Rechtbank Midden-Nederland, 29-07-2026 (C/16/607602 / HA RK 26-32)
Verzoek voorlopig deskundigenbericht. Toegewezen
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: C/16/607602 / HA RK 26-32 Beschikking van 29 juli 2026 in de zaak van [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster] , advocaat: mr. A. el Ballouti, tegen NN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ , te Den Haag, verwerende partij, hierna te noemen: NN, advocaat: mr. A.N.L. de Hoogh. 1 De procedure 1.1 [verzoekster] heeft op 25 februari 2026 een verzoekschrift ingediend tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek door een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige. Op 15 juni 2026 heeft mr. de Hoogh namens NN een verweerschrift ingediend en twee zelfstandige tegenverzoeken gedaan. NN verzoekt om een (aanvullend) neurochirurgisch deskundigenonderzoek en om verschillende stukken. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juni 2026. [verzoekster] is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar advocaat mr. El Ballouti. Namens NN is dhr. [A] verschenen, bijgestaan door mr. de Hoogh. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en antwoord gegeven op de vragen van de rechtbank. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. 1.3 De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De kern van de zaak 2.1 Op 30 augustus 2018 is [verzoekster] betrokken geraakt bij een verkeersongeval. NN heeft aansprakelijkheid erkend. Het verzoek van [verzoekster] om een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig deskundigenonderzoek te gelasten wordt toegewezen. Ook het tegenverzoek van NN om eerst een aanvullend neurochirurgisch onderzoek te gelasten wordt toegewezen. Dit geldt ook voor haar verzoek tot het ontvangen van medische informatie. Dit wordt hierna uitgelegd. 3 De beoordeling Het voorlopig deskundigenbericht 3.1 Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank het volgende voorop. Het doel van een voorlopig deskundigenbericht is (onder meer) om een partij de mogelijkheid te verschaffen om aan de hand van een voorlopig deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van een geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen of voort te zetten. 3.2 Verder geldt dat een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht in beginsel moet worden toegewezen. Dit is slechts anders indien het verzoek in strijd is met een goede procesorde, de bevoegdheid misbruikt wordt of het verzoek afstuit op een ander door de rechtbank zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank zal zowel het verzoek van [verzoekster] als de tegenverzoeken van NN toewijzen. De (tegen)verzoeken worden hieronder samen besproken. Aanvullend neurochirurgisch onderzoek (tegenverzoek NN) 3.3 Met NN is de rechtbank van oordeel dat, voordat een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek kan plaatsvinden, er eerst een aanvullend neurochirurgisch onderzoek dient plaats te vinden. 3.4 Ten behoeve van de afwikkeling besloten partijen eerder al om gezamenlijk een neurochirurgische expertise te laten verrichten. Daarbij is dr. [.] Bouma in 2022 als deskundige aangezocht. Volgens het antwoord op vraag 1i verwachtte Bouma op korte of middellange termijn geen wezenlijke verandering van de toestand van [verzoekster] . Ten aanzien van het eerdere verkeersongeval van mei 2017, oordeelde Bouma in antwoord op vraag 2a en 2b dat de klachten van dit ongeval ten tijde van de aanrijding van 30 augustus 2018 waren hersteld en dat er op dat moment geen beperkingen meer waren. 3.5 Hoewel Bouma op korte of middellange termijn geen wezenlijke verandering van de toestand verwachtte, ervaarde [verzoekster] in 2022/2023 een ernstige toename van de klachten in de nek en van de uitstraling naar de armen en handen. Tussen partijen is allereerst discussie ontstaan of de klachten die na de expertise van Bouma zouden zijn ontstaan, worden veroorzaakt door de aanrijding van 30 augustus 2018. 3.6 Tussen partijen is daarnaast discussie ontstaan of [verzoekster] in augustus 2018 volledig was hersteld van de klachten als gevolg van het ongeval van mei 2017. Waar [verzoekster] eerder aan NN verklaarde dat zij ten tijde van de aanrijding van 30 augustus 2018 volledig was hersteld van de klachten (productie 4 en 5 verweerschrift), lijkt uit de berichtgeving van juli 2018 van de voormalig advocaat en medisch adviseur van [verzoekster] te volgen dat dit mogelijk geen juiste voorstelling van zaken is geweest (productie 6 en 7 verweerschrift). Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een aanvullend neurochirurgisch deskundigenonderzoek. Verzekeringsgeneeskundig- en arbeidsdeskundigonderzoek (verzoek [verzoekster] ) 3.7 Anders dan NN meent, is een verzekeringsgeneeskundig- en arbeidsdeskundigonderzoek niet prematuur. Het rapport van Bouma geeft voldoende aanleiding om aan te nemen dat er in ieder geval voor een deel een causaal verband bestaat tussen de klachten van [verzoekster] en het ongeval van 30 augustus 2018. 3.8 Als eerste zal de neurochirurg zijn onderzoek moeten verrichten, daarna de verzekeringsarts en tot slot de arbeidsdeskundige. De personen van de deskundigen 3.9 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben beide partijen verschillende deskundigen aangedragen. Tijdens de mondelinge behandeling zijn zij het eens geworden over (in ieder geval) de volgende deskundigen: de heer dr. [.] Bouma als neurochirurg, de heer drs. A.H. Verhage als verzekeringsarts en de heer P.L. Van der Ham als arbeidsdeskundige. De deskundigen hebben de rechtbank allen laten weten vrij te staan en de benoeming te aanvaarden. De vragen 3.10 De rechtbank verzoekt de deskundige gemotiveerd antwoord te geven op de volgende vragenlijsten in de bijlage van deze beschikking: neurochirurg Bouma: bijlage 1 en 2 verzekeringsarts Verhage: bijlage 3 arbeidsdeskundige Van de Ham: bijlage 4 De mee te sturen informatie en de werkwijze 3.11 [verzoekster] dient de deskundigen te voorzien van de processtukken. 3.12 Indien een partij schriftelijke opmerkingen aan de deskundigen doet toekomen, verstrekt zij daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij. De rechtbank verwijst voor wat betreft de werkwijze van de deskundige naar de Leidraad deskundigen in civiele zaken ( https://applicaties.rechtspraak.minjus.nl/wiki/Documents/Leidraad_deskundigen_WT.pdf ). Het blokkeringsrecht 3.13 De rechtbank overweegt ambtshalve dat aangezien de onderzoeken door de deskundigen dr. [.] Bouma (neurochirurg) en drs. A.H. Verhage (verzekeringsarts) medische onderzoeken zijn waarvoor geen contractuele relatie bestaat, aan [verzoekster] het inzage- en blokkeringsrecht toekomt als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit betekent dat [verzoekster] als eerste het conceptrapport van elke deskundige dient te ontvangen en vervolgens, indien zij bij dat rapport haar blokkeringsrecht niet heeft uitgeoefend, als eerste het definitieve rapport van de deskundige ontvangt. De deskundige zal daarom dienen te handelen als onder 4.5. tot en met 4.15. is weergegeven. De rechtbank wijst er overigens op dat, indien [verzoekster] van haar blokkeringsrecht gebruik maakt, de rechtbank daaruit in een toekomstige procedure de gevolgtrekking kan maken die zij in de gegeven omstandigheden geraden acht. 3.14 Omdat het onderzoek door deskundige P.L. Van der Ham (arbeidsdeskundige) geen medisch onderzoek betreft, komt aan [verzoekster] ten aanzien van dat onderzoek geen blokkeringsrecht toe. De kosten 3.15 Omdat NN de aansprakelijkheid voor de aanrijding van 30 augustus 2018 heeft erkend, zal zij de kosten van het voorschot van de deskundigen voldoen. Het inzageverzoek 3.16 NN verzoekt de rechtbank op grond van artikel 194 in combinatie met 195 Rv te bevelen dat [verzoekster] voorafgaand aan de deskundigenonderzoeken de ontbrekende en relevante informatie verstrekt. Uit het recent door NN ingewonnen advies volgt dat haar medisch adviseur nog niet over alle medische informatie beschikt. NN verzoekt om de volgende informatie: het ongeschoonde huisartsenjournaal (inclusief de episode- en medicatielijst) over de periode augustus 2025 tot en met de datum van de beschikking; alle behandelinformatie – dus in tijd ongelimiteerd – die betrekking heeft op de twee eerdere operaties aan de pols, ter nadere bepaling van de ingrepen en het beloop erna; alle informatie die betrekking heeft op de behandeling aan de handen door onder andere de behandeld plastisch chirurg en de overige betrokken zorgverleners in 2022 (en mogelijk daarvoor en daarna), ter nadere bepaling van de indicatie, de diagnose, de behandelingen en het beloop. 