Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 28-07-2026 (CUR2025H00172)
Curaçao. Percelen domeingrond. Reconstructie verkregen rechten. Eisen voor toewijzing van een verklaring voor recht. Openbaarheid van bestuur.
How it connects
Related across sources
Full text
Burgerlijke zaken over 2026 Zaaknummers: CUR202402617 – CUR2025H00172 Uitspraak: 28 juli 2026 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: 1. de gezamenlijke erfgenamen van [ERFLATER], met gekozen domicilie in Curaçao, 2. [KOPER], wonende in Curaçao, in eerste aanleg eisers, thans appellanten, gemachtigde: mr. N.V.R. Doekhie, tegen 1. [GEÏNTIMEERDE 1], wonende in België, 2. [GEÏNTIMEERDE 2], wonende in Curaçao, in eerste aanleg gedaagden, thans geïntimeerden, gemachtigde: mr. R.E.F.A. Bijkerk, en tegen 3. de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO, zetelend in Curaçao, in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde, gemachtigden: mrs. E.A.J.M. van den Berg en G.N. Hollander. Partijen worden hierna de erven, [koper], [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en het Land genoemd. De erven en [koper] worden gezamenlijk de erven c.s. genoemd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd. 1 De zaak in het kort Dit geding betreft betwiste rechten op percelen domeingrond te [dorp]. Het Gerecht heeft alle vorderingen van de eisers afgewezen. Op basis van een reconstructie komt het Hof tot dezelfde uitkomst. 2 Het verloop van de procedure 2.1 Bij op 27 juni 2025 ingekomen akte van appel zijn de erven c.s. in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 19 mei 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). 2.2 Bij op 21 juli 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties 1 tot en met 17, hebben de erven c.s. het hoger beroep toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof voor wat betreft de grieven een juist vonnis zal wijzen en het Land en [geïntimeerden] zal opdragen de juiste informatie te verschaffen ten aanzien van de percelen A-[#03] en A-[#02], kosten rechtens. 2.3 Bij op 18 september 2025 ingekomen memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] het hoger beroep bestreden. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, kosten rechtens. 2.4 Het Land heeft geen memorie van antwoord ingediend. 2.5 De erven c.s. hebben voorafgaand aan de pleitzitting van 2 juni 2026 de producties 18 tot en met 21 toegezonden. Op de pleitzitting zijn verschenen: - [ koper], bijgestaan door mr. Doekhie (die ook de erven vertegenwoordigde); - [ geïntimeerde 2], bijgestaan door mr. Bijkerk (die ook [geïntimeerde 1] vertegenwoordigde); - namens het Land: [werknemer], werkzaam bij Domeinbeheer, en mr. Van den Berg. De gemachtigden hebben de zaak bepleit. Mr. Doekhie heeft daarbij gebruik gemaakt van een pleitnota, waarvan exemplaren zijn overgelegd. Vragen van het Hof zijn beantwoord. 2.6 Vonnis is bepaald op vandaag. 3 De beoordeling in het geding tussen de erven c.s. en [geïntimeerden] Feiten 3.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten die door de erven c.s. zijn gesteld of die blijken uit de door de erven c.s. overgelegde producties, en die [geïntimeerden] niet hebben betwist. 3.1.1 Tot het verkavelingsplan van [dorp] behoren naast elkaar gelegen percelen tussen (in het westen) de zee en (in het oosten) de Weg naar Westpunt. De Weg naar Westpunt loopt daar van noord naar zuid evenwijdig aan de kustlijn. De percelen zijn als groep aangeduid met een A en per perceel genummerd als kavelnummers 17 (meest zuidelijk) tot en met 32 (meest noordelijk). 3.1.2 Volgens een op 20 mei 1974 gedateerde overeenkomst heeft het toenmalige Eilandgebied Curaçao (hierna: het Eilandgebied) kavel [#01] ter grootte van ongeveer [aantal] vierkante meter in huur afgestaan aan [erflater] (hierna: de erflater). 3.1.3 Volgens een notariële akte van koop en verkoop van 5 juni 1995 heeft de moeder van de erflater, onder voorbehoud van een vruchtgebruik, aan de erflater verkocht: de rechten op de opstallen plaatselijk bekend als [dorp] zonder nummer. De moeder van de erflater had die rechten verkregen volgens een notariële akte van scheiding en deling van 28 juli 1994. 3.1.4 Volgens een op 16 juni 1998 gedateerde onderhandse akte heeft de erflater, met toestemming van zijn moeder, de huurrechten op kavel [#02], groot ongeveer [aantal] vierkante meter, en de rechten op de opstal op die kavel op die datum verkocht en overgedragen aan [geïntimeerde 1]. In de onderhandse akte staat onder meer: Artikel 4 De verkoper verleent bij deze onherroepelijke volmacht aan de koper om de hiervoor overgedragen rechten door de eigenaar te doen erkennen, welke volmacht deel uitmaakt van deze overeenkomst, zodat zij niet op een der in de Wet gestelde wijzen teniet zal gaan. (…) Artikel 7 Partijen kunnen de ontbinding dezer overeenkomst op geen enkele grond vorderen. Dit lijdt uitzondering ten opzichte van de koper, ingeval de hiervoor in artikel 4 bedoelde erkenning wordt geweigerd. Artikel 8 Ingeval van ontbinding zal de verkoper verplicht zijn tot vergoeding van eventueel door de koper, al dan niet in de vorm van bouwwerken, aangebrachte verbeteringen. Deze eventuele vergoeding zal worden gebaseerd op de bouwprijs van Villa Gitane Curaçao n.v., doch is onderhevig aan een minimum van nafl 15.000,-- (…) Artikel 9 De koper verplicht zich tot het bouwen van een twee-onder-één-kapwoning (…). Na realisatie van de bouw (…) zal er een tweedeling plaatsvinden van woning en terrein, waarna zowel de verkoper als de koper elk de helft, zowel van de woning als van voornoemd perceel, ter beschikking krijgen. Eerst dan volgt wederom een overdracht van de huurrechten conform bijgaande intentieverklaring.2. 3.1.5 Volgens een notariële akte van 9 december 1999 hebben de erflater en zijn moeder op die datum overgedragen aan [geïntimeerde 1]: de rechten op de opstallen, plaatselijk bekend als [dorp] [#02], gesticht op een kennelijk afgepaald gedeelte van het perceel groot ongeveer [aantal] vierkante meter. Volgens deze akte heeft de erflater deze rechten in blote eigendom verkregen blijkens een akte van 5 juni 1995, onder voorbehoud van vruchtgebruik ten behoeve van zijn moeder. Verder vermeldt de akte onder meer: 2. (…) De verkopers doen bij deze onherroepelijk afstand van hun huurdersrechten met betrekking tot vooromschreven afgepaald gedeelte van de grond ten behoeve van de koper. 3.1.6 Volgens een op briefpapier van een notariskantoor gesteld koopcontract van 15 maart 2004 heeft de erflater zijn rechten op de opstallen plaatselijk bekend als [dorp] kavel A-[#03], gesticht op een perceel grond ter grootte van ongeveer [aantal] vierkante meter, verkocht aan [geïntimeerde 2] en zijn toenmalige echtgenote [echtgenote] (hierna: [echtgenote]). Volgens een notariële akte van 3 augustus 2004 heeft de erflater deze rechten aan [geïntimeerde 2] en [echtgenote] geleverd. Deze leveringsakte vermeldt dat de erflater deze rechten op 5 juni 1995 had verkregen blijkens een akte van koop en verkoop. Verder vermeldt deze leveringsakte onder meer: 2. (…) De verkoper doet voorzoveel nodig afstand van zijn huurdersrechten ten behoeve van de koper. 