Skip to content
Case Law · Rechtbank Oost-Brabant ·ECLI:NL:RBOBR:2026:5927 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Oost-Brabant, 13-08-2026 (C/01/425945 / KG ZA 26-143)

Rechtbank Oost-Brabant
Summary

vordering tot verwijdering EVR-registratie afgewezen. Verdachte transacties op bankrekening waar geen verklaring voor gegeven kan worden.

How it connects

Full text

RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/425945 / KG ZA 26-143 Vonnis in kort geding van 13 augustus 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.L.A. van Hurne, tegen BUNQ B.V. , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: Bunq, advocaat: mr. L. Stortelder. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties (productie 1 t/m productie 15); - de conclusie van antwoord met producties (productie 1 t/m productie 20); - de mondelinge behandeling van 30 juli 2026; - de pleitnota van [eiser] ; - de pleitnota van Bunq. 2 De feiten 2.1. Op 12 december 2024 heeft [eiser] een bankrekening geopend bij Bunq met rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] . 2.2. Bij het openen van de rekening heeft [eiser] een Samsung SM-A556B met nummer [telefoonnummer] gekoppeld aan de rekening. Deze telefoon is nog altijd in het bezit van [eiser] en hij heeft uitsluitend deze telefoon gebruikt om te beschikken over zijn bankrekening bij Bunq. 2.3. Bunq heeft meldingen van ING Bank en ABN AMRO ontvangen met betrekking tot een aantal verdachte transacties die zouden hebben plaatsgevonden op of via de rekening van [eiser] bij Bunq. 2.3.1. Op 29 december 2024 ontvangt Bunq een melding van ABN-AMRO dat een klant van de bank, [A] , mogelijk als slachtoffer/begunstigde betrokken is bij datingfraude en dat in dat verband transacties zijn verlopen via de bankrekening van [eiser] bij Bunq op 29 december 2024 (terug te vinden in het mutatieoverzicht, door Bunq overgelegd als productie 20). 2.3.2. Op 27 juni 2025 ontvangt Bunq een fraudemelding van ING-Bank over een binnenkomende geldtransactie op de rekening van [eiser] op 24 juni 2025, afkomstig van de heer [B] , rekeninghouder van de bij ING aangehouden rekening met nummer [bankrekeningnummer 2] . [B] heeft enkele weken later aangifte gedaan als slachtoffer van datingfraude. 2.4. Bunq heeft op 16 juli 2025 besloten om de rekening van [eiser] te sluiten. Op 22 juli 2025 heeft Bunq [eiser] opgenomen in het EVR-register. 2.5. Aan de registratie in het EVR-register heeft Bunq de volgende – in haar ogen verdachte - transacties ten grondslag gelegd (vide haar als productie 8 overgelegde brief van 22 juli 2025): “(…) Reason for registration: Fraudulent Activities Total Amount: 4202.73 EUR Transaction(s) in question: 6/22/2025 / Amount: 750.00 EUR / Counterparty name: [C] / Counterparty IBAN: [bankrekeningnummer 3] ,6/23/2025 / Amount: 600.00 EUR / Counterparty name: [C] / Counterparty IBAN: [bankrekeningnummer 3] ,6/24/2025 / Amount: 602.73 EUR / Counterparty name: [B] / Counterparty IBAN: [bankrekeningnummer 2] ,6/25/2025 / Amount: 750.00 EUR / Counterparty name: [C] / Counterparty IBAN: [bankrekeningnummer 3] ,6/27/2025 / Amount: 750.00 EUR / Counterparty name: [C] / Counterparty IBAN: [bankrekeningnummer 3] ,7/3/2025 / Amount: 750.00 EUR / Counterparty name: De heer [C] / Counterparty IBAN: [bankrekeningnummer 4] (…)” 2.6. [eiser] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling geen verklaring/toelichting gegeven bij deze transacties. 2.7. In zijn aangifte heeft [B] onder meer het volgende verklaard: “(…) Het begon ermee dat ik een bedrag moest overmaken op een bepaald rekeningnummer. Ik heb op 16 mei 2025 een bedrag van 300 euro overgemaakt van mijn rekening te weten [bankrekeningnummer 5] naar bankrekening [bankrekeningnummer 6] Dat was zodat ik met die vrouw kon afspreken. Uiteindelijk kwam het niet tot een afspraak, maar omdat ik graag wilde afspreken en zij bleef aandringen, heb ik meerdere keren geld overgemaakt. Dit ging zo tot 24 juni 2025 door. Ik heb niet alleen met mijn ABN rekening geld overgemaakt, maar ook met mijn ING rekening. Mijn ING rekening is [bankrekeningnummer 2] . (…)” 2.8. Op het door Bunq als productie 20 overgelegde overzicht van alle transacties die op de bankrekening van [eiser] hebben plaatsgevonden is te zien dat op 24 juni 2026 van [B] een betaling van € 602,73 is ontvangen, afkomstig van het rekeningnummer van [B] met nummer [bankrekeningnummer 2] . Uit dit overzicht blijkt ook dat het van [B] op 24 juni 2025 ontvangen bedrag ruim 7 uur later is doorbetaald op een rekening van Western Union. 