Rechtbank Rotterdam, 27-07-2026 (ROT 26/5892)
Afwijzing verzoek om maatschappelijke opvang. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoekster is zelfredzaam en er is geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de minderjarige zoon van verzoekster.
Full text
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/5892 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster] , uit Rotterdam, verzoekster, gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, gemachtigde: mr. D. Gogar. Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het verzoek van verzoekster om maatschappelijke opvang afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door een kantoorgenote van haar gemachtigde, mr. M. Gommans, en met tolk J. Malamallah. Het college is ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1.1. Verzoekster, geboren in 1998, is oorspronkelijk afkomstig uit Syrië en heeft de Spaanse nationaliteit. Anderhalf jaar geleden is zij samen met haar minderjarige zoon vanuit Spanje naar Nederland gekomen, waar haar moeder, broer en zus wonen. Na haar komst naar Nederland heeft verzoekster voornamelijk bij haar moeder in Schiedam verbleven. 1.2. Op 30 juni 2026 is volgens verzoekster een conflict ontstaan tussen haar, haar moeder en haar broer, waarbij zij door haar broer fysiek is mishandeld en met de dood is bedreigd. Naar aanleiding van dit incident heeft verzoekster aangifte gedaan bij de politie en is een melding bij Veilig Thuis gedaan. Met onder meer de hulp van het Rode Kruis verblijven verzoekster en haar minderjarige zoon sindsdien tijdelijk in een hotel. Vanwege het ontbreken van een veilige en stabiele verblijfplaats voor zichzelf en haar minderjarige zoon, heeft verzoekster zich op 3 juli 2026 gemeld bij het college voor een maatwerkvoorziening in de vorm van maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Bestreden besluit 2. Bij het bestreden besluit heeft het college het verzoek om maatschappelijke opvang afgewezen, omdat uit onderzoek is gebleken dat verzoekster voldoende zelfredzaam is en in staat moet worden geacht zich op eigen kracht, met gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg en met hulp vanuit haar sociale netwerk, te kunnen handhaven in de samenleving en dus zelf in onderdak voor haar en haar minderjarige zoon te kunnen voorzien. Zelfredzaamheid 3. Verzoekster betoogt dat zij op maatschappelijke opvang is aangewezen, omdat zij, anders dan het college meent, niet zelf in onderdak voor haar en haar zoon kan voorzien. Volgens verzoekster heeft het college onvoldoende onderzoek verricht naar haar hulpvraag en problemen en is het bestreden besluit dus onvoldoende zorgvuldig voorbereid. 3.1. Voor een recht op maatschappelijke opvang is bepalend of verzoekster in staat is zich te handhaven in de samenleving. Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit de artikelen 1.2.1, aanhef en onder c, en artikel 2.3.5, vierde lid, van de Wmo 2015. Gelet op de hulpvraag van verzoekster houdt dat in dit geval concreet in dat beoordeeld moet worden of zij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar minderjarige zoon te voorzien. Met andere woorden: verzoekster kan pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft door problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving (vergelijk de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:471, overweging 4.2). 3.2. Uit het formulier ‘Toelichting Onderzoek en Besluit op Maatschappelijke Opvang’ blijkt dat het college onderzoek heeft verricht naar de situatie van verzoekster. Gebleken is dat verzoekster ongeveer drie jaar met haar echtgenoot in Spanje heeft samengewoond. Na de echtscheiding in 2024 is verzoekster zelfstandig gaan wonen met haar minderjarige zoon. Zij werkte wisselend parttime en ontving daarnaast een uitkering, waarmee zij zelfstandig in haar levensonderhoud voorzag. Omdat zij zich in Spanje steeds eenzamer voelde en het leven in Spanje als moeilijk ervoer, heeft verzoekster ervoor gekozen om met haar zoon naar Nederland te komen, waar haar moeder, broer en zus wonen. Zij is inmiddels anderhalf jaar in Nederland. In die tijd heeft verzoekster voornamelijk bij haar moeder in Schiedam verbleven. Haar broer en zus beschikken beiden over een eigen woning. Verzoekster heeft zelf gezorgd voor een inschrijving bij de gemeente, een uitkering, een zorgverzekering en toeslagen. Verzoekster staat onder behandeling vanwege een gezwel achter haar rechteroog; dit tijdens haar verblijf in Spanje reeds geconstateerde gezwel betreft geen kwaadaardige tumor. Zij ervaart in verband hiermee wel wisselend hevige hoofdpijn en verminderd zicht aan haar rechteroog. Daarnaast staat verzoekster onder behandeling van een reumatoloog. Verzoekster gaat zelfstandig naar haar medische afspraken en organiseert deze zelf. Van de aangifte die zij tegen haar broer heeft gedaan, heeft verzoekster (nog) geen terugkoppeling van de politie ontvangen. Volgens verzoekster hebben haar moeder en zus tegenover de politie verklaard dat er geen mishandeling heeft plaatsgevonden, omdat zij niet willen dat haar broer in de problemen komt. Verzoekster heeft (toen) verklaard dat zij zelf ervoor heeft gekozen het contact met haar familie te verbreken, dat zij momenteel niet wordt bedreigd en dat haar familie geen contact meer met haar zoekt. Ook uit het onderzoek van Veilig Thuis – dat is uitgevoerd naar aanleiding van het conflict op 30 juni 2026 – is niet gebleken dat sprake is van een actuele onveilige situatie die maakt dat maatschappelijke opvang noodzakelijk is. Wel ervaart verzoekster veel stress als gevolg van haar huisvestingssituatie en de spanningen binnen haar familie. Hiervoor gaat verzoekster naar een praktijkondersteuner, die zij zelf heeft geregeld. 