaats, zoals die in het document ‘Afschrift personeelsbeoordeling van 11 december 2006’, gedateerd op 30 mei 2007, zijn verwerkt. Moeten er meer documenten zijn? 3. Eiser voert aan dat zijn personeelsdossier meer documenten moet bevatten. Het klopt volgens eiser niet dat er na 17 maart 2008 slechts één document aan zijn personeelsdossier zou zijn toegevoegd; dit moeten er volgens eiser ten minste vijf zijn. Ook het ontslagdossier zou deel uit moeten maken van zijn personeelsdossier en zijn inzageverzoek zag ook op zijn ontslagdossier. 3.1. Tijdens de behandeling van de zaak op zitting heeft eiser aangegeven dat hij bereid is de voorliggende zaak niet door te zetten als het college in een formele verklaring neerlegt dat er ondanks de zoekslag geen andere documenten zijn aangetroffen over de periode vanaf 17 maart 2008 tot en met 4 mei 2009, die volgens eiser in zijn personeelsdossier zouden moeten zitten in het kader van zijn ontslag, de omzetting daarvan en alles wat daarbij hoort. In die verklaring moet dan ook ingegaan worden op eisers stelling dat die documenten in dat geval zijn vernietigd, aldus eiser. Het college heeft aangegeven bereid te zijn een dergelijke verklaring te geven. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting geschorst om partijen te laten onderzoeken of zij onderlinge overeenstemming konden bereiken. 3.2. Met een brief van 10 maart 2026 heeft eiser een e-mail van 26 februari 2026 overgelegd van de gemachtigde van het college. In die e-mail wordt bericht dat de functioneel beheerder van het archief van de voormalige gemeente Weesp onderzoek heeft gedaan naar de aanwezigheid van documenten die zien op het einde van eisers dienstbetrekking en de periode van 17 maart 2008 tot en met 4 mei 2009. Daarbij is gezocht in zowel het fysieke als het digitale dossier (‘Decos’). Daarbij zijn nog drie documenten aangetroffen: ‘Een brief, d.d. 27 mei 2008, besluit ontslag; Besluitformulier van het college, d.d. 27 april 2009, over de bezwaren tegen een besluit tot vaststelling van het functioneren en een bezwaar tegen het ontslagbesluit; Brief, d.d. 4 mei 2009, besluit op bezwaarschrift over functioneren.’ Daarbij is opgemerkt dat het om Word-documenten gaat en dat niet met zekerheid vast te stellen is of deze identiek zijn aan de versies die destijds aan eiser zijn verstuurd. Daarnaast is een lijst toegevoegd waarop dossiers zijn aangegeven die zijn vernietigd. Desgewenst kan dit in een namens het college te ondertekende brief worden bevestigd, aldus de e-mail. Omdat het college niet bereid blijkt te zijn de door eiser gevraagde verklaring te verstrekken, heeft eiser de rechtbank verzocht een uitspraak te doen in deze zaak. 4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. Een bestuursorgaan moet voldoende inzichtelijk maken hoe het de zoekslag heeft verricht. 4.2. De rechtbank moet dus beoordelen of de stelling van het college dat er niet meer documenten zijn waarin de persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt, niet ongeloofwaardig is.. De rechtbank is van oordeel dat zij dat in dit geval niet kan doen. Het college heeft met de bestreden besluitvorming namelijk onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de zoekslag heeft plaatsgevonden. Niet in het primaire besluit en ook niet in het bestreden besluit heeft het college bijvoorbeeld toegelicht in welke systemen hij heeft gezocht, welke zoektermen zijn gebruikt, bij welke relevante personen het verzoek is uitgezet en welke specifieke vragen zij hebben meegekregen. In de e-mail van 26 februari 2026 heeft het college weliswaar aan eiser toegelicht nogmaals een zoekslag te hebben uitgevoerd in zowel het fysieke als het digitale dossier (‘Decos’), maar de rechtbank acht deze motivering te summier om de zoekslag aan de maatstaf uit de vaste rechtspraak te toetsen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel. Conclusie en gevolgen 5. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met in strijd met het motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het college de zoekslag naar de van eiser verwerkte persoonsgegevens nader toelichten. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. 6. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 7. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr.N. Galjee-Melehi, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Algemene Verordening Gegevensbescherming. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:986, r.o. 2). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1331, r.o. 5.1).

Similar Content