Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-07-2026 (25/1399)
IB/PVV. Navordering in verband ten onrechte verrekend verlies.
How it connects
Related across sources
Full text
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 25/1399 uitspraakdatum: 14 juli 2026 Uitspraak van de zestiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 12 mei 2025, nummer AWB 23/6809, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend. 1.2. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] . Belanghebbende is zonder kennisgeving niet verschenen. Bij aangetekende brief van 19 maart 2026, geadresseerd aan het adres van belanghebbende aan [adres] te [woonplaats] , is belanghebbende uitgenodigd voor de zitting. Deze brief is door PostNL op 21 maart 2026 bezorgd op een PostNL-afhaalpunt. Op 24 maart 2026 is de uitnodiging nogmaals per gewone post verzonden naar hetzelfde adres. Het Hof heeft daarbij ook geverifieerd of belanghebbende in de basisadministratie persoonsgegevens op dat adres stond ingeschreven. Hieruit volgt dat belanghebbende op de wettelijk voorgeschreven wijze is uitgenodigd voor de zitting. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft in 2012 een eenmanszaak uitgeoefend. De activiteiten van die eenmanszaak bestonden uit het maken van technische ontwerpen en het geven van advies. 2.2. Belanghebbende heeft op 29 april 2014 zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 ingediend. Uit die aangifte volgt een verzamelinkomen van € 110.723. Bij het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2012 met dagtekening 18 juli 2014 heeft de Inspecteur die aangifte gevolgd. 2.3. Bij brief van 7 augustus 2014 heeft de (toenmalige) gemachtigde van belanghebbende verzocht om toepassing van artikel 3.154 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) over de jaren 2010 tot en met 2012. De Inspecteur heeft conform de berekening van de (toenmalige) gemachtigde een middelingsteruggaaf ter hoogte van € 6.444 verleend over die jaren met dagtekening 5 september 2014. 2.4. Bij het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV 2015 heeft de Inspecteur een niet-verrekend verlies in aanmerking genomen van € 27.422, waarvan € 16.382 ondernemingsverlies. 2.5. Naar aanleiding van het niet-verrekend verlies uit 2015 (zie 2.4) heeft de Inspecteur een beschikking vastgesteld op grond van artikel 3.152 van de Wet IB 2001. Vervolgens heeft de Inspecteur het in 2015 geleden verlies verrekend met de aanslag IB/PVV 2012. De aanslag IB/PVV 2012 is als gevolg daarvan bij beschikking van 29 oktober 2016 verminderd met € 14.259. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. Ook de in 2.3 genoemde middelingsbeschikking is met dagtekening 29 september 2016 herzien. 2.6. Met dagtekening 6 januari 2017 heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag 2012 opgelegd met betrekking tot de middelingsteruggaaf 2010 tot en met 2012 ter hoogte van € 2.745. 2.7. Naar aanleiding van een boekenonderzoek is aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV 2015 opgelegd met dagtekening 19 oktober 2019. Bij die navorderingsaanslag is het verzamelinkomen voor het jaar 2015 vastgesteld op € 91.954 (positief) en het verlies uit werk en woning op nihil. Belanghebbende is tegen die navorderingsaanslag in bezwaar en beroep gekomen. In de loop van die procedure hebben partijen een compromis bereikt waarbij het verzamelinkomen 2015 is vastgesteld op € 63.431 (positief). 2.8. Met dagtekening 29 oktober 2019 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd dat hij de verliesbeschikking herziet, in die zin dat hij de verliesbeschikking naar nihil vermindert. 2.9. Met dagtekening 17 december 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV 2012 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 110.723 en zonder rekening te houden met enig te verrekenen verlies. 2.10. De Inspecteur heeft eveneens de navorderingsaanslag middelingsbeschikking herzien (zie 2.6). Met dagtekening 7 februari 2020 heeft hij belanghebbende een teruggaaf van € 2.745 verleend. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 aan belanghebbende kon worden opgelegd. 3.2. Belanghebbende stelt dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 niet kon worden opgelegd, omdat belastingjaar 2012 reeds was verjaard ten tijde van het opleggen van de navorderingsaanslag. Daarnaast voert belanghebbende aan dat de aanslag IB/PVV 2012 reeds was afgehandeld en dat de hoogte van de navorderingsaanslag onjuist is, omdat de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 reeds was verminderd. 3.3. De Inspecteur neemt het tegengestelde standpunt in en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4 Beoordeling van het geschil 4.1. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur de aanslag terecht en tot een juist bedrag heeft opgelegd en overweegt daartoe als volgt. 4.2. Hoewel als hoofdregel geldt dat een navorderingsaanslag tot vijf jaar na afloop van het betreffende belastingjaar kan worden opgelegd, zijn daarop uitzonderingen geformuleerd. Een van die uitzonderingen is het geval dat later is gebleken dat een verlies uit een later jaar ten onrechte is verrekend met belastbare winsten, dan wel inkomsten, uit een eerder jaar. In die situatie mag de Inspecteur navorderen als hij ook voor het jaar waar het verlies uit afkomstig is kan navorderen (artikel 16, lid 6, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen). In dit geval is de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 opgelegd op 17 december 2019. Die navorderingsaanslag houdt verband met het tussen belanghebbende en de Inspecteur overeengekomen compromis over het jaar 2015 (zie 2.7), waarbij het eerder bij beschikking vastgestelde verlies is verminderd naar nihil. De bevoegdheid om een navorderingsaanslag over het belastingjaar 2015 op te leggen, verliep op 31 december 2020. Dat betekent dat de Inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 binnen de geldende termijn heeft opgelegd. 4.3. Belanghebbende heeft overigens feiten gesteld noch aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de Inspecteur het ten onrechte verrekende verlies niet door middel van het opleggen van een navorderingsaanslag over het jaar 2012 mocht navorderen. Belanghebbende heeft geen andere grieven aangevoerd die de hoogte van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 bestrijden. Gelet daarop is er geen grond de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 te verminderen. 4.4. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5 Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6 Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier. De beslissing is op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De raadsheer, (G.J. van de Lagemaat) (T.H.J. Verhagen) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.