3.17 Met NN is de rechtbank van oordeel dat bovenstaande stukken van belang zijn, ook voor het deskundigenonderzoek van Bouma. [verzoekster] heeft zich tegen het verzoek om het ongeschoonde huisartsenjournaal niet verweerd. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen. Voor Bouma is het immers relevant om te weten wat er het afgelopen jaar is gebeurd. 3.18 [verzoekster] heeft zich wel verweerd tegen het verzoek om informatie met betrekking tot haar handen en polsen. Volgens [verzoekster] gaat in de kern tot het verzamelen van nog meer medische informatie over bijkomende aandoeningen, zonder dat NN concreet maakt welke verband die informatie heeft met de traumatische hernia’s en de daaruit voorvloeiende schade. Hier gaat de rechtbank niet in mee. Uit de meest recente informatie en het rapport van het UWV volgt namelijk dat er allerlei klachten zijn aan de handen en polsen. Het inzageverzoek is volgens [verzoekster] bovendien te ruim, omdat het ongelimiteerd is in tijd. NN heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij dit enkel zo heeft geformuleerd, omdat zij niet weet wanneer de polsoperaties hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal ook deze verzoeken toewijzen. 3.19 Nadat [verzoekster] bovenstaande stukken aan (de medische adviseur van) NN heeft verstrekt, kan Bouma met zijn onderzoek beginnen. 4 De beslissing De rechtbank het deskundigenonderzoek 4.1 beveelt dat een onderzoek door de deskundigen zal worden verricht naar de in bijlage 1 t/m 4 van deze beschikking geformuleerde vragen, waarbij eerst neurochirurg dr. G.J. Bouma zijn onderzoek zal verrichten en daarna – nadat partijen dit gezamenlijk kenbaar hebben gemaakt – verzekeringsarts drs. A.H. Verhage. Tot slot zal arbeidsdeskundige P.L. van der Ham - na bericht van partijen - zijn onderzoek verrichten; 4.2 benoemt tot deskundigen: neurochirurg De heer dr. G.J. Bouma [..] / [...] Postbus [postbusnummer] [postcode 1] [plaats 1] en verzekeringsarts De heer drs. A.H. Verhage [....] [adres 1] [postcode 2] [plaats 2] en arbeidsdeskundige De heer P.L. van der Ham [.....] [adres 2] [postcode 3] [plaats 3] kosten 4.3 bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot terzake van de kosten van de deskundigen het volgende: de deskundige dient binnen drie weken na de datum van deze beschikking een begroting van zijn kosten op te geven aan de civiele griffie, gespecificeerd naar het aantal uren, het uurtarief en de overige kosten; de civiele griffie zal bedoelde opgave toezenden aan partijen; partijen kunnen binnen twee weken daarna schriftelijk bezwaar maken tegen de begroting; indien niet tijdig bezwaar wordt gemaakt wordt het voorschot terzake van de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige te begroten bedrag; indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt zal de begroting worden vastgesteld bij afzonderlijke beslissing; 4.4 bepaalt dat NN het voorschot ter griffie moeten deponeren binnen twee weken nadat zij een daartoe strekkend betalingsverzoek van de civiele griffie heeft ontvangen; de werkwijze van de deskundigen (ook bij blokkeringsrecht) 4.5 draagt neurochirurg dr. G.J. Bouma op een schriftelijk, ondertekend en met redenen omkleed bericht op te stellen en er naar te streven dit bericht, behoudens indien [verzoekster] haar blokkeringsrecht uitoefent, binnen drie maanden na de datum van deze beschikking in te leveren ter griffie van deze rechtbank. De daaropvolgende deskundigen moeten ernaar streven hun rapporten in te dienen drie maanden nadat de vorige deskundige zijn definitieve rapport heeft ingediend; 4.6 bepaalt dat de deskundigen niet met hun