Skip to content
Case Law · Gerechtshof 's-Hertogenbosch ·ECLI:NL:GHSHE:2026:1794 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-07-2026 (25/625 en 25/626 GHK)

Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Summary

Tussenuitspraak geheimhoudingskamer (artikel 8:29 Awb). Het verzoek wordt toegewezen omdat de door de inspecteur aangevoerde reden voor geheimhouding, de privacy van derden, in dit geval aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende stelt te hebben bij kennisneming van deze gegevens. Het hof grijpt deze tussenuitspraak aan om te wijzen op artikel 4 van de Procesregeling met richtlijnen en aanwijzingen voor het behandelen van bestuursrechtelijke zaken bij de belastingkamers van de gerechtshoven (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2024-37719.html) waarin is beschreven hoe de stukken dienen te worden aangeleverd in het geval van een verzoek om geheimhouding en/of beperkte kennisneming.

How it connects

Full text

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’ Nummers: 25/625 en 25/626 Tussenuitspraak op grond van artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , Bonaire, met gekozen domicilie in [plaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 februari 2025, nummers BRE 20/7650 en 20/7651 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2007 en 2009 opgelegd. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De inspecteur heeft een verzoek om beperkte kennisneming of geheimhouding gedaan, en heeft daarvoor stukken aan de geheimhoudingskamer van het hof overgelegd, met daarbij een toelichting op zijn verzoek. 1.6. Bij bericht van 15 januari 2026 heeft de geheimhoudingskamer van het hof aan belanghebbende een reactie gevraagd op het verzoek van de inspecteur. Ook is gevraagd of belanghebbende toestemming geeft voor beperkte kennisneming. 1.7. Bij bericht van 11 februari 2026 heeft belanghebbende gereageerd op het verzoek van de inspecteur. De reactie van belanghebbende is gedeeld met de inspecteur. 2 Verzoek De geheimhoudingskamer zal beoordelen of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 Awb, die rechtvaardigen dat de inspecteur weigert de stukken ongeschoond over te leggen. 3 Beoordeling van het verzoek Juridisch kader 3.1. De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de inspecteur op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het hof te zenden. Dit artikel strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit aan de rechter – en belanghebbende – beschikbaar worden gesteld. Deze verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan hem ter beschikking staan, zodat belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Het betreft stukken die in de zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de inspecteur of die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de rechter. Tot de over te leggen stukken behoren alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. 3.2. Als een stuk behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken, brengt dat in beginsel met zich dat het in zijn geheel en ongeschoond dient te worden overgelegd. Het bepaalde in artikel 8:29 Awb biedt echter aan partijen, als daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het hof mee te delen dat uitsluitend de hoofdkamer kennis neemt van de stukken (beperkte kennisneming). Ook biedt dit artikel aan partijen, als daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid stukken niet volledig, maar deels geschoond, aan de andere partij en de hoofdkamer te overleggen. 3.3. In art. 8:29, lid 5, Awb staat dat beperkte kennisneming – waarbij de rechter wel, maar belanghebbende niet over het ongeschoonde stuk beschikt – alleen is toegestaan met toestemming van belanghebbende. Belanghebbende heeft niet ingestemd met beperkte kennisneming. De geheimhoudingskamer heeft het verzoek van de inspecteur daarom opgevat als een verzoek om geheimhouding – waarbij zowel belanghebbende als de rechter in de hoofdzaak niet beschikt over de betreffende stukken. 3.4. Beslissend bij de vraag of de inspecteur zich terecht op geheimhouding beroept, is niet of de stukken voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn. Slechts als de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. 