Rechtbank Amsterdam, 14-07-2026 (13/117285-26)
Overlevering. EAB Duitsland t.b.v. de tenuitvoerlegging van een in Duitsland opgelegde straf. Het Duitse Revision betreft hier geen gewoon rechtsmiddel maar een rechtsmiddel dat zich beperkt tot de toetsing van rechtsvragen. Deze beroepsprocedure is daarom niet onderworpen aan de toets van artikel 12 OLW. Verweer m.b.t. de toepassing / toetsing van de Duitse maatregel van Sicherungsverwahrung (terbeschikkingstelling) wordt verworpen. Overlevering toegestaan.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/117285-26 Datum uitspraak: 14 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 30 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 december 2024 door het Landgericht Aachen , Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 juni 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft op 29 juni 2026 afstand gedaan van het recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsvrouw, mr. Z. Boufadiss, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Duitse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt: een vonnis van 21 juli 2000 van het Landgericht Aachen (61 Kls / 97 Js 631/99 8/00). De opgeëiste persoon heeft tegen dit vonnis cassatie ( Revision ) ingesteld. Met de beslissing van 14 maart 2001 van The Federal Court of Justice (2 StR 4/21) is het cassatieberoep afgewezen. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, te weten 8 jaar gecombineerde gevangenisstraf en plaatsing in een ontwenningskliniek en in de terbeschikkingstelling. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Duitsland. Van deze straf resteert volgens het EAB nog de plaatsing in de terbeschikkingstelling ( Sicherungsverwahrung ). De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis van 21 juli 2000 van het Landgericht Aachen heeft geleid. Tegen dit vonnis is het rechtsmiddel van Revision ingesteld, dat op 14 maart 2001 door de Federal Court of Justice is afgewezen. Uit de aanvullende informatie van de Duitse autoriteiten van 23 juni 2026 volgt dat het ingestelde beroep ( Revision ) geen gewoon rechtsmiddel betreft maar een rechtsmiddel dat zich beperkt tot de toetsing van rechtsvragen. Deze beroepsprocedure is daarom niet onderworpen aan de toets van artikel 12 OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. 5 Strafbaarheid 5.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 2 aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: racketeering en afpersing. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Duitsland maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 5.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 1 niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: verduistering . 6 Artikel 11 OLW: terbeschikkingstelling (Sicherungsverwahrung) Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden omdat nadere informatie vereist is om te kunnen beoordelen of de tenuitvoerlegging van de Sicherungsverwahrung (terbeschikkingstelling) voldoet aan de vereisten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Uit jurisprudentie van het EHRM volgt dat de tenuitvoerlegging van de Sicherungsverwahrung zich qua detentieomstandigheden duidelijk dient te onderscheiden van een reguliere gevangenisstraf. De vereiste elementen daarbij zijn weliswaar vastgelegd in Duitse wetgeving – waarna het EHRM heeft geoordeeld dat de Sicherungsverwahrung geen strijd oplevert met artikel 5 en 7 EVRM wanneer de maatregel wordt uitgevoerd conform die regelgeving – echter informatie omtrent de manier waarop de Sicherungsverwahrung in déze zaak wordt toegepast, ontbreekt. Ook bevat het dossier onvoldoende, althans tegenstrijdige, informatie over de periodieke toetsing van de Sicherungsverwahrung . In vak h) van het EAB en het A-formulier is uitsluitend de standaardclausule aangekruist die ziet op levenslange straffen: “de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat voorziet in de herziening van de opgelegde straf – op verzoek of ten minste na 20 jaar – strekkende tot niet-uitvoering van de straf.” In de aanvullende informatie van de Duitse officier van justitie wordt daarentegen gesproken van “ regelmäßige Überprüfung ” (periodieke toetsing) als voorwaarde waaronder de Sicherungsverwahrung kan voortduren. De raadsvrouw heeft vragen geformuleerd die aan de Duitse autoriteiten voorgelegd zouden moeten worden. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich verzet tegen het aanhoudingsverzoek. De Duitse regelgeving is klaarblijkelijk op orde voor wat de tenuitvoerlegging van de Sicherungsverwahrung betreft. Er zijn geen gegevens waaruit volgt dat in dit kader mogelijk sprake zou zijn van een algemeen gevaar, dus dient er vertrouwd te worden op de juiste toepassing en toetsing van deze maatregel in Duitsland. Oordeel van de rechtbank Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen aanleiding bestaat de behandeling van de zaak aan te houden. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsvrouw aldus, dat zij betoogt dat de opgeëiste persoon mogelijk wordt blootgesteld aan het risico van schending van artikel 6 en/of 49, eerste lid, Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) omdat in Duitsland de maatregel van Sicherungsverwahrung mogelijk niet conform de toepasselijke wet- en regelgeving wordt toegepast. Voordat de rechtbank echter kan toekomen aan de beoordeling of de opgeëiste persoon een dergelijk risico loopt, dient te worden beoordeeld of er in Duitsland bij de tenuitvoerlegging van een Sicherungsverwahrung een algemeen gevaar bestaat van schending van de door de raadsvrouw genoemde grondrechten. De rechtbank stelt vast dat de raadsvrouw geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat er een algemeen reëel gevaar bestaat dat een verkeerde toepassing of toetsing van de maatregel van Sicherungsverwahrung in Duitsland leidt tot een schending van artikel 6 en/of 49, eerste lid, Handvest. De rechtbank is ook ambtshalve niet met zulke gegevens bekend. Nu van een dergelijk algemeen gevaar geen sprake is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een dergelijk concreet gevaar voor de opgeëiste persoon. Het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 321 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan Landgericht Aachen (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. O.P.M. Fruytier en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW.