Rechtbank Amsterdam, 06-08-2026 (13-318821-25)
Executie-EAB uit Polen. Overlevering toegestaan.
Judgment
Full text 9 paragraphs
- Procesgang
- Identiteit van de opgeëiste persoon
- Grondslag en inhoud van het EAB
- Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
- Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
- Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
- Slotsom
- Toepasselijke wetsbepalingen
- Beslissing
Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S.M. Hof, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het EAB gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een vonnis van the Regional Court in Warsaw van 31 januari 2023 met kenmerk XVIII K 168/22, dat is gewijzigd bij arrest van the Appeal Court van 13 februari 2024 met kenmerk II Ka 173/23. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en tien maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemd arrest en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog een jaar, twee maanden en een dag. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Appeal Court van 13 februari 2024 met kenmerk II Ka 173/23 toetsen aan artikel 12 OLW. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Bij het verhoor ter zake van de voortzetting van de inverzekeringstelling heeft de opgeëiste persoon bevestigd dat hij in persoon aanwezig was bij de behandeling van de procedure in hoger beroep. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: Poging tot afpersing.
Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 317 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mr. O.P.M. Fruytier en mr. E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.