3.5. De geheimhoudingskamer wijst er nog op dat als de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde gegevens voor belanghebbenden geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbenden in de procedure bij de hoofdkamer moeten worden gecompenseerd. Dit kan bijvoorbeeld tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling. 3.6. De belangenafweging moet plaatsvinden in de concrete aan de geheimhoudingskamer voorgelegde zaak en na kennisneming door de geheimhoudingskamer, die de afweging moet maken, van de gehele dossiers. Beoordeling van het verzoek 3.7. Het verzoek van de inspecteur ziet op een tweetal stukken, te weten een niet-gepseudonimiseerd afschrift van de uitspraak van het hof van 1 maart 2023 en een proces-verbaal van 3 oktober 2018. De inspecteur heeft als gewichtige redenen voor geheimhouding aangevoerd dat het gaat om gegevens van derden waarvan de privacy zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende om daarvan kennis te nemen. 3.8. Belanghebbende is het daar niet mee eens en stelt zich op het standpunt dat de inspecteur per document en per passage aan moet geven waarom geheimhouding gerechtvaardigd zou kunnen zijn. Aangezien de inspecteur dat heeft verzuimd en heeft volstaan met de enkele stelling dat de privacy van derden in het geding zou zijn, zou het verzoek reeds om die reden moeten worden afgewezen. Daarnaast is het volgens belanghebbende niet aan de inspecteur om stukken die hij niet zelf heeft vervaardigd en in ongeschoonde vorm heeft ontvangen van het Openbaar Ministerie, vervolgens zelf te schonen. Bovendien heeft belanghebbende belang bij deze stukken omdat dat met de inbreng ervan op grond van artikel 8:42 Awb een gegeven is. 3.9. Het hof constateert dat belanghebbende zich niet lijkt te verzetten tegen het schonen van de inspecteur van de uitspraak van dit hof van 1 maart 2023. Een gepseudonimiseerde versie van die uitspraak is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder voornoemd ECLI-nummer. Ten aanzien van de passages die zijn gepseudonimiseerd is het hof van oordeel dat het belang bij bescherming van deze (persoons)gegevens in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze gegevens. De geheimhoudingskamer is daarom van oordeel dat sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. Het hof merkt daarbij op dat het de voorkeur verdient te verwijzen naar uitspraken op rechtspraak.nl in plaats van het overleggen van een geschoonde uitspraak, want dan hoeft de geheimhoudingskamer hier geen oordeel over te geven. Indien dient te worden verwezen naar een onverhoopt niet gepubliceerde uitspraak ligt het voor de hand een verzoek om publicatie te doen. In dit geval is overigens feitelijk sprake van een verzoek om beperkte kennisneming zonder dat instemming van belanghebbende is vereist aangezien de hoofdkamer ook zonder overlegging van een niet-gepseudonimiseerde uitspraak daartoe toegang heeft. 3.10. Ten aanzien van de delen van het proces-verbaal van 3 oktober 2018 die zijn geschoond, is het verzoek van de inspecteur om geheimhouding eveneens gerechtvaardigd. Het belang bij bescherming van specifieke financiële gegevens en persoonsgegevens van derden weegt in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang dat belanghebbende stelt te hebben bij kennisneming van deze gegevens. Het hof heeft daarbij in ogenschouw genomen dat de inspecteur zorgvuldiger had kunnen schonen in die zin dat sommige persoonsgegevens meestal wel, maar in een enkel geval niet zijn geschoond. Het hof heeft daaraan echter om redenen van proceseconomie niet de conclusie verbonden dat het verzoek deels moet worden afgewezen, omdat de gegevens toch al bekend zijn. Het gevolg daarvan zou namelijk zijn dat de inspecteur een nieuwe termijn moet worden gegund om een nieuwe set geschoonde stukken te overleggen of anderszins gevolgen te verbinden aan deze tussenuitspraak. In dit geval kon de inspecteur volstaan met de enkele algemene stelling dat de privacy van derden zwaarder weegt zonder per document en per passage aan te geven waarom het verzoek om geheimhouding gerechtvaardigd zou kunnen zijn, omdat die enkele algemene stelling relevant is voor alle geschoonde passages. 