Rechtbank Den Haag, 31-07-2026 (NL26.42836)
spoedvovo, indienen lp-aanvraag tijdens beroep asielprocedure, afgewezen.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.42836 uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 juli 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , v-nummer: [nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. E.A. Welling), en de minister van Asiel en Migratie. Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het voornemen van de minister om een laissez-passer (lp) aanvraag in te dienen bij de Turkse autoriteiten. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het bericht van 23 juli 2026 heeft de minister aan eiser laten weten dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) het voornemen heeft om op 30 juli 2026 een lp-aanvraag in te dienen bij de Turkse autoriteiten . Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend, welke door de minister op 7 mei 2026 als ongegrond is afgewezen. Eiser heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. Op dit beroep is nog niet beslist. Verzoeker voert aan dat met het indienen van de lp-aanvraag terwijl de beroepsprocedure nog loopt, afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van non-refoulement en dat de doeltreffendheid van het beroepwordt aangetast. Verzoeker wijst er in dit verband op dat tijdens het met hem gehouden vertrekgesprek op 13 juli 2026 niet is gecommuniceerd dat er reeds zou worden gestart met het indienen van een lp-aanvraag en dat het verslag van dit vertrekgesprek onvoldoende inzichtelijk is, aangezien het geen complete weergave van het gesprek betreft. Hierdoor is verzoeker onvoldoende geïnformeerd, wat in strijd is met het arrest Gnandi en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 november 2025. Verder is de voorgenomen lp-aanvraag zelf onvoldoende inzichtelijk. 3.1. De minister stelt zich op het standpunt dat het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen dient te worden. Uit de eerdergenoemde Afdelingsuitspraak volgt dat een aanvraag voor een lp kan worden ingediend bij de autoriteiten van het land van herkomst tijdens de asielprocedure. Hierbij moet wel worden gewaarborgd dat de handelingen niet in strijd zijn met het beginsel van non-refoulement en dat geen persoonsgegevens die asielgerelateerd zijn of anderszins een schadelijke strekking hebben, worden gedeeld. Voor zover verzoeker stelt dat onvoldoende duidelijk is geworden dat gestart zou worden met de aanvraag voor een lp, kan dit niet worden gevolgd. Uit het, zakelijk weergegeven, verslag van het vertrekgesprek volgt dat aan hem is duidelijk gemaakt dat een vervangend reisdocument zal worden aangevraagd nu hij niet over reisdocumenten beschikt. Verzoeker heeft hierop zelf aangegeven dat hij de formulieren niet zelf wil invullen en dat DT&V dat mag doen. Daarnaast zijn de stellingen dat de lp-aanvraag onvoldoende inzichtelijk is en dat de doeltreffendheid van de asielprocedure wordt aangetast niet onderbouwd, aldus de minister. 3.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit de genoemde rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister hangende beroep bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst een lp-aanvraag mag indienen. De voorzieningenrechter is het met de minister eens dat uit het verslag van het vertrekgesprek volgt dat het voor verzoeker voldoende duidelijk was dat een lp-traject opgestart zou worden. Hierbij is van belang dat verzoeker in de gelegenheid is geweest de lp-aanvraag zelf in te vullen en dat hij hierop heeft gereageerd dat hij dit niet ging doen en dat de DT&V dit moest doen. Uit de door de minister overgelegde lp-aanvraag blijkt ook dat geen asielgerelateerde informatie gedeeld zal worden met de Turkse autoriteiten. Ook zijn verzoeker en zijn gemachtigde op voorhand in kennis gesteld van de aanstaande lp-aanvraag. Gelet hierop wordt voldaan aan de door de Afdeling voorgeschreven handelwijze. Conclusie en gevolgen 4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk. Met kenmerk NL26.31360. HvJEU 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465. ABRvS 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5547 en ECLI:NL:RVS:2025:5548. ABRvS 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5548, r.o. 6.1.