2.9. Op de bankrekening van [eiser] laten de hiervoor onder 2.5 genoemde transacties een patroon zien van inkomende en uitgaande betalingen waarbij (veelal) ronde geldbedragen van natuurlijke personen worden ontvangen op de bankrekening van [eiser] welke bedragen vervolgens binnen 24 uur na ontvangst worden doorgestort naar Western Union ten behoeve van een onbekende begunstigde. [eiser] kon desgevraagd ook ter zitting geen verklaring geven voor deze transacties; [eiser] verklaarde geen van de genoemde personen [A] , [C] of [B] te kennen. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: Primair: I. Bunq te veroordelen om de EVR-registratie betreffende [eiser] te verwijderen, binnen een termijn van zeven dagen na betekening van dit vonnis, dan wel een in goede justitie te bepalen termijn. Dit op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, tot een maximum van € 20.000,00 danwel een in goede justitie te bepalen bedrag; Subsidiair: II. Bunq te veroordelen tot het verstrekken van de verzochte bescheiden zoals opgesomd onder A t/m R van het petitum van de inleidende dagvaarding, zulks binnen een termijn van zeven dagen na betekening van dit vonnis, dan wel een in goede justitie te bepalen termijn. Dit op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, tot een maximum van € 20.000,00 danwel een in goede justitie te bepalen bedrag; Zowel primair als subsidiair: III. Bunq te veroordelen in de proceskosten. 3.2. [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Om persoonsgegevens op te mogen nemen in het EVR moet sprake zijn van gedragingen die een bedreiging kunnen vormen voor de financiële instellingen, haar medewerkers of de financiële sector. Fraude is een gedraging die een EVR-registratie kan rechtvaardigen maar dan moet Bunq wel stellen en bewijzen dat [eiser] heeft gefraudeerd. Daarin slaagt Bunq niet. Uit de informatie omtrent de transacties blijkt geenszins dat sprake is van concrete feiten en omstandigheden die als een strafbaar feit kunnen worden gekwalificeerd. Daarbij wordt door Bunq ook telkens tegenstrijdige informatie verstrekt over de transacties. Het vermoeden is dat [eiser] zelf slachtoffer is geworden van fraude. Daarbij komt dat uit niets blijkt dat Bunq een zorgvuldig onderzoek heeft laten uitvoeren, hetgeen in strijd is met haar zorgplicht als bank. Dit alles maakt dat de EVR-registratie onrechtmatig is en verwijderd moet worden. [eiser] ondervindt ook veel last van de EVR-registratie omdat hij de zakelijke rekening van het bedrijf dat hij heeft overgenomen heeft van zijn vader niet op zijn naam kan zetten. Voorzover verwijdering van EVR-registratie niet toegewezen kan worden, geldt dat Bunq onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de EVR-registratie waardoor zij inzage moet verschaffen in het interne onderzoek dat zij heeft uitgevoerd waardoor zij overgegaan is tot de EVR-registratie. [eiser] trekt zijn (subsidiaire) inzagevordering met betrekking tot de bescheiden genoemd onder B tot en met R in, maar handhaaft zijn vordering voor wat betreft de onderzoeksbevindingen uit het interne onderzoek die Bunq aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd om [eiser] op te doen nemen in het EVR. 3.3. Bunq voert, samengevat, het volgende verweer. Zij is terecht overgegaan tot de EVR-registratie van [eiser] . Uit de meldingen van ING en ABN AMRO volgt dat op de rekening van [eiser] gelden zijn ontvangen die zijn verkregen uit datingfraude. Daarnaast is er ook een patroon van verdachte transacties te zien op de rekening van [eiser] . Daarbij moet ook meegenomen worden dat [eiser] ondanks meerdere verzoeken daartoe niet gereageerd heeft op informatieverzoeken over de verdachte transacties. Bunq concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling Spoedeisend belang 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. 