werkzaamheden behoeven te beginnen voordat zij van de griffie van de rechtbank bericht hebben ontvangen dat het voorschot is gedeponeerd; 4.7 schrijft de deskundigen voor dat zij bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken; 4.8 bepaalt dat de deskundigen een concept van het rapport eerst aan [verzoekster] zullen toezenden en dat zij schriftelijk aan NN zullen laten weten dat zij het concept-rapport aan [verzoekster] hebben gezonden; 4.9 bepaalt dat de deskundigen dr. G.J. Bouma en drs. A.H. Verhage, indien [verzoekster] haar blokkeringsrecht niet binnen veertien dagen, dan wel een door partijen nader overeen te komen termijn, heeft uitgeoefend, hun concept-rapport vervolgens aan NN zullen toezenden; 4.10 bepaalt dat de deskundigen partijen vervolgens in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen over het concept te maken en dat zij in hun rapport moeten vermelden of aan dit voorschrift is voldaan en waaruit die opmerkingen bestaan, alsmede hun reactie daarop; 4.11 bepaalt dat de deskundigen hun definitieve rapport eerst aan [verzoekster] zullen toezenden en dat zij schriftelijk aan NN zullen laten weten dat zij het definitieve rapport aan [verzoekster] hebben gezonden; 4.12 bepaalt dat de deskundigen dr. G.J. Bouma en drs. A.H. Verhage, indien [verzoekster] haar blokkeringsrecht niet binnen veertien dagen, dan wel een door partijen nader overeen te komen termijn, heeft uitgeoefend, hun definitieve rapport vervolgens aan de rechtbank zullen toezenden, met afschrift aan NN; 4.13 bepaalt dat deskundigen dr. G.J. Bouma en drs. A.H. Verhage, indien [verzoekster] het blokkeringsrecht heeft uitgeoefend, daarvan schriftelijk bericht zal geven aan de rechtbank, met afschrift aan NN, 4.14 bepaalt dat de deskundigen bij hun rapport een gespecificeerde einddeclaratie zullen voegen; 4.15 verzoekt de deskundigen om de landelijke Leidraad deskundigen op www.rechtspraak.nl te raadplegen, het inzageverzoek 4.16 bepaalt dat [verzoekster] de onder rechtsoverweging 3.16 genoemde stukken binnen twee weken na deze beschikking aan de medische adviseur van NN moet verstrekken, 4.17 bepaalt dat Bouma pas aan zijn onderzoek kan beginnen, als [verzoekster] de onder rechtsoverweging 3.16 genoemde stukken heeft verstrekt, overige beslissingen 4.18 draagt aan de griffier op een afschrift van deze beschikking toe te zenden aan de deskundigen en bepaalt dat de overige processtukken door [verzoekster] binnen twee weken na de datum van deze beschikking zelf aan de deskundigen worden toegezonden; 4.19 wijst af het meer of anders verzochte; 4.20 houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.P. Drijkoningen en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026. BIJLAGE 1 Ten aanzien van de klachten, afwijkingen en beperkingen voor het ongeval: Vraag 1 Geven de medische adviezen van medisch adviseur [B] van januari en juli 2018, alsmede de correspondentie van de voormalig advocaat van [verzoekster] uit de schaderegeling met Bovemij, aanleiding om uw eerdere conclusies over de pre-existente situatie ten tijde van het ongeval van 30 augustus 2018 te herzien? Zo ja, op welke onderdelen en in welke zin? Vraag 2 Kunt u nader toelichten op grond waarvan u in uw rapport tot de conclusie bent gekomen dat de klachten uit het eerste ongeval ten tijde van het ongeval van 30 augustus 2018 zodanig waren hersteld dat daaruit geen relevante beperkingen meer voortvloeiden? Vraag 3 Als de informatie uit vraag 1 destijds bekend was bij dr. Bouma, zou dat in uw optiek hebben geleid tot andere bevinden en conclusies en zo ja welke? Wilt u in ieder geval aangeven of de antwoorden op vraag 1d en 1e (over consistentie) en de vragen 2a en 2b (over de klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval) anders zouden hebben geluid, en zo ja, hoe deze antwoorden dan zouden moeten luiden? BIJLAGE 2 (zie ook productie 10 verweerschrift) ALGEMENE TOELICHTING Deze vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval. Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval). Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van de onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide situaties. Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR). In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn – zo veel als mogelijk – in acht te nemen. 1 DE SITUATIE MET ONGEVAL Anamnese a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL) loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid? Aanbeveling 2.2.4. RMSR: De beschrijving van de anamnese is deugdelijk en compleet, en beperkt zich tot de relevante gegevens. De beschrijving van de anamnese bevat uitsluitend het verhaal van de onderzochte in diens bewoordingen. Er worden daarbij geen termen gebezigd of feiten vermeld die uitsluitend kunnen zijn ontleend aan aangeleverde of verkregen medische gegevens of een interpretatie daarvan. Als hieraan wordt voldaan, dan verwoordt de anamnese per definitie het subjectieve verhaal van de onderzochte. Termen als “betrokkene zou (…)” worden vermeden. Ook voegt de expert bij de beschrijving van de anamnese geen voorlopige conclusies of eigen interpretaties toe. Auto-anamnese en hetero-anamnese worden gescheiden en als zodanig genoemd weergegeven. Medische gegevens Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van: - de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied; - de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan. Aanbeveling 2.2.6 RMSR: Uit het rapport blijkt van welke van de meegestuurde gegevens kennis werd genomen en op welke wijze de daaraan ontleende feiten zijn meegewogen in het eindoordeel. Bij voorkeur wordt in het rapport een samenvatting opgenomen van de aan de meegestuurde gegevens ontleende feiten. Medisch onderzoek Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek? Aanbeveling 2.2.5 RMSR: Er wordt een adequaat lichamelijk en/of psychiatrisch onderzoek verricht, maar slechts voor zover dat relevant is voor de beantwoording van de vraagstelling. Niet relevant onderzoek blijft uitdrukkelijk achterwege. Indien mogelijk worden de resultaten in kwantitatieve vorm weergegeven. Bij de beschrijving van de onderzoeksresultaten kan medisch jargon uiteraard niet worden vermeden. Aanbeveling 2.2.7 RMSR: Indien de expert aanvullend hulponderzoek (radiologisch, neuropsychologisch of anderszins) laat verrichten en de uitkomsten daarvan in zijn conclusies betrekt, dan dienen de verslagleggingen van deze onderzoeken bij het expertiserapport gevoegd te worden. Consistentie Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusie u daaruit trekt? Aanbeveling 2.2.8 RMSR: Als de anamnese niet overeenkomt met de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, dan dient uit het rapport te blijken dat de onderzochte, voor zover dat medisch verantwoord is, met deze discrepantie werd geconfronteerd. Vermeld wordt, wat zijn reactie daarop was en wat daaruit kan worden geconcludeerd. Diagnose Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaal diagnostische overweging geven? Aanbeveling 2.2.15 RMSR: Waar nodig wordt een differentiaaldiagnostische overweging gegeven. Beperkingen Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voorvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi kwantitatieve wijze weergeven (in het bijgesloten beperkingenformulier) en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige? Aanbeveling 2.2.17 RMSR: Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen. Aanbeveling 2.2.18 RMSR: De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek). Medische eindsituatie Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de functionele invaliditeit (als bedoeld in vraag 1g). Aanbeveling 2.2.14 RMSR: Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest. 2 DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c – 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden. Aanbeveling 2.2.14 RMSR: Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest. Aanbeveling 2.2.16 RMSR: Een eventuele causaliteitsvraag wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontstaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. Deze vraagstelling geschiedt in overeenstemming met de gangbare inzichten dan wel richtlijnen van de desbetreffende wetenschappelijke vereniging. De expert zal nimmer klachten aan een ongeval “toerekenen” of de causaliteit ervan louter baseren op het feit dat ze pas na het ongeval debuteerden. Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval Bestonden voor het ongeval van 16 mei 2017 en het ongeval van 30 augustus 2018 bij betrokkene reeds klachten en/of afwijkingen op uw vakgebied? Zo ja, zijn die klachten er nog steeds? Bestaan er andere klachten en/of afwijkingen die wel relevant zijn voor uw vakgebied? Kunt u hierbij onderscheid maken tussen de gegevens bij anamnese verkregen en informatie op basis van de medische broninformatie verkregen? Wilt u bij de beantwoording van deze vragen expliciet een onderscheid maken tussen de beide ongevallen? Zo ja, kunt u zo mogelijk aangeven welke beperkingen voor het ongeval van 16 mei 2017 en het ongeval van 30 augustus 2018 uit deze klachten en/of afwijkingen voortvloeiden en nu nog steeds uit deze klachten en/of afwijkingen voortvloeien? Kunt u hierbij aangeven, of deze gegevens anamnestisch zijn of gebaseerd op medische broninformatie? Wilt u bij de beantwoording van deze vragen expliciet een onderscheid maken tussen de beide ongevallen? Aanbeveling 2.2.17 RMSR: Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen. Aanbeveling 2.2.18 RMSR: De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semikwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek). Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval Zijn er bij de onderzochte op uw vakgebied aanwijzingen dat hij/zij ook zonder ongeval van 16 mei 2017 en zonder ongeval van 30 augustus 2018 de huidige klachten en/of afwijkingen op uw vakgebied zou kunnen hebben ontwikkeld? Wilt u hierbij de algemene gezondheidstoestand van betrokkene meewegen? Kunt u daarbij aangeven of deze vraag wordt beantwoord op basis van anamnese of dat dit wordt afgeleid uit het medisch dossier? Wilt u bij de beantwoording van deze vragen expliciet een onderscheid maken tussen de beide ongevallen? Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een inschatting geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en/of afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan? Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en/ of afwijkingen zouden kunnen zijn voortgevloeid? Kunt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en op semi kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten? Indien dit niet mogelijk is dit graag aangeven. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen? Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)? Aanbeveling 2.2.17 RMSR: Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen. Aanbeveling 2.2.18 RMSR: De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek). 3 OVERIG Aanbeveling 2.2.11 RMSR: Indien de expert bevindingen doet waar niet naar wordt gevraagd maar die hij ter zake relevant vindt, dan vermeldt hij deze in het rapport. Kunt u vanuit uw vakgebied een verklaring geven voor het ontstaan en voortbestaan van de door u vastgestelde klachten? Wilt u voorts aangeven of naar uw oordeel nader deskundigenonderzoek noodzakelijk is ter verdere verduidelijking van de medische situatie of beperkingen van betrokkene? Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak? Indien informatie – van belang voor uw oordeelvorming – ontbreekt, neem ik aan dat u deze zelf bij de betrokken collega opvraagt. Betrokkene zal ervan in kennis worden gesteld een oproep van u tegemoet te kunnen zien. Wilt u betrokkene vragen zich te legitimeren? Ik maak u erop attent dat betrokkene ingevolge het inzage- en blokkeringsrecht van artikel 7:464 lid 2 sub b BW het recht heft als eerste kennis te nemen van de inhoud van uw conceptrapportage. Ik verzoek u derhalve uw conceptrapportage eerst aan betrokkene voor te leggen ter accordering/becommentariëring, alvorens uw conceptrapportage uit te brengen. Gelieve, wanneer geen gebruik wordt gemaakt van het blokkeringsrecht, partijen gelijktijdig uw conceptrapportage te doen toekomen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen. In