Rechtbank Amsterdam, 29-07-2026 (13-140513-26)
Vervolgings-EAB uit Duitsland. Artikel 2 OLW: verweer dat het EAB niet genoegzaam is, is door de rechtbank verworpen. Overlevering toestaan.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-140513-26 Datum uitspraak: 29 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 29 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 mei 2026 door het Amtsgericht Leipzig, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats] (voormalige Duitse Democratische Republiek), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, met als verblijfsadres: [adres] , nu gedetineerd in [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 juli 2026, in aanwezigheid van mr. N. Lemmers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door een advocaat, mr. V.R.C. Shukrula, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Duitse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft. Hij heeft verklaard dat hij naast de Duitse nationaliteit ook de Britse en de Braziliaanse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een remand warrant van de Local Court of Leipzig van 15 mei 2026, met referentie: E ER10 282 Gs 2574/26. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is. De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om van de Duitse uitvaardigende justitiële autoriteit nadere informatie te krijgen over de exacte pleegperiode, de rol van de opgeëiste persoon, zijn relatie tot de diverse rekeninghouders, het contact dat hij met de slachtoffers heeft gehad en de exacte bedragen van de verschillende in het EAB genoemde transacties. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat het EAB, om dezelfde redenen, niet genoegzaam is. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, nu het EAB genoegzaam is. Het is voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht. Ten aanzien van deze feiten wordt zijn rol in het EAB aangemerkt als die van perpetrator. Het enkele feit dat in het EAB verschillende data van de pleegperiode worden genoemd maakt dat niet anders. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank is van oordeel dat het EAB in deze zaak genoegzaam is. Zij licht dat toe. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de feitomschrijving volstaat. Uit de feitomschrijving volgen de pleegplaats, pleegperiode, de rol van de opgeëiste persoon, die als dader wordt aangemerkt, en de omschrijving van de feiten. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht, de exacte pleegperiode en bedragen van de verschillende transacties zullen later in Duitsland moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd. 4 Strafbaarheid De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: oplichting. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Duitsland maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 6 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 7 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Leipzig, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. M. Westerman en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG213126672480nÈ G213126672480 Zie onderdeel e) van het EAB.