Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-08-2026 (200.371.769/01)
Schorsingsincident in verzoekschriftprocedure. Verzoek toegewezen. Sprake van kennelijke misslag. Belangenafweging.
How it connects
Related across sources
Full text
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.371.769/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 251280 beschikking in het incident van 13 augustus 2026 in de zaak van 1 Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) die is gevestigd in Groningen 2. Ommelander Ziekenhuis Groningen (OZG) die is gevestigd in Scheemda 3. Stichting Treant Zorggroep (Treant Bestuurder) die is gevestigd in Hoogeveen 4. Stichting Treant Ziekenhuiszorg (Treant Ziekenhuiszorg) die is gevestigd in Hoogeveen hierna gezamenlijk: UMCG c.s., waarbij Treant Bestuurder en Treant Ziekenhuiszorg tezamen ook als Treant worden aangeduid . bij de rechtbank: verweerders advocaat: mr. J.I. Krikke te Amsterdam en Chipsoft B.V. (Chipsoft) die is gevestigd in Amsterdam bij de rechtbank: verzoekster advocaat: mr. K.E.L. van Haastrecht te Amsterdam 1 Het verloop van de procedure 1.1 UMCG c.s. hebben bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die op 22 juni 2026 tussen partijen is uitgesproken door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. 1.2 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: • het hoger beroepschrift; • het verweerschrift; • het verslag van de mondelinge behandeling die op 29 juli 2026 is gehouden (het proces-verbaal). 2 De feiten 2.1 UMCG heeft in 2015 haar elektronisch patiëntendossier (EPD) aanbesteed en gegund aan Epic. De ziekenhuizen OZG en Treant willen aansluiten bij dit systeem. Volgens Chipsoft kan dit niet zonder nieuwe aanbesteding door UMCG van het hele alsdan ontstane regionale EPD. 2.2 Het hof heeft in kort geding geoordeeld dat de aanbesteding uit 2015 ook de optie van een regionaal EPD omvatte en heeft bepaald dat OZG niet als aanbestedende dienst moet worden aangemerkt. De vorderingen van Chipsoft in dat kort geding zijn alsnog afgewezen. Daartegen heeft Chipsoft beroep in cassatie ingesteld. 2.3 Ook heeft Chipsoft een tweetal bodemprocedures bij de rechtbank aangespannen. Chipsoft heeft, voordat die bodemprocedures waren aangebracht, een verzoekschrift tot het toestaan van voorlopige bewijsverrichtingen ingediend. Hierin heeft Chipsoft de rechtbank verzocht om te bepalen dat UMCG c.s. de door Chipsoft verzochte informatie aan haar dient te verstrekken en een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. Beide bodemprocedures zijn naar de slaaprol verwezen dan wel is daartoe door Chipsoft een verzoek gedaan, dit in afwachting van de uitkomst van de voorlopige bewijsverrichtingen die Chipsoft in de bodemprocedure wil kunnen verwerken. 2.4 De rechtbank heeft in haar beschikking van 22 juni 2026 op de verzoeken als volgt beslist: UMCG c.s. moet een afschrift verstrekken van een groot aantal stukken, opgesomd in r.o.v. 4.23 van de beschikking, met dien verstande dat voor zover in die stukken financiële gegevens worden vermeld, die mogen worden zwartgelakt. De afgifte van deze stukken diende uiterlijk 20 juli 2026 plaats te vinden. De rechtbank heeft hieraan een dwangsomveroordeling van € 2.500,- per dag met een maximum van 50.000,- verbonden die aan alle verweerders in die procedure is opgelegd. Ook heeft de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor bevolen. In r.o.v. 4.23 heeft de rechtbank de volgende stukken vermeld: a. overeenkomst(en) inclusief bijlagen tussen UMCG enerzijds en Treant en /of OZG anderzijds, voor zover die zien op de inrichting van een gezamenlijk EPD; b. notulen van vergaderingen in de raad van bestuur van UMCG, en/of bestuurlijke overleggen en/of stuurgroepoverleggen van UMCG, voor zover die zien op de inrichting van een gezamenlijk EPD; c. correspondentie tussen de bestuursleden van het UMCG onderling, en correspondentie tussen UMCG enerzijds en Treant of OZG anderzijds, in alle gevallen voor zover bedoelde correspondentie ziet op de inrichting van een gezamenlijk EPD; d. overeenkomsten inclusief bijlagen en offertes van Epic voor de inrichting van een gezamenlijk EPD voor UMCG en OZG of Treant, voor zover deze