uw schriftelijke bericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken alsmede. Ik verzoek u daarna een exemplaar van uw schriftelijk en ondertekend conceptrapportage rechtstreeks oe te zenden aan de griffier van de Rechtbank Midden-Nederland voor [datum], waarna schriftelijk nadere instructies van de Rechtbank zullen volgen over de indiening van het definitieve rapport. BIJLAGE 3 Vraag 1a Welke belemmeringen stelt betrokkene te ondervinden bij het verrichten van activiteiten van het dagelijks leven zoals zelfverzorging, de vrijetijdsbesteding, sportbeoefening, de beroepsbeoefening en de huishoudelijke arbeid? Vraag 1b Zijn er op grond van uw onderzoeksbevindingen nog andere (niet door betrokkene aangegeven) beperkingen op bovengenoemde gebieden, waarmee bij de beoordeling rekening gehouden dient te worden? Vraag 1c Welke beperkingen of (indien van toepassing) de toename daarvan dienen naar uw eigen deskundig oordeel te worden geduid als gevolg van: 1) het ongeval van 16 mei 2017 en 2) het ongeval van 30 augustus 2018? Kunt u uw taxatie dienaangaande zo goed mogelijk toelichten en onderbouwen? Vraag 2a Zijn er volgens u beperkingen, die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook verwacht hadden kunnen worden, als de schadeveroorzakende gebeurtenis van 30 augustus 2018 betrokkene niet was overkomen? Vraag 2b Voor zover u de vorige vraag bevestigend heeft beantwoord, kunt u dan -uitgaande van een vergelijking met een geheel gezond persoon van dezelfde leeftijdsgroep en hetzelfde geslacht- een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen verwacht hadden kunnen worden? Vraag 2c Kunt u aangeven welke beperkingen (zie vraag 1) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid? U kunt uitgaan van de functionele mogelijkhedenlijst (FML). Vraag 3 Wilt u voorts aangeven of naar uw oordeel nader deskundigenonderzoek noodzakelijk is ter verdere verduidelijking van de medische situatie of beperkingen van betrokkene? Vraag 4 Tot slot wordt u verzocht te vermelden of u naar aanleiding van uw bevindingen nog overige opmerkingen heeft die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze civielrechtelijke procedure. BIJLAGE 4 Uw onderzoek vindt plaats tegen de achtergrond van een civielrechtelijk geschil waarin de omvang van het verlies aan verdienvermogen, verlies aan zelfwerkzaamheid en de behoefte aan voorzieningen dient te worden vastgesteld. Daarbij geldt niet het sociaalverzekeringsrechtelijke beoordelingskader, maar het civielrechtelijke uitgangspunt van vergelijking tussen de feitelijke situatie en de hypothetische situatie zonder ongeval. U dient derhalve uit te gaan van de concrete persoon van betrokkene, haar opleiding, werkervaring, persoonlijke omstandigheden en reële positie op de arbeidsmarkt. Het WIA-begrip “gangbare arbeid” en de daarbij behorende regelingen zijn niet maatgevend; beslissend is of sprake is van praktische, duurzame en realistische benuttingsmogelijkheden, mede bezien in het licht van het door de verzekeringsgeneeskundige vastgestelde beperkingenprofiel. Arbeid 1. Wilt u het opleidings- en arbeidsverleden van betrokkene in kaart brengen, met bijzondere aandacht voor haar werkzaamheden als rij-examinator bij het CBR, haar functiejaren, contractuele arbeidsduur en feitelijke werkbelasting? 2. Wilt u — uitgaande van het door de verzekeringsgeneeskundige vastgestelde beperkingenprofiel — beoordelen in hoeverre betrokkene haar eigen werkzaamheden als rij-examinator nog kanverrichten, zowel thans als duurzaam voor de toekomst? Wilt u daarbij expliciet ingaan op de fysieke en cognitieve belasting van deze functie, waaronder nekbelasting, arm- en handgebruik, duurbelasting en veiligheidsaspecten? 