Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:21146 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 02-07-2026 (NL26.35549)

Rechtbank Den Haag
Summary

Verzoek om voorlopige voorziening in verband met geplande lp-aanvraag bij autoriteiten land van herkomst. Het verzoek is afgewezen.

How it connects

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.35549 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker (gemachtigde: mr. P. Celikkal), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop 1. Verweerder heeft op 25 juni 2026 kenbaar gemaakt dat hij op 3 juli 2026 een aanvraag voor een laissez passer (hierna: lp-aanvraag) zal indienen bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker. 1.1. Verzoeker heeft op 26 juni 2026 verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag (NL26.33868). Verzoeker wil de indiening van de lp-aanvraag op 3 juli 2026 voorkomen. 1.2. De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Na kennisname van de stukken en gelet op het feit dat verweerder voornemens is op 3 juli 2026 de lp-aanvraag in te dienen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. De beslissing is telefonisch aan partijen medegedeeld op 2 juli 2026. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat de zaak over? 2. Verzoeker heeft op 1 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. Op 18 juni 2026 heeft verweerder zijn asielaanvraag afgewezen. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen deze afwijzing. Verweerder heeft op 25 juni 2026 laten weten dat hij – nog tijdens de beroepsprocedure – van plan is om op 3 juli 2026 een lp-aanvraag in te dienen bij de autoriteiten van Marokko, het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker. Verzoeker wil dit voorkomen en verzoekt de voorzieningenrechter daarom de indiening te verbieden. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? Toetsingskader 3. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bepaald dat verweerder voorbereidende handelingen mag verrichten die gericht zijn op de terugkeer van asielzoekers nog voordat de rechter op hun beroep tegen de afwijzing van hun asielaanvragen heeft beslist. Het indienen van een lp-aanvraag bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst is zo’n voorbereidende handeling. Verweerder moet daarbij wel zorgvuldig te werk gaan en een asielzoeker en zijn gemachtigde zo veel mogelijk betrekken in de lp-procedure. Ook moet verweerder waarborgen dat deze handeling niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement, door geen persoonsgegevens te verstrekken die asielgerelateerd zijn of anderszins een schadelijke strekking hebben. Een asielzoeker en zijn gemachtigde moeten in de gelegenheid gesteld worden om een rechtsmiddel in te stellen om te voorkomen dat verweerder een lp-aanvraag indient bij de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst. Standpunten van partijen 5. Verzoeker voert aan dat verweerder niet slechts een beperkte identiteitscontrole verricht maar een omvangrijk pakket van persoonsgegevens wil verstrekken aan de autoriteiten van het land waartegen verzoeker juist bescherming vraagt. Verzoeker voert in zijn beroep onder meer aan dat hij op jonge leeftijd Marokko heeft verlaten, vrijwel zijn gehele verdere leven in Spanje heeft verbleven en vreest voor problemen bij terugkeer naar Marokko vanwege een crimineel netwerk dat hem verantwoordelijk houdt voor een vermeende schuld. Ook heeft verzoeker aangevoerd dat hij nauwelijks nog binding heeft met Marokko en dat hij daar niet over een sociaal netwerk of opvangmogelijkheden beschikt. Een individuele afweging van de belangen van verzoeker ontbreekt volledig. Tot slot is niet kenbaar op welke wijze is gewaarborgd dat verzoeker daadwerkelijk in staat is geweest de volledige inhoud van de aanvraag en reikwijdte van de gegevensverstrekking te controleren, omdat verzoeker analfabeet is. Oordeel van de voorzieningenrechter 6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verweerder is van plan de volgende persoonsgegevens te verstrekken aan de Marokkaanse autoriteiten: de volledige naam van verzoeker, zijn geboortedatum, zijn geboorteplaats, zijn nationaliteit, de namen van zijn ouders, zijn laatst bekende woonplaats, het jaar van verzoekers vertrek uit Marokko, en een pasfoto van verzoeker. Deze persoonsgegevens zijn allemaal genoemd in de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025 en de Afdeling heeft geoordeeld dat het in beginsel is toegestaan dat verweerder hangende het beroep in het kader van een lp-aanvraag deze persoonsgegevens van een vreemdeling verstrekt aan de autoriteiten van zijn vermoedelijke land van herkomst om hen in staat te stellen de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling vast te stellen. Dat verzoeker op jonge leeftijd Marokko heeft verlaten, vrijwel zijn hele leven in Spanje heeft verbleven, nauwelijks nog binding heeft met Marokko en daar niet over een sociaal netwerk beschikt, leidt niet tot het oordeel dat verweerder zijn persoonsgegevens niet mag verstrekken aan de Marokkaanse autoriteiten. Verzoeker heeft hiermee niet onderbouwd dat het verstrekken van zijn persoonsgegevens aan de Marokkaanse autoriteiten op zichzelf tot een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM leidt. Uit het verslag van verzoekers nader gehoor volgt dat hij bij terugkeer vreest voor problemen met de persoon die betrokken is geweest bij zijn reis naar Spanje en personen om diegene heen, maar niet voor de Marokkaanse autoriteiten. Ook in de beroepsgronden heeft verzoeker niet aangevoerd dat hij vreest voor problemen met de Marokkaanse autoriteiten. Dat hij met zijn asielaanvraag bescherming vraagt tegen deze autoriteiten wordt dan ook niet gevolgd. 7. Hoewel verzoeker analfabeet is, blijkt uit het vertrekgesprek dat de medewerker van de Dienst Terugkeer en Vertrek en verzoeker het formulier samen hebben ingevuld met behulp van een live tolk Arabisch-Marokkaans. Ook is de lp-aanvraag gestuurd naar de gemachtigde van verzoeker, die daarop de lp-aanvraag heeft kunnen controleren en gelet hierop ook de lp-aanvraag aan de voorzieningenrechter ter toetsing heeft voorgelegd. Daarmee is voldaan aan de eisen die de Afdeling in haar uitspraak heeft gesteld. Conclusie en gevolgen 8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier. De beslissing is telefonisch aan partijen medegedeeld op 2 juli 2026. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5548.

Similar Content