4.2. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen; [eiser] ondervindt direct de gevolgen van zijn vermelding in het EVR; van hem kan niet worden gevergd ter zake het oordeel van de bodemrechter af te wachten en de tussentijd die gevolgen te dragen. Het gestelde spoedeisend belang is – terecht – ook niet bestreden door Bunq. EVR-registratie 4.3. Op grond van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: PIFI) moet beoordeeld worden of er sprake is van een gerechtvaardigde opname in de het EVR-register. Art. 5.2.1. PIFI bepaalt dat sprake is van een gerechtvaardigde opname als voldaan is aan de volgende drie voorwaarden: De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële Instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële Instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector. In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachte wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar. Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. De Hoge Raad heeft in dit kader eerder al eens geoordeeld dat de gedragingen die aan te registratie ten grondslag worden gelegd een zwaardere verdenking moeten opleveren dan enkel een redelijk vermoeden van schuld (Hoge Raad 29 mei 2009, ECLI:NL:BH4720). 4.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan alle drie de voorwaarden uit art. 5.2.1. PIFI is voldaan en dat Bunq daarom op goede gronden over heeft kunnen gaan tot opname van [eiser] in het EVR-register. Hiervoor is het volgende redengevend. 4.5. Vast staat dat Bunq aan de opname in het EVR-register zes concrete transacties ten grondslag heeft gelegd, genoemd in haar brief aan [eiser] van 22 juli 2025 (productie 8 Bunq). Waar aanvankelijk nog onduidelijkheid leek te bestaan over de aard van de transacties (met name over de vraag of het ontvangen of betaalde bedragen betrof) is tijdens de mondelinge behandeling aan de hand van het door Bunq overgelegde overzicht (productie 20 conclusie van antwoord) vast komen te staan dat het in alle gevallen gaat om bedragen die door [C] en [B] zijn overgemaakt op de rekening van [eiser] . Vastgesteld is ook dat diezelfde bedragen (uitgezonderd de laatste betaling van [C] op 3 juli 2025) kort (binnen 24 uur) na ontvangst zijn doorbetaald naar rekeningen van Western Union ten behoeve van één of meer onbekende begunstigden. 4.6. Wat betreft één van de zes transacties, die met [B] , is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat deze transactie verband houdt met datingfraude, althans tenminste (daaraan te relateren) schuldwitwassen, alsook dat die aanwijzingen méér behelzen dan louter een redelijk vermoeden van schuld dat [eiser] daarbij als verdachte betrokken is. Gelet op de aangifte van [B] staat vast dat [eiser] , gedurende het tijdvak waarin [B] stelt slachtoffer te zijn geworden van datingfraude, een geldbedrag op zijn rekening heeft ontvangen van [B] alsook dat dit bedrag kort na ontvangst is doorgestort is naar een rekening van Western Union, waarvan de uiteindelijk begunstigde niet bekend is. Verder staat vast dat [eiser] , ook nadat hij daar op de zitting nadrukkelijk en indringend op is bevraagd, geen enkele plausibele verklaring voor deze transacties kon geven, zelfs niet op basis van de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door Bunq gepresenteerde stukken, waaronder het meergenoemde transactieoverzicht. 4.7. Omdat de transacties met [C] eenzelfde patroon laten zien als de (zonder meer verdacht te noemen) transactie met [B] heeft Bunq naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook de transacties met [C] terecht als verdacht aangemerkt en [eiser] te dier zake om opheldering gevraagd. 4.8. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij niets weet van de transacties met [B] noch met [C] . Hij verklaarde dat hij de betreffende transacties niet heeft gezien omdat hij niet vaak op zijn rekening kijkt. Dat hij in de periode dat hij de rekening gebruikt heeft (23 december 2024 tot en met 3 juli 2025) niet op zijn rekening heeft gekeken en de betreffende transacties noch de eerder door Bunq – naar aanleiding van meldingen van ABN-AMRO - als verdacht aangemerkte transacties niet heeft gezien of heeft kunnen zien acht de voorzieningenrechter voorshands ongeloofwaardig. Dit gelet op het feit dat uit het transactieoverzicht (productie 20) blijkt dat de rekening door [eiser] veelvuldig gebruikt werd voor – veelal - dagelijks uitgaven. Gedurende de 192 dagen dat [eiser] over zijn rekening bij Bunq kon beschikken zijn er in totaal circa 360 transacties verricht, i.e. hetgeen neerkomt op (bijna) 2 transacties per dag. Daar komt bij dat ook de gemiddelde omvang van de transacties niet dusdanig hoog is dat de betalingen van [C] en [B] daardoor niet opvielen. 4.9. Nog los van het feit dat het de voorzieningenrechter grote moeite kost om geloof te hechten aan de verklaring van [eiser] dat hem de van [C] en [B] ontvangen betalingen niet zijn opgevallen blijkt uit het transactieoverzicht eveneens dat de ontvangen betalingen telkens kort na ontvangst zijn doorbetaald naar een rekening van Western Union. Onweersproken staat vast dat alle uit het mutatieoverzicht blijkende betaalinstructies zijn verricht met de aan het Bunq-account van [eiser] gekoppelde mobiele telefoon én slechts verricht konden worden met gebruikmaking van uitsluitend bij [eiser] bekende vertrouwelijke gegevens (zoals een pincode of aan de persoon van [eiser] ontleende biometrische gegevens zoals gezichts- of vingerafdrukherkenning). [eiser] heeft in dat verband het vermoeden uitgesproken dat zijn telefoon mogelijk gehackt is of anderszins buiten zijn medeweten gebruikt is. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan dit vage en op generlei wijze onderbouwde of geconcretiseerde vermoeden; er bestaat geen enkele aanwijzing dat onbekende derden op een of andere wijze toegang hebben gehad tot de telefoon van [eiser] en met gebruikmaking van de uitsluitend bij [eiser] bekende vertrouwelijke gegevens misbruik hebben gemaakt van het Bunq-account van [eiser] zonder dat laatstgenoemde daarvan heeft geweten. Zo daarvan al sprake is geweest valt niet te begrijpen dat [eiser] daar niet direct nadat bij hem dit vermoeden was gerezen nader onderzoek naar c.q. aangifte over heeft gedaan. Het had zonder meer op de weg van [eiser] gelegen om aangifte te doen in het geval dat hij, naar hij zelf stelt, slachtoffer is van fraude. Voor zover [eiser] gesteld heeft dat hij dit niet heeft gedaan omdat hij – na het afsluiten van de rekening door Bunq - geen inzage meer heeft in de transacties op de betreffende rekening is tijdens de zitting vastgesteld dat het – ondanks de afsluiting van de rekening - nog altijd mogelijk is om een transactieoverzicht te downloaden via de telefoon van [eiser] . In het door [eiser] gestelde slachtofferscenario valt al helemaal niet te begrijpen dat [eiser] tot op de dag van vandaag nog steeds dezelfde – mogelijk door onbekende derden gehackte – telefoon gebruikt, ook ten behoeve van zijn bankzaken bij zijn huidige bank, zoals hij tijdens de zitting toegelicht heeft. 4.10. Dat de telefoon buiten zijn toedoen of medeweten is gebruikt valt eveneens moeilijk te rijmen met de verklaring van [eiser] ter zitting, voor zover inhoudende dat hij heel gestructureerd is en zijn telefoon eigenlijk altijd binnen handbereik heeft. Gegeven het feit dat alle transacties verricht zijn met behulp van de mobiele telefoon van [eiser] zouden derden niet alleen de vertrouwelijke gegevens van [eiser] maar telkens ook diens mobiele telefoon moeten ontfutselen om – met gebruikmaking van die vertrouwelijke gegevens – ongeautoriseerde transacties met de rekening van [eiser] te verrichten. [eiser] erkende ter zitting dat dit niet aannemelijk lijkt, mede gezien de hoeveelheid transacties waarover vragen zijn gerezen en die hem – daarop bevraagd - niet bekend voorkwamen. 