3.3. Gezien het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter deugdelijk onderzoek verricht naar de hulpvraag en problemen van verzoekster en op juiste gronden geconcludeerd dat verzoekster voldoende zelfredzaam is en dat geen sprake is van een situatie waarin verzoekster door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar minderjarige zoon te voorzien. Dat verzoekster veel stress ervaart acht de voorzieningenrechter zonder meer begrijpelijk, maar dit betekent niet er aanleiding is om te twijfelen aan haar zelfredzaamheid zoals dat begrip onder de Wmo wordt ingevuld. Dit geldt ook voor de opmerking van haar gemachtigde ter de zitting dat verzoekster geen woord Nederlands spreekt. Dat inmiddels door het wijkteam een nieuwe melding bij Veilig Thuis is gedaan of op korte termijn zal worden gedaan, kan verzoekster evenmin baten. Hieruit volgt niet dat thans wel sprake is van een dusdanig onveilige situatie dat anders over haar zelfredzaamheid moet worden geoordeeld. 3.4. Het betoog faalt. Belangen van het kind van verzoekster 4. Verzoekster betoogt dat het college ten onrechte, want in strijd met artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), heeft nagelaten de belangen, veiligheid en ontwikkelingsbehoeften van haar minderjarige zoon kenbaar en toetsbaar in kaart te brengen, hem op een voor zijn leeftijd passende wijze te betrekken bij het onderzoek en informatie in te winnen bij zijn school of bij het betrokken wijkteam. 4.1. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter (vergelijk de uitspraak van het CRvB van 25 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1339, overweging 4.7.4.). 4.2. Bij de intake op 3 juli 2026 was ook een zogenoemde Loketspecialist Jeugd aanwezig. Deze SKJ (Stichting Kwaliteitsregister Jeugd) geregistreerde jeugdprofessional heeft verzoekster bevraagd over haar opvoedvaardigheden, de eventuele betrokkenheid van de vader en/of hulpverlening bij haar zoon, de gezondheid, ontwikkeling, dagbesteding en veiligheid van haar zoon, en de voorziening in de basisbehoeftes van haar zoon. Gezien de antwoorden van verzoekster, die zijn weergegeven in het ‘Kindintakeformulier Centraal Onthaal – Gezinnen’, heeft Loketspecialist Jeugd geconcludeerd dat er ten aanzien van de minderjarige zoon van verzoekster geen directe veiligheidsrisico’s en signalen van ontwikkelingszorgen zijn (hij is gezond, gaat naar school en naar een sportclub) en dat de opvoedvaardigheden van verzoekster voldoende zijn. Deze bevindingen van de Loketspecialist Jeugd heeft het college betrokken bij zijn besluitvorming, zoals blijkt uit het formulier ‘Toelichting Onderzoek en Besluit op Maatschappelijke Opvang’. 4.3. Gezien het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het college heeft nagelaten de belangen, veiligheid en ontwikkelingsbehoeften van de minderjarige zoon verzoekster kenbaar en toetsbaar in kaart te brengen en dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de minderjarige zoon van verzoekster. Dat de zoon van verzoekster niet op een voor diens leeftijd passende wijze is betrokken bij het onderzoek en dat geen informatie is ingewonnen bij diens school of bij het betrokken wijkteam, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Een SKJ geregistreerde jeugdprofessional mag worden verondersteld voldoende deskundig te zijn om te kunnen beoordelen of betrokkenheid van de zoon bij het onderzoek en het inwinnen van informatie bij diens school of bij het betrokken wijkteam noodzakelijk is voor het door hem te verrichten onderzoek. Ook de door verzoekster overgelegde brief van de adjunct-directeur van de school van haar zoon leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Weliswaar wordt daarin opgemerkt dat de onzekerheid over de toekomst veel spanning en angst bij de zoon van verzoekster meebrengt, maar daartegenover staat dat in de brief ook wordt opgemerkt dat hij een zeer vriendelijke, sociale en gezellige jongen is die op cognitief gebied een zeer mooie ontwikkeling doormaakt en dat de groepsleerkracht dagelijks tijd maakt voor een persoonlijk gesprek met hem, zodat hij zijn zorgen kan delen. 4.4. Ook dit betoog faalt. Conclusie 5. Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening en dient het verzoek daartoe te worden afgewezen. 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 juli 2026. De griffier is niet in staat de uitspraak te ondertekenen griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.