zijn gericht aan UMCG; e. documenten van of gericht aan UMCG waarin de rol, (onderlinge) verantwoordelijkheid, taakverdeling of governance-structuur van het voorgenomen gezamenlijk EPD is beschreven; f. adviezen en/of presentaties, zoals juridische of commerciële, van of gericht aan UMCG, die zien op de inrichting van een gezamenlijk EPD en/of aanbesteding van een (gezamenlijk) EPD en/of het overwegen van een stichting voor een (gezamenlijk) EPD. 2.5 UMCG c.s. hebben hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking. UMCG heeft deels uitvoering gegeven aan de beschikking en ongeveer 80, al dan niet deels zwartgelakte documenten, aan Chipsoft ter beschikking gesteld. 3 De beslissing van het hof Ontvankelijkheid 3.1 Het hof zal eerst ingaan op de ontvankelijkheid van het schorsingsverzoek voor wat betreft het door de rechtbank toegewezen verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor. Op grond van artikel 200 lid 2 Rv staat er tegen deze beslissing geen hoger beroep open, tenzij de rechter anders beslist. UMCG c.s. hebben de rechtbank toestemming gevraagd om tegen deze beslissing hoger beroep in te stellen. Deze toestemming hebben zij echter tot op heden niet verkregen. Daarmee zijn UMCG c.s. in zoverre op dit moment niet-ontvankelijk in hun schorsingsverzoek voor zover dat betrekking heeft op de beslissing om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten, Schorsing van de tenuitvoerlegging inzageverzoek 3.2 In dit incident verzoeken UMCG c.s., zoals ter mondelinge behandeling toegelicht, dat het hof de tenuitvoerlegging van de beschikking van 22 juni 2026 schorst ten aanzien van de veroordelingen onder 5.1 (de verwijzing naar de over te leggen bescheiden in r.o.v. 4.23 van de beschikking, hiervoor onder 2.4 geciteerd) en 5.3 van het dictum (de dwangsom). UMCG c.s. stellen dat de beschikking berust op kennelijke misslagen. Ook voeren zij aan dat hun belangen bij schorsing zwaarder moeten wegen dan het belang van Chipsoft bij tenuitvoerlegging van de beschikking. 3.3 Chipsoft concludeert tot afwijzing van het verzoek. 3.4 Niet in geschil is dat van het voorlopig inzageverzoek hoger beroep openstaat gelet op het bepaalde in artikel 200 lid 1 Rv en dat het hoger beroep binnen de daar genoemde termijn van vier weken is ingesteld. 3.5 Het hof beoordeelt dit incident aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven en die op het volgende neerkomen: a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren. b. Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf in een incident uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden. c. Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de rechtbank is gemotiveerd, moet de eisende partij in haar vordering feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de rechtbank wordt afgeweken. De eisende partij hoeft dit punt niet te benoemen als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad berust op een kennelijke misslag. - Is er sprake van een kennelijke misslag? 3.6 Van een kennelijke misslag wordt onder meer gesproken als het evident is dat de beroepen beschikking op een vergissing berust, maar niet al wanneer er wellicht ook een andere beslissing mogelijk zou zijn geweest. 3.7 Het hof overweegt dienaangaande als volgt. In de beschikking heeft de rechtbank overwogen dat er geen rechtsbetrekking bestaat tussen Chipsoft en OZG en Treant. Bij Treant heeft de rechtbank geen onderscheid gemaakt tussen Treant Bestuurder en Treant Ziekenhuiszorg. In r.o. 4.16 heeft de rechtbank daaraan de conclusie verbonden dat het verzoek van Chipsoft tot inzage in de stukken moet worden afgewezen voorzover dat ziet op een rechtsbetrekking tussen Chipsoft enerzijds en OZG en Treant anderzijds. Daarentegen heeft de rechtbank in 5.1 van het dictum UMCG c.s., dus ook OZG en Treant, bevolen om afschrift van de stukken als genoemd in r.o. 4.23 van de beschikking te verstrekken en daar voor UMCG c.s. in 5.3 een dwangsom aan verbonden. Gelet op de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot inzage komt het hof tot de conclusie dat deze veroordelingen van ook OZG en Treant berusten op een kennelijke misslag zodat het hof in ieder geval die veroordelingen zal schorsen. 