Rechtbank Amsterdam, 29-07-2026 (13-054371-26)
Vervolgings-EAB uit Polen. Tussenuitspraak. Artikel 11 OLW: aanvullende vragen stellen over de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid na zijn overlevering zal worden gedetineerd en de detentieomstandigheden aldaar.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-054371-26 Datum uitspraak: 29 juli 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 26 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 november 2025 door the Regional Court in Olsztyn, II Criminal Department , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in [detentie-instelling] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 15 juli 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt: een beslissing van the District Court in Olsztyn van 6 maart 2025 on the application of a preventive measure in the form of temporary arrest for 30 days from the day of arrest , met kenmerk II Kp 292/25; en een beslissing van the Regional Public Prosecution Service in Olsztyn van 14 maart 2025 on the search for the suspect with an arrest warrant , met kenmerk 3003-1.Ds.6.2025. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 Artikel 11 OLW 5.1 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 5.2 Detentieomstandigheden in Poolse remand regimes Inleiding Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde remand regime . De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regime slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt. De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 17 juni 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Bij brief van 18 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende antwoorden gegeven: “ In response to the questions raised in your letter of 17/06/2026, I respectfully inform you that, at the present stage of the proceedings concerning the enforcement of the judgement, it is not the practice of the Court to specify the particular prison (penitentiary institution) in which the sentenced person will be held. The decision in this regard does not fall directly within the competence of this Court but rests with the so-called Penitentiary Commission (an authority within the Prison Service), which, on the basis of information concerning the sentenced person (their place of residence in Poland, age, state of health, whether they have previously served a custodial sentence, whether they are socially maladjusted and pose a risk to themselves or other inmates, whether they are likely to abscond, whether they require therapeutic treatment, etc.), designates the correctional facility. A decision of the Penitentiary Commission may be appealed to a court. At the same time, it may be assumed with a high degree of probability that, if the sentenced person is assigned to the penitentiary institution nearest to their registered or actual place of residence in Poland and falling within the territorial jurisdiction of this Court, they will be placed in one of the two correctional facilities located within that area, namely the Remand Centre in Olsztyn [Areszt Śledczy w Olsztynie] or the Prison in Barczewo [Zakład Karny w Barczewie]. Neither the above-mentioned Remand Centre nor the Prison is in a position to guarantee a pre-trial detainee accommodation in a multi-occupancy cell providing at least 4 square metres of living space per person. These institutions provide accommodation in accordance with the applicable standard of 3 square metres per inmate, excluding the area occupied by sanitary facilities. Furthermore, it should be noted that inmates have the opportunity to participate in cultural an educational activities, as well as activities organized in the common rooms of the residential units, in accordance with a schedule approved by the director of the penitentiary institution. The activities take place twice a week and each session lasts one hour. In addition, inmates mat participate in religious meetings held once a week, each session lasting approximately two hours. It should also be pointed out that inmates are entitled to a one-hour walk each day. At the same time, it should be emphasized that neither the Remand Centre nor the Prison is in a position to guarantee that an inmate will spend at least two hours outside their cell each day. ” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat het algemene gevaar van schending van grondrechten in het remand regime in Polen voor de opgeëiste persoon niet wordt weggenomen door de verstrekte informatie. De uitvaardigende justitiële autoriteit kan niet zoveel garanderen, aangezien het aan de Penitentiary Commission is om te bepalen in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Vervolgens wordt door de uitvaardigende justitiële autoriteit aangegeven dat de opgeëiste persoon in twee Huizen van Bewaring kan worden geplaatst, namelijk the Remand Centre in Olsztyn of the Prison in Barczewo . Er zijn veel zorgen over de beruchte gevangenis van Barczewo. Verder wordt wel gegarandeerd dat de opgeëiste persoon over 3 m2 persoonlijke leefruimte zal beschikken, maar het is onduidelijk of hij twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich ten aanzien van artikel 11 OLW gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat zij, gelet op het arrest Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije) van het Hof van Justitie van de Europese Unie - ook wel het arrest ML genoemd -, uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de detentie-instelling(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. De rechtbank stelt vast dat uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie van 18 juni 2026 blijkt dat the sentenced person na zijn overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd in the Remand Centre in Olsztyn of in the Prison in Barczewo en dat 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen, wordt gegarandeerd. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld , wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 m2 en 4 m2 in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig met betrekking tot de vraag hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden - wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen - gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, de duur van die activiteiten, én de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn. Als de rechtbank op basis van de concrete informatie kan vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, dan is het algemene gevaar weggenomen. Uit de verstrekte aanvullende informatie blijkt dat zowel the Remand Centre in Olsztyn als the Prison in Barczewo geen garantie kan geven dat de opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. De rechtbank kan ook niet op basis van de verstrekte aanvullende informatie vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Uit de aanvullende informatie blijkt dat gedetineerden tweemaal per week gedurende één uur kunnen deelnemen aan culturele en educatieve activiteiten en activiteiten die worden georganiseerd in de gemeenschappelijke ruimten. Daarnaast kunnen gedetineerden één keer per week gedurende ongeveer twee uur deelnemen aan religieuze activiteiten. Verder hebben gedetineerden het recht op een dagelijkse wandeling van één uur. Dit betekent dat de verstrekte informatie op dit moment onvoldoende is om het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Verder stelt de rechtbank vast dat in de aanvullende informatie steeds wordt gesproken over ‘ the sentenced person ’, terwijl het hier gaat om een vervolgings-EAB en de opgeëiste persoon dus nog niet is veroordeeld tot een gevangenisstraf in Polen. Het is voor de rechtbank onduidelijk of de uitvaardigende justitiële autoriteit met de verstrekte aanvullende informatie heeft bedoeld dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering naar Polen in the Remand Centre in Olsztyn zal worden geplaatst en hij ná een eventuele veroordeling naar alle waarschijnlijkheid zal worden overgeplaatst naar the Prison in Barczewo - zijnde een detentie-instelling waar veroordeelde personen worden ondergebracht - waar de rechtbank over heeft geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten voor opgeëiste personen die na hun overlevering in de gevangenis van Barczewo worden gedetineerd. Nu uit de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit niet valt uit te sluiten dat de detentiegarantie enkel ziet op de plaatsing ná een veroordeling ziet de rechtbank aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen en de officier van justitie te verzoeken om de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen: Ziet de verstrekte aanvullende informatie van 18 juni 2026 op de detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon direct na zijn overlevering wanneer hij nog verdachte is, of geldt dit alleen wanneer hij reeds is veroordeeld? Kunt u aangeven in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid na zijn overlevering aan Polen en gedurende zijn voorlopige hechtenis in Polen zal worden geplaatst? Kunt u voor deze detentie-instelling zo concreet mogelijk aangeven hoeveel tijd de opgeëiste persoon, onder normale omstandigheden, gemiddeld dagelijks buiten zijn cel kan verblijven, waarbij ervan kan worden uitgegaan dat hij er ook daadwerkelijk voor kiest om aan die geboden activiteiten deel te nemen? Verlenging van de beslistermijn De beslistermijn die op de zitting van 15 juli 2026 is verlengd, verstrijkt op 21 augustus 2026. Artikel 22, vijfde lid, OLW bepaalt dat de rechtbank in het uitzonderlijke geval, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, van dat artikel, de beslistermijn met telkens dertig dagen kan verlengen. Nu de rechtbank onderzoek doet naar een reëel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW verlengt zij de beslistermijn met 30 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. 6 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder 5.2 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen (eindigend op 20 september 2026), onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. BEPAALT dat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk voor 6 september 2026 , opnieuw op zitting wordt aangebracht. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. M. Westerman en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311. Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juli 2018, zaak ML , ECLI:EU:C:2018:589. Rechtbank Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088. Rechtbank Amsterdam 14 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:909.