3. Kunt u, uitgaande van de door u bij uw antwoord op de vorige vraag geschetste werkzaamheden en eventueel andere carrièremogelijkheden, de ontwikkelingen in de hypothetische situatie zonder ongeval inventariseren ten aanzien van deze beroepsactiviteiten? Wilt u daarbij onder andere aandacht besteden aan de arbeidsduur, inkomensontwikkeling en pensioenopbouw? Wilt u bij uw antwoord op deze vraag uitgaan van het door u beschreven opleidings- en arbeidsverleden van betrokkene alsmede haar interesses en persoonlijke omstandigheden? Anders geformuleerd: hoe zou het arbeidszaam leven (loopbaan, verdiencapaciteit, uren per week) van betrokkene, gezien haar persoon, interesses, werkervaring, opleiding en mogelijkheden op de arbeidsmarkt naar redelijkheid zijn geweest in de hypothetische situatie zonder ongeval? 4. Welke verdiencapaciteit had, respectievelijk heeft betrokkene ondanks haar beperkingen? Zijn of waren er voor betrokkene reële mogelijkheden om haar restverdiencapaciteit te benutten op de arbeidsmarkt? Wilt u bij uw antwoord opnieuw uitgaan van het door u beschreven opleidings- en arbeidsverleden van betrokkene, haar interesses en persoonlijke omstandigheden alsmede concrete mogelijkheden op de arbeidsmarkt? Wilt u deze vraag beantwoorden aan de hand van het beperkingenprofiel zoals opgesteld door de verzekeringsgeneeskundige. 5. Heeft u andere opmerkingen die voor de beoordeling van belang kunnen zijn? Dienstauto 6. Wilt u inventariseren of betrokkene in haar functie bij het CBR beschikte over een dienstauto of andere door de werkgever ter beschikking gestelde vervoersvoorziening? Wilt u aangeven of deze voorziening moet worden aangemerkt als een secundaire arbeidsvoorwaarde (toon in natura), dan wel als een louter functionele voorziening? 7. Wilt u beoordelen of betrokkene in de hypothetische situatie zonder ongeval naar redelijke verwachting over deze dienstauto zou zijn blijven beschikken, en zo ja, tot welk moment? 8. Wilt u aangeven in hoeverre het wegvallen van deze voorziening arbeidskundig relevant is, zowel voor haar inkomenspositie als voor haar mobiliteit en inzetbaarheid? 9. Wilt u beoordelen of en in welke mate betrokkene, gelet op haar beperkingen, aangewezen is op alternatieve vervoersvoorzieningen en of dit invloed heeft op haar (rest)arbeidsmogelijkheden? 10. Heeft u andere opmerkingen die voor de beoordeling van bovenstaande aspecten van belang kunnen zijn? Huishoudelijke hulp 11. Welke huishoudelijke werkzaamheden dienen er in de huidige woning van betrokkene te worden verricht? Wilt u de verschillende taken zoveel mogelijk kwantificeren in onder meer termen van aaneengesloten duur, frequentie; intensiteit en dagbelastng? 12. Acht u betrokkene, gegeven haar beperkingen, in staat de door u omschreven huishoudelijke werkzaamheden te verrichten? Zo ja, welke? Zo nee, welke niet? Wilt u daarbij uitgaan van het beperkingenprofiel zoals opgesteld door de verzekeringsarts? 13. Zijn er aanpassingen en voorzieningen mogelijk die de behoefte aan huishoudelijke hulp kunnen verminderen? 14. Kunt u, met het oog op mogelijk toekomstige verhuizingen, aangeven in hoeverre die behoefte specifiek samenhangt met de kenmerken van de huidige woning van betrokkene? 15. Heeft u andere opmerkingen die voor de beoordeling van belang kunnen zijn? Verlies van zelfwerkzaamheid 16. Welke werkzaamheden in en rond de woning, anders dan de werkzaamheden van huishoudelijke aard, dienen erverrichtte worden? Het gaat om vermogen dat wordt benut in de privésfeervoor het verrichten van werkzaamheden in, aan of rond de woning en die ook tegen betaling door derden (vakmensen) kunnen worden verricht. Wilt u de verschillende taken zoveel mogelijk kwantificeren in onder meer termen van aaneengesloten duur, frequentie, intensiteit en dagbelasting? 17. Acht u betrokkene, gegeven haar beperkingen, in staat de door u omschreven zelfwerkzaamheden te verrichten? Zo ja, welke? Zo nee, welke niet? Wilt u daarbij uitgaan van het beperkingenprofiel zoals opgesteld door de verzekeringsarts? 18. Zijn er aanpassingen en voorzieningen mogelijk die de behoefte aan zelfwerkzaamheid kunnen verminderen? 19. Kunt u, met het oog op mogelijke toekomstige verhuizingen, aangeven in hoeverre de behoefte aan (professionele) ondersteuning bij het verrichten van werkzaamheden in en rond de woning specifiek samenhangt met de kenmerken van de huidige woningvan betrokkene? 20. Heeft u andere opmerkingen die voor de beoordeling van belang kunnen zijn?