3.8 UMCG c.s. hebben verder betoogd dat de rechtbank ook ambtshalve had moeten nagaan of het verstrekken van gegevens van Epic, die Epic tot haar bedrijfsgeheimen rekent, kon worden toegewezen gelet op het bepaalde in de mededingingswetgeving en ook had moeten nagaan of UMCG zich op dit punt op een (afgeleid) verschoningsrecht had kunnen beroepen en dat de rechtbank, door dit na te laten, althans niet kenbaar te motiveren, ook op dit punt een kennelijke misslag heeft begaan. Het hof volgt UMCG c.s. niet in dit standpunt, al is het maar dat UMCG c.s. hun stellingen amper hebben onderbouwd. Zij hebben volstaan met de mededeling dat Epic hen heeft bevolen bepaalde stukken niet te verstrekken en hebben niet toegelicht wat de reikwijdte van het door hen bepleite verschoningsrecht is, noch hebben zij toegelicht waarom de rechtbank dit ambtshalve zou moeten onderzoeken. Het hof komt hier verder op terug bij de belangenafweging. - Belangenafweging 3.9 Het hof stelt vast dat de uitvoerbaarheid bij voorraad door de rechtbank niet is gemotiveerd. Dat betekent dat de onder 3.4 onder c. gemelde extra eis van nieuwe feiten of omstandigheden in dit geval niet geldt. Voor zover in het verweer van Chipsoft besloten ligt dat die eis toch zou moeten gelden omdat UMCG c.s. bij de rechtbank geen afzonderlijk verweer hebben gevoerd tegen de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring, gaat het hof daarin niet mee. Van belang is alleen of de uitvoerbaarheid bij voorraad is gemotiveerd, of niet. 3.10 Ook het verweer van Chipsoft dat UMCG een executiekortgeding had moeten voeren als de tenuitvoerlegging van de beschikking haar voor problemen stelde, slaagt niet. Het hof verwijst naar het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 2019, waarin de criteria voor een schorsingsincident en een executiegeschil in de fase dat de rechtbankuitspraak nog niet onherroepelijk is, gelijk zijn gesteld. De Hoge Raad heeft daarbij verwezen naar de wetsgeschiedenis van artikel 351 (en 360) Rv, waarin de wetgever als argument voor de invoering van artikel 351 Rv heeft genoemd dat het niet doelmatig is wanneer men, eenmaal in hoger beroep gekomen of in geval van een voornemen daartoe, gedwongen is om daarnaast een kort geding aanhangig te maken, enkel en alleen om schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen. 3.11 Het hof zal daarom de belangen van partijen wegen. De belangen van Chipsoft liggen bij de onderbouwing van haar stelling dat UMCG het regionale EPD afzonderlijk moet aanbesteden en door dat niet te doen, onrechtmatig tegenover haar handelt en zich daarmee tevens schuldig maakt aan het verlenen van volgens haar ongeoorloofde staatsteun. Chipsoft stelt dat zij die stukken zo snel mogelijk wil hebben om deze mee te kunnen nemen bij de voorlopige getuigenverhoren, die zijn gepland begin november 2026 en voor het geval UMCG niet meer stukken beschikbaar stelt, heeft Chipsoft al een kort geding tot verhoging van de dwangsommen aangekondigd. 3.12 UMCG stelt dat zij, met veel inspanning, de stukken waarvan zij vindt dat ze die kon overleggen, aan Chipsoft heeft verstrekt. Voor zover zij in haar schorsingsverzoek zich op vakanties en de daarmee samenhangende praktische onmogelijkheid om aan de veroordeling te voldoen heeft beroepen, heeft zij dat argument tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Voor zover er meer stukken zijn die onder de door de rechtbank uitgesproken veroordeling zouden kunnen vallen, beroept zij zich op de geheimhouding die Epic haar heeft opgelegd ten aanzien van de van Epic afkomstige documenten. Bij de stukken die betrekking hebben op de governance van het nieuwe EPD gaat het volgens haar om stukken die Chipsoft een te groot concurrentievoordeel geven. UMCG heeft erop gewezen dat als zij stukken moet verstrekken, haar hoger beroep zinloos is, omdat als de informatie eenmaal verstrekt is, dat niet ongedaan gemaakt kan worden. De bepaling van artikel 195 lid 3 Rv (teruggave van de bescheiden als de hogere rechter de inzagebeslissing vernietigt) levert onvoldoende bescherming op, omdat de kennisname dan al heeft plaatsgevonden. 