Raad van State, 19-08-2026 (202301474/1/A3)
Bij besluit van 3 augustus 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gennep het verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. [appellant] staat sinds 22 augustus 2000 ingeschreven in de brp als [naam 1], geboren op [geboortedatum 1] 1965 in Jerevan, Armenië, met nationaliteit onbekend. De oudergegevens van [appellant] zijn ook in de brp vermeld. Op 4 februari 2020 heeft [appellant] het college verzocht om zijn persoonsgegevens in de brp te wijzigen. Hij wil zijn persoonsgegevens wijzigen naar [naam 2], geboren op [geboortedatum 1] 1967, met nationaliteit Armeense. Op 14 mei 2020 heeft hij een aanvullend verzoek ingediend om wijziging van zijn oudergegevens. Hij wil de naam van zijn vader wijzigen naar [naam 3] en die van zijn moeder naar [naam 4]. Het college heeft het verzoek afgewezen, omdat niet onomstotelijk vaststaat dat de gegevens in de brp onjuist zijn. Volgens het college is niet duidelijk of voorafgaand aan de afgifte van de als echt gekwalificeerde brondocumenten behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Ook zou nergens uit blijken dat de door [appellant] overgelegde documenten op hem betrekking hebben. Het college heeft het besluit in bezwaar gehandhaafd.
How it connects
Related across sources
Full text
202301474/1/A3. Datum uitspraak: 19 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Gennep, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 februari 2023 in zaak nr. 21/487 in het geding tussen: [appellant], wonend in Ottersum, gemeente Gennep, en het college. Procesverloop Bij besluit van 3 augustus 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. Bij besluit van 6 januari 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 februari 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 januari 2021 vernietigd, het besluit van 3 augustus 2020 herroepen, bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, en het college opgedragen om de in de brp geregistreerde persoonsgegevens van [appellant] en zijn ouders te wijzigen zoals vermeld in haar uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 juni 2026, waar het college, vertegenwoordigd door L.J.M. van den Broek, en [appellant], bijgestaan door mr. D. Gürses, advocaat in Utrecht, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] staat sinds 22 augustus 2000 ingeschreven in de brp als [naam 1], geboren op [geboortedatum 1] 1965 in Jerevan, Armenië, met nationaliteit onbekend. De oudergegevens van [appellant] zijn ook in de brp vermeld. Op 4 februari 2020 heeft [appellant] het college verzocht om zijn persoonsgegevens in de brp te wijzigen. Hij wil zijn persoonsgegevens wijzigen naar [naam 2], geboren op [geboortedatum 1] 1967, met nationaliteit Armeense. Op 14 mei 2020 heeft hij een aanvullend verzoek ingediend om wijziging van zijn oudergegevens. Hij wil de naam van zijn vader wijzigen naar [naam 3] en die van zijn moeder naar [naam 4]. 1.1. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft [appellant] de volgende documenten overgelegd: - een gelegaliseerde geboorteakte inclusief vertaling op naam van [naam 2], afgegeven op [geboortedatum 2] 1967; - een geldig Armeens paspoort inclusief vertaling, afgegeven op 31 januari 2017; - een medische verklaring met betrekking tot rijbevoegdheid inclusief vertaling, afgegeven op 11 mei 1989; - een militair boekje, inclusief vertaling, afgegeven op 2 december 1985; - een examenboekje van bestuurder inclusief vertaling, afgegeven op 25 mei 1983; - een Armeense identiteitskaart op naam van [naam 5], geldig tot 1 februari 2027; - een kopie van een verlopen paspoort, afgegeven op 10 juni 1995; - een kopie van een Nederlandse verblijfsvergunning, afgegeven op 1 februari 2018; - een kopie van het eerste gehoor van 23 januari 2000; - een kopie van het rapport van nader gehoor van 24 januari 2000; - een kopie van het rapport van aanvullend nader gehoor van 22 januari 2000; - een kopie van de Stamkaart, afgegeven op 26 januari 2000; - een kopie van een beschikking met een aanbod op grond van de Regeling Afwikkeling Nalatenschap Oude Vreemdelingenwet van 12 mei 2009; - een kopie van het vreemdelingenpaspoort, afgegeven op 15 mei 2018 in de gemeente Oosterhout. 1.2. Het college heeft het verzoek afgewezen, omdat niet onomstotelijk vaststaat dat de gegevens in de brp onjuist zijn. Volgens het college is niet duidelijk of voorafgaand aan de afgifte van de als echt gekwalificeerde brondocumenten behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Ook zou nergens uit blijken dat de door [appellant] overgelegde documenten op hem betrekking hebben. Het college heeft het besluit in bezwaar gehandhaafd. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft eerst geoordeeld dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat voorafgaand aan de afgifte van het Armeens paspoort kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de inhoud van het Armeens paspoort juist is. Ook heeft het college de op de Armeense identiteitskaart opgenomen persoonsgegevens onvoldoende betwist. Omdat de persoonsgegevens op de Armeense identiteitskaart overeenkomen met de persoonsgegevens in het Armeens paspoort, moet er ook van worden uitgegaan dat die persoonsgegevens juist zijn. Daarna heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de twijfels of de geboorteakte aan [appellant] toebehoort, onvoldoende concreet heeft onderbouwd. De geboorteakte moet volgens de rechtbank worden aangemerkt als brondocument zoals bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet basisregistratie personen (Wet brp). De rechtbank gaat uit van de juistheid van de in de geboorteakte opgenomen persoonsgegevens. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] niet met aanvullend bewijs, zoals het door hem overgelegde gezichtsvergelijkende onderzoek van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau, hoeft te onderbouwen dat de door hem overgelegde documenten op hem betrekking hebben. De rechtbank heeft daarom geen oordeel gegeven over het gezichtsvergelijkende onderzoek. 2.1. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de inhoud van het Armeens paspoort, de Armeense identiteitskaart en de geboorteakte juist is en dat deze documenten brondocumenten zijn die voldoen aan de eisen van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp. Deze brondocumenten hebben betrekking op [appellant]. Uit deze documenten volgt, in onderlinge samenhang bezien, buiten redelijke twijfel dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. De rechtbank heeft daarom het beroep van [appellant] gegrond verklaard, het besluit van 6 januari 2021 vernietigd, het besluit van 3 augustus 2020 herroepen, bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, en het college opgedragen om binnen vier weken de in de brp geregistreerde persoonsgegevens van [appellant] te wijzigen naar [naam 2], geboren op [geboortedatum 1] 1967 met de Armeense nationaliteit, en de in de brp geregistreerde persoonsgegevens van de ouders van [appellant] te wijzigen naar [naam 3] en [naam 4]. Voorlopige voorziening 3. De Afdeling heeft bij mondelinge uitspraak van 23 maart 2023 bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat het college de persoonsgegevens van [appellant] en zijn ouders niet hoeft te wijzigen in de brp voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Wettelijk kader 4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Beoordeling van het hoger beroep 5. In de overzichtsuitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, heeft de Afdeling het beoordelingskader voor rectificatieverzoeken nader uiteengezet. De Afdeling verwijst voor het toetsingskader naar die uitspraak en zal dit toepassen bij de beoordeling van het hoger beroep. 6. Het college betoogt in hoger beroep dat in dit geval geen wijziging van de gegevens kan plaatsvinden omdat [appellant] op documenten staat geregistreerd die hoger in rangorde zijn dan de door hem overgelegde brondocumenten. Zo staat hij met de naam [appellant] geregistreerd op de geboorteakte van zijn dochter die is geboren in 2009, wat een akte is zoals bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet brp. Ook heeft [appellant] met deze naam op 16 september 2019 een Nederlands rijbewijs gekregen. Dit is een brondocument als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet brp. [appellant] heeft volgens het college geen brondocumenten overgelegd die van gelijke of hogere orde zijn dan deze documenten. Daarom kunnen zijn gegevens in de brp niet worden gewijzigd, aldus het college. 6.1. De Afdeling volgt dit standpunt niet. De rangorde uit artikel 2.8, eerste lid, van de Wet brp, heeft, in tegenstelling tot wat het college betoogt, niet ook betrekking op de rangorde uit artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp. De systematiek van de wet en de wetsgeschiedenis geven hiervoor geen aanknopingspunten. Het eerste en het tweede lid van artikel 2.8 van de Wet brp betreffen verschillende feiten. Zo is het eerste lid van toepassing op in Nederland voorgedane feiten en is het tweede lid van toepassing op feiten die zich buiten Nederland hebben voorgedaan. Voor een inschrijving of wijziging van identiteitsgegevens in de brp van personen uit het buitenland is men aangewezen op brondocumenten uit het tweede lid, nu dit ziet op feiten die zich buiten Nederland hebben voorgedaan. Indien de stelling van het college zou worden gevolgd, zou dit feitelijk betekenen dat een persoon na een eerste inschrijving in de brp nooit meer zijn identiteitsgegevens zou kunnen wijzigen, omdat er nadien Nederlandse aktes zijn opgesteld met de in de brp opgenomen identiteitsgegevens. Dat strookt niet met de systematiek en het doel van de Wet brp. 6.2. Het betoog slaagt niet. 7. Het college betoogt ook dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat op basis van de door [appellant] overgelegde documenten buiten redelijke twijfel volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Het college stelt voldoende te hebben gemotiveerd dat er grote twijfels zijn of de persoonsgegevens in het Armeense paspoort en de Armeense identiteitskaart juist zijn, of voorafgaand aan de afgifte van de documenten behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden én of deze op [appellant] betrekking hebben. Hiertoe voert het college wat betreft het Armeense paspoort aan dat het niet duidelijk is welke verstrekkende autoriteit het Armeense paspoort aan [appellant] heeft verleend, omdat hij daarover verschillende verklaringen heeft afgelegd. Ook voert het college aan dat de rechtbank heeft miskend dat het Armeense paspoort uit 2017 niet op grond van een geboorteakte uit 2020 kan zijn verstrekt. De enkele stelling van [appellant] op de zitting bij de rechtbank dat de door hem overgelegde gelegaliseerde geboorteakte alleen is gebruikt voor de wijziging van zijn persoonsgegevens in de brp en niet voor zijn paspoortaanvraag, is onvoldoende. Weliswaar is de geboorteakte door Bureau Documenten echt bevonden, maar Bureau Documenten heeft zich niet uitgelaten over de inhoud van de geboorteakte. De enkele legalisatie van de geboorteakte is volgens het college onvoldoende om te concluderen dat de inhoud van de geboorteakte juist is. 7.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de geboorteakte een brondocument is als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, van de Wet brp en dat het Armeense paspoort en de Armeense identiteitskaart brondocumenten zijn als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Het college stelt dat niet is vast te stellen of er voorafgaand aan het afgeven van het Armeense paspoort aan [appellant] kennelijk behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden vanwege tegenstrijdige verklaringen die [appellant] over de afgifte van zijn Armeense paspoort zou hebben gegeven. Uit de overzichtsuitspraak volgt dat het college, als het de gegevens uit een echt bevonden paspoort niet wil volgen, aannemelijk zal moeten maken dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden of de gegevens onjuist zijn. De bewijslast ligt op dit punt bij het college. 7.2. Anders dan het college ziet de Afdeling geen reden om te twijfelen aan de wijze waarop [appellant] zijn Armeense paspoort heeft aangevraagd en gekregen. Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie van 30 december 2020 blijkt dat [appellant] zijn Armeense paspoort van de politie in Jerevan heeft ontvangen. Dit volgt ook uit de zittingsaantekeningen van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft [appellant] gesteld dat hij eind januari 2017 naar Jerevan is gereisd en daar zijn paspoort heeft aangevraagd bij Bureau Paspoorten bij de politie. Hij heeft zijn paspoort binnen tien dagen ontvangen. Weliswaar heeft de eerdere advocaat van [appellant] in het beroepschrift opgenomen dat het paspoort aan [appellant] is verstrekt door de Armeense ambassade, maar [appellant] heeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende toegelicht dat dit per abuis in het beroepschrift is opgenomen. In wat het college over de geboorteakte heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank. De Afdeling wijst er op dat de originele en echt bevonden geboorteakte die ten grondslag lag aan de paspoortaanvraag in 2017, dateert uit 1967 en ten behoeve van het verzoek tot wijziging persoonsgegevens in Nederland is gelegaliseerd in 2020. 7.3. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat voorafgaand aan de afgifte van het Armeens paspoort geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, dat de persoonsgegevens in het Armeense paspoort, de Armeense identiteitskaart en de gelegaliseerde geboorteakte onjuist zijn en dat de overgelegde brondocumenten niet op [appellant] betrekking hebben. De conclusie is daarom dat buiten redelijke twijfel uit de door [appellant] overgelegde brondocumenten volgt dat de gegevens juist zijn en op hem betrekking hebben. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. 7.4. Het betoog slaagt niet. Slotsom 8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 9. Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank; II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gennep tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand; III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Gennep een griffierecht van € 548,00 wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M.J.M. Ristra-Peeters en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier. w.g. Sevenster voorzitter w.g. Singh griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026 990 BIJLAGE WETTELIJK KADER Wet basisregistratie personen Artikel 2.8 1. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich in Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a en bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b: a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de burgerlijke stand in Nederland; b. een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte, een besluit, een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak of een notariële akte, over het desbetreffende feit. 2. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e: [..] c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld; […] Artikel 2.58 1. Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen. 2. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling. […]