Skip to content
Case Law · Rechtbank Midden-Nederland ·ECLI:NL:RBMNE:2026:5374 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Midden-Nederland, 28-07-2026 (UTR 25/6695-T)

Rechtbank Midden-Nederland
Summary

WHT. Tussenuitspraak. Verweerder moet nader motiveren waarom de bijzondere omstandigheden van eiseres in samenhang gezien er al dan niet toe leiden dat onverkorte toepassing van artikel 2.1 van de Wht in het geval van eiseres onbillijk uitpakt.

How it connects

Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6695 T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer), en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. [gemachtigde] ). Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het motiveringsbeginsel bij het afwijzen van de aanvraag en stelt verweerder in de gelegenheid het gebrek te herstellen. Procesverloop 2. Eiseres heeft zich op 19 december 2019 gemeld als gedupeerde in de kinderopvangtoeslagaffaire en een verzoek gedaan voor de herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2009. Verweerder heeft besloten het herbeoordelingsverzoek uit te breiden naar de jaren 2006 tot en met 2009. Verweerder heeft met de besluiten van 2 juli 2021 en 8 september 2021 (de primaire besluiten) compensatie voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 afgewezen, omdat geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid jegens eiseres. 2.1. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten. De bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) heeft advies aan verweerder uitgebracht over het door eiseres ingediende bezwaar. De BAC heeft geadviseerd om op grond van de hardheidsclausule eiseres tegemoet te komen voor de jaren 2006 en 2007. Verweerder heeft het advies van het BAC niet (volledig) gevolgd. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van compensatie gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 8 mei 2026 aanvullende gronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de partner van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Overwegingen Achtergrond 3. Over de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 hebben terugvorderingen plaatsgevonden, omdat werd uitgegaan van een hoger toetsingsinkomen. Het toetsingsinkomen dat werd gehanteerd was te hoog. Hoe dat zo gekomen is, is op dit moment onduidelijk. Verweerder baseerde zich op informatie van de Belastingdienst. Daar werd mogelijk onjuiste gegevens aangeleverd over het inkomen van de partner van eiser – een uitkering van het Uwv. Ook zou het onderzoek ‘project 1043’ van de Belastingdienst een rol kunnen hebben gespeeld. Het standpunt van eiseres 4. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het advies van de BAC. De BAC had namelijk geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en met toepassing van de hardheidsclausule alsnog compensatie toe te kennen. De weigering van die compensatie op grond van een onverkorte toepassing van artikel 2.1 Wht leidt volgens de BAC tot onbillijkheid van overwegende aard. De BAC heeft als bijzondere omstandigheden genoemd: dat het toetsingsinkomen – mede door fouten van het Uwv – te hoog is vastgesteld; dat eiseres meerdere acties heeft ondernomen om de onjuistheid van gegevens aan te kaarten; dat eiseres betrokken was in project 1043, en dan met name de fouten of bijzonderheden in de gegevensverwerking bij de Belastingdienst; dat een hypotheekaanvraag is geweigerd; en dat eiseres financiële problemen heeft. Verweerder heeft dit advies niet gevolgd. Volgens eiseres is die afwijking onvoldoende gemotiveerd omdat niet is ingegaan op de bijzondere omstandigheden die de BAC heeft genoemd. De omstandigheden van eiseres in samenhang gezien geven volgens eiseres aanleiding voor verweerder om de hardheidsclausule toe te passen. Daarbij wijst eiseres erop dat in het Handboek Integrale Beoordeling expliciet staat dat indien verweerder geen of beperkte informatie in de systemen heeft, het verhaal van de ouder in deze gevallen leidend is en dat verweerder dient te motiveren waarom het ouderverhaal onvoldoende aannemelijk is. Tot slot voert eiseres aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat verweerder – tevens in afwijking van het advies van de BAC – geen navraag heeft gedaan bij de belastinginspecteur om de juistheid van het toetsingsinkomen te verifiëren. Het standpunt van verweerder 5. Volgens verweerder is er geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Verweerder stelt dat de wijzigingen van het toetsingsinkomen en de wijziging van het aantal opvanguren veelal door eiseres zelf zijn doorgegeven. Daarnaast is het project 1043 in het kader van de kinderopvangtoeslag niet relevant en blijkt nergens uit dat sprake is geweest van een intensieve en belastende uitvraag. De door eiseres aangevoerde omstandigheden zijn volgens verweerder niet aan te merken als een bijzondere situatie, maar betreffen gevolgen van de toepassing van bestaande wet- en regelgeving en uit inkomensvaststelling. Het zijn omstandigheden waar de wetgever rekening mee heeft gehouden, zodat niet gesproken kan worden van onbillijkheid van overwegende aard. Dat maakt ook dat geen sprake is van geleden schade die afwijking van de bepaling van artikel 2.1 van de Wht rechtvaardigt. Verweerder wijst er nog op dat niet terug te vinden is dat eiseres eerder dan in 2020 contact heeft gezocht om de onjuistheid van het toetsingsinkomen aan te kaarten, noch het toetsingsinkomen heeft aangevochten. Tot slot heeft eiseres volgens verweerder niet onderbouwd dat sprake is van actuele schrijnende omstandigheden. Beoordeling door de rechtbank 6. De rechtbank overweegt dat in artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld, en indien de beslissing op bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in de beslissing de reden voor die afwijking wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden. De BAC heeft een aantal bijzondere omstandigheden genoemd die ertoe leiden dat eiseres in de betrokken jaren gedupeerd is door onverkorte toepassing van artikel 2.1 van de Wht. 6.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de onverkorte toepassing van artikel 2.1 van de Wht in dit geval niet leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Verweerder stelt dat mocht en moest worden uitgegaan van de informatie van de Belastingdienst over het toetsingsinkomen, maar daarbij ziet verweerder over het hoofd dat eiseres destijds al, zoals blijkt uit de telefoonnotities in 2007, meerdere keren heeft geprobeerd door te geven dat het toetsingsinkomen niet klopt. Dat eiseres al in 2007 heeft gewezen op het onjuiste toetsingsinkomen, wordt bevestigd in de brief van de fiscalist van eiseres. Verweerder wordt dan ook niet gevolgd in de overweging dat eiseres dit pas in 2020 heeft aangekaart. Verweerder had dan ook in redelijkheid kunnen twijfelen aan de juistheid van het toetsingsinkomen en had hierover navraag kunnen doen bij de inspecteur. 6.2. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025 , kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien, is daarbij niet van doorslaggevend belang. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de omstandigheden – die ook door de BAC worden onderkend – inzichtelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een bijzonderheid en heeft deze met haar stukken ook onderbouwd. Het is aan verweerder om nader te motiveren of aan eiseres compensatie kan worden toegekend op grond van de hardheidsclausule gelet op de genoemde omstandigheden in samenhang gezien. 6.3. Verweerder stelt dat de hardheidsclausule alleen kan worden toegepast als het gaat om een situatie waar de wetgever geen rekening mee heeft gehouden en die de wetgever niet heeft kunnen voorzien. Dit is niet juist. De vraag of dit het geval is, moet worden gesteld bij een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Maar dat is niet waar het nu om gaat. Het vervolg 7. De rechtbank komt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen tot het oordeel dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar en intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder nader motiveren waarom de bijzondere omstandigheden in samenhang gezien er al dan niet toe leiden dat onverkorte toepassing van artikel 2.1 van de Wht in het geval van eiseres onbillijk uitpakt. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. 7.1. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 7.2. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank - draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026. De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. ECLI:NL:RVS:2025:456.

Similar Content