3.13 Het hof oordeelt dat de belangen van UMCG om geen verdere informatie te hoeven verstrekken dan zij al heeft gedaan totdat haar argumenten in hoger beroep inhoudelijk zijn getoetst, zwaarder wegen dan de belangen van Chipsoft om die informatie op korte termijn te verkrijgen. Het hof betrekt daarbij dat Chipsoft geen recht heeft op meer of uitgebreidere stukken dan die zien op de omvang van de opdracht uit 2015 – waarbij zij al over de stukken uit de aanbestedingsprocedure beschikt – en de stukken die zien op de omvang van de door UMCG aan Epic nu opgedragen werkzaamheden. Gelet op de marktsituatie rond het EPD waarbij Chipsoft de dominante aanbieder is met een marktaandeel van ruim boven de 50% en Epic de nummer twee op de markt is, ligt het verstrekken van concurrentiegevoelige informatie van Epic zeer gevoelig, waarbij de wijze waarop Epic precies een gezamenlijk EPD vorm geeft, tot de bedrijfsgeheimen van Epic kan behoren. UMCG heeft gesteld dat Epic haar gesommeerd heeft om geen bedrijfsgevoelige informatie te verstrekken. Volgens Chipsoft is zij niet geïnteresseerd in de door Epic toegepaste techniek. UMCG heeft dat bestreden en heeft er in dat kader op gewezen dat Chipsoft er nog niet in is geslaagd om aan andere ziekenhuizen een gezamenlijk EPD op te leveren. Wat daarvan ook zij, Epic heeft er belang bij dat haar bedrijfsgeheimen worden beschermd. Het hof wijst in dat verband ook op de Wet bescherming bedrijfsgeheimen, die evenals de aanbestedingswetgeving van Europese oorsprong is. Het komt het hof voor dat ten aanzien van de omvang van de verplichting van UMCG om stukken betreffende Epic te delen, ook Epic zelf in de procedure moet worden betrokken op voet van artikel 272 Rv (in samenhang met artikel 362 Rv). Het hof is het met UMCG eens dat, als de gevoelige informatie eenmaal is verstrekt, dit niet meer ongedaan gemaakt kan worden. Voor wat betreft de interne stukken van de drie betrokken ziekenhuizen geldt dat, ook gelet op de bedoeling van Chipsoft dat alsnog een nieuwe aanbesteding moet volgen, Chipsoft niet over meer informatie mag beschikken dan eventuele andere gegadigden voor de opdracht. 3.14 Het hof zal de verdere tenuitvoerlegging van de beschikking schorsen totdat op het hoger beroep is beslist. Tijdens de mondelinge behandeling is al besproken dat partijen er naar streven om zo snel mogelijk verhinderdagen op te geven. Gelet op wat het hof hiervoor over Epic heeft overwogen, ligt het daarbij voor de hand dat UMCG contact opneemt met Epic over de vraag of Epic in de procedure zal verschijnen en wie in dat geval als haar advocaat optreedt, opdat, indien Epic aan de procedure wil deelnemen, ook de verhinderdagen van Epic spoedig beschikbaar komen. De conclusie 3.15 Het voorgaande betekent dat het incidentele verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging zal worden toegewezen. De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de eindbeschikking. De hoofdzaak wordt voorgezet in de stand waarin deze zich volgens het journaal civiel gerechtshoven bevindt, met dien verstande dat de griffier overeenkomstig artikel 272 ook Epic zal oproepen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4 De beslissing Het hof: verklaart UMCG c.s. niet-ontvankelijk in hun hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de toewijzing van het verzoek om over te gaan tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor; in het incident: schorst, totdat het hof in de hoofzaak uitspraak heeft gedaan, de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 22 juni 2026, wat betreft de veroordelingen opgenomen in 5.1 en 5.3 van het dictum van die beschikking; bepaalt dat omtrent de kosten zal worden beslist bij de einduitspraak in de hoofdzaak; in de hoofdzaak: bepaalt dat de griffier Epic zal oproepen op voet van artikel 272 Rv; bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het journaal civiel gerechtshoven bevindt; houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, M.M.A. Wind en A. Goederee, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026. ECLI:NL:RBNNE:2026:2437 Hof Arnhem-Leeuwarden 21april 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2351 HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026. Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 466