Rechtbank Amsterdam, 18-08-2026 (13-121439-26)
Vervolgings-EAB uit Griekenland. Tussenuitspraak. Beslissing over de rechterlijke autoriteit en effectieve rechtsbescherming aangehouden om de uitspraak van deze rechtbank in de zaak met parketnummer 13-248279-25 af te wachten. Artikel 11 OLW: vragen stellen.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-121439-26 Datum uitspraak: 18 augustus 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 5 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 november 2025 door the Prosecutor's Office of the Appeal Court of Thessaloniki , Griekenland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1984, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 4 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Bulgaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Bulgaarse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the Examining Magistrate of the 5th Delegated Department of Misdemeanours of Thessaloniki met kenmerk no. 28/29-02-2024 , the validity of which was kept in force according to the Order no. 497/17-06-2024 of the Chair of the Appeal Court in Thessaloniki . De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Grieks recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Rechterlijke autoriteit en effectieve rechtsbescherming Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB omdat niet is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. Het EAB is immers uitgevaardigd door een Griekse officier van justitie, en niet door een onafhankelijke rechter. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming niet aan overlevering in de weg staat. Uit de beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in de zaak Blerens volgt dat de uitvaardiging van het EAB ook nog na overlevering van de opgeëiste persoon kan worden getoetst. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 7 juli 2026 blijkt dat in Griekenland de mogelijkheid bestaat om het nationaal aanhoudingsvel op ieder moment, en dus ook na overlevering van de opgeëiste persoon, in rechte aan te vechten. Indien de uitvaardiging van het nationaal aanhoudingsbevel onrechtmatig blijkt te zijn, vervalt daarmee ook het EAB. Daarmee is de effectieve rechterlijke bescherming van de opgeëiste persoon gewaarborgd en was de Griekse officier van justitie dus bevoegd om het EAB uit te vaardigen. Oordeel van de rechtbank In twee andere zaken zijn bij tussenuitspraken van 13 november 2025 en 6 mei 2026 door deze rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU over – kort gezegd – de effectieve rechtsbescherming bij Griekse vervolgings-EAB's die door een Griekse officier van justitie zijn uitgevaardigd. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 6 mei 2026 is een spoedprocedure gestart, waarin het HvJ EU op 2 juli 2026 een beschikking heeft gewezen ( Blerens ). De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige overleveringsprocedure sprake is van een vergelijkbare situatie als in de twee zaken waarin de rechtbank eerder prejudiciële vragen heeft gesteld. Er is immers sprake van een vervolgings-EAB dat is uitgevaardigd door de Griekse officier van justitie, terwijl het nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door een Griekse rechter. Bovendien volgt, anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd, uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 7 juli 2026 niet dat er vóór de overlevering van de opgeëiste persoon een mogelijkheid bestaat van een rechterlijke toetsing van de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB, in het bijzonder de evenredigheid daarvan. De voorzetting van de overleveringsprocedure naar aanleiding waarvan de beschikking Blerens is gewezen , staat gepland op 18 augustus 2026. Omdat in de onderhavige overleveringsprocedure sprake is van een vergelijkbare situatie, ziet de rechtbank aanleiding om haar beslissing op dit punt in deze zaak uit te stellen in afwachting van de uitspraak van deze rechtbank in die zaak met parketnummer 13-248279-25. 5 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: hulp aan illegale binnenkomst en illegaal verblijf. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Griekenland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6 Artikel 11 OLW: Griekse detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank heeft in eerdere zaken geoordeeld dat in de detentie-instellingen in Komotini , Thessaloniki en Trikala een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Standpunt van de raadsman De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de detentieomstandigheden in Griekenland. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De opgeëiste persoon zal niet worden gedetineerd in één van de drie detentie-instellingen waarvoor de rechtbank een algemeen gevaar heeft aangenomen, aangezien dit geen vrouwengevangenissen zijn. Nu de rechtbank geen algemeen gevaar heeft aangenomen voor de twee Griekse vrouwengevangenissen, Korydallos II en Eleonas, heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) niet aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van 4 maart 2026 van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT), waarin onder meer zorgen worden geuit over de detentieomstandigheden van gedetineerden in Griekse detentie-instellingen in het algemeen. Dit rapport is gepubliceerd naar aanleiding van een periodiek CPT-bezoek in januari 2025. Toen zijn ook twee vrouwengevangenissen bezocht en onderzocht: Korydallos II Women’s Prison voor vrouwen in voorlopige hechtenis en Eleonas Women’s Prison voor veroordeelde vrouwen. Het is voor de rechtbank echter niet zonder meer duidelijk of dit de enige instellingen voor vrouwelijke gedetineerden zijn. Verder is het niet duidelijk of vrouwen in voorlopige hechtenis steeds worden gedetineerd in de detentie-instelling Korydallos II. In het licht van het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten en gelet op met name de termijnen die de uitvoerende rechterlijke autoriteiten krachtens artikel 17 van Kaderbesluit 2002/584 zijn opgelegd voor de vaststelling van de definitieve beslissing tot uitvoering van een EAB, is de uitvoerende rechterlijke autoriteit alleen verplicht de detentieomstandigheden te onderzoeken in de detentie-instellingen waar, volgens de informatie waarover zij beschikt, de opgeëiste persoon volgens een concreet voornemen zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. De rechtbank stelt vast dat het dossier geen informatie bevat over de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen: “ 1. Zijn Korydallos II Women’s Prison en Eleonas Women’s Prison de enige instellingen in Griekenland waar vrouwelijke gedetineerden worden geplaatst? 2. Worden vrouwelijke voorlopig gehechten altijd geplaatst in Korydallos II Women’s Prison? 3. Indien het antwoord op vraag 2 ‘nee’ is, in welke detentie-instelling wordt de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid na haar overlevering worden gedetineerd ?” Verlenging van de beslistermijn De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 31 augustus 2026. Omdat de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij de beslistermijn verlengen met 30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 30 dagen. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om: - de uitspraak van deze rechtbank in die zaak met parketnummer 13-248279-25 af te wachten en - de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder 6 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen (eindigend op 30 september 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 30 dagen. BEPAALT dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn – dus uiterlijk op 16 september 2026. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan haar raadsman. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Bulgaarse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 2 juli 2026, C-446/26 PPU, ECLI:EU:C:2026:551 ( Blerens ). Rb. Amsterdam 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10377. Rb. Amsterdam 6 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6385. HvJ EU 2 juli 2026, C-446/26 PPU, ECLI:EU:C:2026:551 ( Blerens ). Rb. Amsterdam 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10377 en Rb. Amsterdam 6 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6385. Rb. Amsterdam 6 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6385. o.a. Rb. Amsterdam 22 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3306. o.a. Rb. Amsterdam 14 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2324 en 31 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3097. Rb. Amsterdam 18 jan 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1897. Zie onder meer Rb. Amsterdam 5 april 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:1995) en Rb. Amsterdam 28 april 2016 (ECLI:NL:RBAMS:20 16:2630). Zie CPT/Inf (2026) 09. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 ( Generalstaatsanwaltschaft Bremen (Detentieomstandigheden in Hongarije) ), punt 87.