3.11. Het hof merkt bij het voorgaande op dat het aan de partij die een beroep op artikel 8:29 Awb doet om het verzoek te onderbouwen en de geschoonde en de ongeschoonde stukken over te leggen. In deze zaak heeft de geheimhoudingskamer van het hof de inspecteur bij bericht van 30 juli 2025 de door hem overgelegde stukken doen toekomen met daarbij het verzoek om de stukken nogmaals over te leggen, waarbij de onleesbaar gemaakte passages in de geschoonde stukken ook daadwerkelijk onleesbaar dienen te zijn. Het hof had daarbij kennelijk ook moeten wijzen op artikel 4 van de Procesregeling met richtlijnen en aanwijzingen voor het behandelen van bestuursrechtelijke zaken bij de belastingkamers van de gerechtshoven (hierna: de Procesregeling) waarin is beschreven hoe de stukken dienen te worden aangeleverd: “Artikel 4 – Geheimhouding en beperkte kennisneming 1. Voor stukken waarvoor een beroep wordt gedaan op artikel 8:29 Awb kan geen gebruik gemaakt worden van het webportaal. 2. De stukken waarvoor een beroep wordt gedaan op artikel 8:29 Awb worden op papier in de ongeschoonde versie in een gesloten envelop gedaan. Linksboven op de envelop vermeldt de indiener ‘8:29 Awb’. Deze gesloten envelop wordt met de geschoonde versie van de stukken in een tweede envelop gedaan en per post naar het gerechtshof verstuurd. Op de geschoonde stukken dient per tekstdeel in de kantlijn te worden aangegeven waarom de indiener zich beroept op artikel 8:29 Awb. De geschoonde en ongeschoonde versie hebben dezelfde bladspiegel. 3. Indien de indiener wenst dat ook van (delen van) de motivering de kennisneming wordt beperkt, dan dient hij dit te vermelden in een apart stuk (in dit artikel verder: de mededeling). De motivering dient dan in de eerste gesloten envelop met de stukken te worden gevoegd. De mededeling wordt samen met de eerste gesloten envelop in de tweede envelop gedaan en per post naar het gerechtshof verzonden. 4. Het gerechtshof houdt met het verzoek de motivering geheim te houden dan wel uitsluitend ter kennisname van het gerechtshof te brengen slechts rekening, indien de indiener dat vermeldt in de mededeling en tevens een versie van de motivering overlegt die ook aan de andere partij mag worden gezonden. 5. De in dit artikel bedoelde stukken worden niet in het digitale zaaksdossier geplaatst. De geschoonde versie van de stukken, de mededeling, de versie van de motivering die aan de wederpartij is verzonden en de reactie van de wederpartij daarop, worden in het digitale zaaksdossier geplaatst, evenals de beslissing op het verzoek. Laatstgenoemde stukken worden aan beide partijen ter beschikking gesteld.” 3.12. Het hof heeft er in dit geval echter van afgezien om de inspecteur nogmaals te vragen de geschoonde stukken over te leggen op een wijze zoals beschreven in de Procesregeling. Door de wijze van schonen, het afdekken of wit maken in plaats van duidelijk zichtbaar schonen, en het niet vermelden in de kantlijn van de reden voor het schonen is sprake geweest van een zoekplaatje voor de geheimhoudingskamer. Daar komt bij dat als de inspecteur schoont zoals hij heeft gedaan en in de begeleidende brief vermeldt op welke pagina’s is geschoond, een dergelijke opsomming slechts zin heeft wanneer deze daadwerkelijk compleet is. Het hof beoogt met deze en de voorgaande overweging en de publicatie van deze tussenuitspraak meer bekendheid te geven aan de wijze waarop de belastingkamers van de gerechtshoven graag zien dat invulling wordt gegeven aan een verzoek om geheimhouding dan wel beperkte kennisneming. 4 Beslissing De geheimhoudingskamer: verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde reden voor geheimhouding van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde stukken is gerechtvaardigd; verwijst de zaak naar de hoofdkamer en stelt de procesdossiers daaraan ter beschikking, met uitzondering van die aan de geheimhoudingskamer overgelegde stukken. De uitspraak is gedaan door M.J.C. Pieterse, raadsheer, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De raadsheer, R. Camps M.J.C. Pieterse Rechtsmiddel Tegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open. Tegen dergelijke beslissingen van de rechtbank of het gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan. Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672. Zie de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868, van 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129 en van 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874. Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, overweging 3.4.2 onder i. Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, overweging 3.4.2 onder iv. Vergelijk Hoge Raad 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1182, overweging 3.3.3. ECLI:NL:GHSHE:2023:1013. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2024-37719.html. Vergelijk Hoge Raad 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3489.

Similar Content