4.11. Gelet op het voorgaande staat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter vast dat wat betreft de transactie met [B] voldaan is aan de eisen die het PIFI stelt. Hoewel de verdachte transactie van [B] gelet op het voorgaande een opname in het EVR-register op zichzelf reeds rechtvaardigt, versterken de vijf transacties met [C] de rechtvaardiging voor deze registratie alleen maar. Bij die transacties valt immers exact hetzelfde patroon te herkennen als bij de transactie met [B] . Er wordt vijf keer een bedrag ontvangen van [C] dat kort na ontvangst wordt doorgestort naar Western Union ten behoeve van een onbekende begunstigde. [eiser] verklaarde ter zitting ook [C] niet te kennen en ook geen weet te hebben van de betreffende transacties. Gezien de overeenkomsten met de [B] -transactie en bij gebreke van een bevredigende verklaring van [eiser] omtrent de achtergrond waartegen de transacties met [C] moeten worden begrepen vallen die transacties onder dezelfde verdenking als de transactie van [B] . Voor alle aan de registratie ten grondslag gelegde transacties kan derhalve voorshands aangenomen worden dat sprake is van gedraging(en) die een bedreiging (kunnen) vormen voor de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaan er voldoende aanwijzingen dat [eiser] mogelijk strafrechtelijk laakbaar betrokken is bij die gedraging(en). 4.12. Verder staat voorshands ook vast dat door Bunq het proportionaliteitsbeginsel in acht genomen is. Bunq heeft onbetwist gesteld dat een EVR-registratie voor maximaal acht jaar opgelegd kan worden en dat zij vanwege aantal transacties dat zij aan de registratie ten grondslag heeft gelegd en het bedrag dat hiermee gemoeid is de registratie heeft beperkt tot vier jaar. [eiser] heeft niets aangevoerd om hier anders over te oordelen. 4.13. Partijen hebben verder nog uitvoerig gedebatteerd over de vraag of [eiser] al niet in een veel eerder stadium de bij Bunq gerezen vragen had kunnen en behoren te beantwoorden. Bunq stelt dat zij al in een vroeg stadium (vanaf begin januari 2025) via de aan de Bunq-app verbonden chatfunctie vragen aan [eiser] heeft gesteld naar aanleiding van meldingen van de ABN-AMRO-bank. [eiser] stelt dat dergelijke vragen hem nimmer hebben bereikt en dat hij dus ook pas in een heel laat stadium kennis nam van de bij Bunq gerezen vragen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de vraag of [eiser] al eerder had kunnen en moeten antwoorden op gerezen vragen in het midden blijven nu [eiser] in onderhavig kort geding alle gelegenheid heeft gehad om de bij Bunq gerezen verdenking alsnog weg te nemen maar hij daar – zoals hiervoor is overwogen – niet in is geslaagd. 4.14. Het voorgaande brengt met zich dat de primaire vordering afgewezen wordt. Informatieverzoek 4.15. [eiser] heef overlegging van diverse documenten gevorderd. Gelet op de door Bunq bij haar conclusie van antwoord overgelegde producties is tijdens de zitting duidelijk geworden dat het alleen nog gaat om het sub A gevorderde interne onderzoek op grond waarvan overgegaan is tot de EVR-registratie. Bunq heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het openbaar maken van dit rapport. Gelet op deze gemotiveerde betwisting is door [eiser] onvoldoende onderbouwd dat en waarom inzage in dit rapport nog steeds noodzakelijk is nu alle andere documenten inmiddels overgelegd zijn. Ook de subsidiaire vordering wordt daarom afgewezen. Proceskosten 4.16. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert . De proceskosten van Bunq worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 Totaal € 1.912,00 4.17. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Bunq, tot op heden begroot op € 1.912,00 5.3. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026. vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237 en HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.

Similar Content