Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:7738 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 29-07-2026 (13-151325-26 (EAB II))

Rechtbank Amsterdam
Summary

Vervolgings-EAB uit Duitsland. Referte. Overlevering toegestaan.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-151325-26 (EAB II) Datum uitspraak: 29 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 10 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 augustus 2020 door het Kantongerecht Oldenburg, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag] 1987, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 juli 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Iraakse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Kantongerecht Oldenburg van 17 augustus 2020, met dossiernummer 28 Gs 3275/20. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid De rechtbank heeft gezien dat er een gedeeltelijke overlap is tussen de feitomschrijving van het onderhavige EAB met een ander EAB (met parketnummer 13-151048-26), dat eveneens is uitgevaardigd door het Kantongerecht Oldenburg en waarin door de rechtbank gelijktijdig uitspraak wordt gedaan. Ondanks dat de raadsman geen gevolg heeft verbonden aan deze overlap, beoordeelt de rechtbank dit ambtshalve. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat de rechtbank ervan uit zal gaan, nu het gaat om twee vervolgings-EAB’s, dat de Duitse autoriteiten erop zullen toezien dat de opgeëiste persoon in Duitsland niet twee keer voor hetzelfde feit wordt veroordeeld. 4 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 6 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 7 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Kantongerecht Oldenburg (Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. M. Westerman en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.

Similar Content