3.1.7 Volgens een notariële akte van 20 juli 2012 heeft het Land een erfpachtrecht ten gunste van [geïntimeerde 2] en [echtgenote] gevestigd op een perceel grond ter grootte van [aantal] vierkante meter, bekend als kavelnummer A-[#02], nader omschreven in meetbrief [meetbrief #01]. 3.1.8 Op 8 juli 2013 zijn [geïntimeerde 2] en [echtgenote] gescheiden. 3.1.9 Volgens een notariële akte van 20 augustus 2015 zijn [geïntimeerde 2] en [echtgenote] gezamenlijk eigenaar van (onder meer): a. het recht van erfpacht op een perceel ter grootte van [aantal] vierkante meter, bekend als kavelnummer A-[#02], nader omschreven in meetbrief [meetbrief #01]; b. de rechten en aanspraken met betrekking tot de opstallen op een perceel ter grootte van ongeveer [aantal] vierkante meter, plaatselijk bekend als kavel A-[#03]. De akte vermeldt dat beide rechten bij wijze van scheiding en deling worden toegedeeld aan [geïntimeerde 2]. 3.1.10 Op een aanvraagformulier dat bij het Land is ingediend (hierna: het aanvraagformulier van 8 januari 2018), staat onder meer ingevuld: algemene gegevens aanvrager: [de naam en verdere gegevens van de erflater] bestemming aangevraagd terrein: overdracht (aangekruist) omzet huur in erfpacht (aangekruist) huurovereenkomstnummer: 476 invullen indien bestemming overig: [de naam en verdere gegevens van [geïntimeerde 2]] datum verzoek: 8 januari 2018 3.1.11 Op 7 november 2020 is de erflater overleden. Een testament van hem is gedateerd op 8 januari 2016. 3.1.12 Volgens een koopovereenkomst van 27 oktober 2021 heeft een groep nabestaanden als erfgenamen van de erflater alle rechten op een perceel huurgrond, omschreven in meetbrief [meetbrief #02] verkocht en op die datum overgedragen aan [koper]. 3.1.13 Bij in kort geding gewezen vonnis van 24 april 2023, zaaknummer CUR202300693, heeft het Gerecht op vordering van [geïntimeerde 1] [koper] bevolen een vuilcontainer te verwijderen. In dat vonnis is overwogen (onder 2.8) dat niet in geschil is dat het huurrecht dat de erven aan [koper] hebben verkocht, betrekking heeft op het perceel dat bedoeld is in de notariële akte van 9 december 1999. 3.1.14 Volgens uittreksels uit de basisadministratie persoonsgegevens van 17 juli 2025 wonen [bewoner 1], geboren op [datum 1] en [bewoner 2], geboren op [datum 2], beiden op het adres “[dorp] [#02] A (Woonadres)”. 3.1.15 Bij brief van 11 augustus 2025 heeft de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning aan [koper] bericht (met verwijzing naar onder meer het op 24 april 2023 in kort geding gewezen vonnis) dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van het voornemen om het perceel met meetbrief [meetbrief #02], plaatselijk bekend als [dorp] [#02], toe te wijzen aan [geïntimeerde 2], en dat daarom de aanvraag van [koper] tot legalisatie van dat perceel wordt afgewezen. Hiertegen hebben de erven c.s. bezwaar gemaakt. Vorderingen 3.2 In dit geding hebben de erven c.s. gevorderd, verkort weergegeven: primair a. verklaring voor recht wie rechthebbende is op perceel [#02] voor wat betreft [meetbrief #02]; b. verklaring voor recht wie rechthebbende is op perceel A-[#03] ter grootte van [aantal] vierkante meter; c. verklaring voor recht wie rechthebbende is op perceel [#02a] ter grootte van [aantal] vierkante meter (meetbrief [meetbrief #01]); subsidiair d. bevel aan [geïntimeerde 1] om informatie te verschaffen waaruit blijkt wat zich heeft afgespeeld tussen de erflater en [geïntimeerde 1], zodanig dat de erflater in 2018 een aanvraag heeft ingediend met [geïntimeerde 2] als belanghebbende, verstrekt met een dwangsom; e. ontbondenverklaring van de koopovereenkomst tussen de erflater en [geïntimeerde 1]; f. bevel aan [geïntimeerde 2] om informatie te verschaffen waaruit blijkt wat bedoeld is met kavel [#03] en perceel [meetbrief #01], versterkt met een dwangsom; g. (geen vordering tegen [geïntimeerden]); h. bevel aan [geïntimeerden] om renovatie- of bouwwerkzaamheden op perceel [meetbrief #02] te staken en gestaakt te houden totdat in dit geding is beslist over de vraag wie rechthebbende of huurder is op perceel [#02]. Beslissing van het Gerecht 3.3 Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vorderingen afgewezen. Beoordeling door het Hof Reconstructie met betrekking tot de diverse percelen 3.4 Aangenomen moet worden dat de oorspronkelijke kavel [#02] is gesplitst in twee kavels: de huidige kavel [#02], uitgemeten in meetbrief [meetbrief #02], en kavel [#02a], uitgemeten in meetbrief [meetbrief #01]. Het Gerecht heeft dat ook aangenomen onder 2.2. Hiertegen hebben de erven c.s. geen grief gericht. Ook [geïntimeerden] hebben het niet betwist. Het duidelijkste is deze kavelsplitsing te zien op de situatieschets van het Kadaster die is afgegeven op 29 november 2022 en die is overgelegd als productie 5 bij inleidend verzoekschrift. 3.5 Het Hof komt tot de volgende reconstructie, zoals hierna zal worden toegelicht: Op 20 mei 1974 heeft de erflater rechten verkregen op kavel [#01]. Op 5 juni 1995 heeft de erflater rechten verkregen op de oorspronkelijke kavel [#02]. Op 9 december 1999 heeft [geïntimeerde 1] rechten verkregen op een deel van de oorspronkelijke kavel [#02], (ongeveer) overeenkomend met de huidige kavel [#02]. Op 15 maart 2004 heeft (onder meer) [geïntimeerde 2] rechten verkregen op de huidige kavel [#02a]. [geïntimeerden] hebben nooit rechten verkregen op kavel [#01] of op een perceel dat in het oorspronkelijke verkavelingsplan kavelnummer [#03] had. 3.6 Deze reconstructie (die afwijkt van hetgeen het Gerecht onder 2.4 en 4.7-4.8 van het bestreden vonnis heeft aangenomen) is gebaseerd op de volgende overwegingen. 3.7 Uit de akte van scheiding en deling van 28 juli 1994 en de akte van koop en verkoop onder voorbehoud van vruchtgebruik van 5 juni 1995 (zie voor beide akten 3.1.3 hiervoor) blijkt niet duidelijk op welke kavel in [dorp] de daarin bedoelde rechten betrekking hebben. De conclusie van het Hof dat dit rechten op de oorspronkelijke kavel [#02] moeten zijn geweest, steunt op de leveringsakten van 9 december 1999 en 3 augustus 2004 (zie 3.1.5 en 3.1.6 hiervoor), die beide vermelden dat de erflater zijn rechten op 5 juni 1995 verkregen had blijkens een akte van koop en verkoop onder voorbehoud van vruchtgebruik. 3.8 De leveringsakte van 9 december 1999 (zie 3.1.5 hiervoor) heeft blijkens de tekst ervan niet betrekking op de gehele oorspronkelijke kavel [#02], maar op een (“kennelijk afgepaald”) deel daarvan. Dit deel moet (ongeveer) de huidige kavel [#02] zijn geweest. Dit past bij hetgeen de erflater en [geïntimeerde 1] op 16 juni 1998 voor ogen moet hebben gestaan. De huidige kavel [#02] is het deel van de oorspronkelijke kavel [#02] dat bedoeld was voor het door [geïntimeerde 1] te bewonen deel van de door hem te bouwen twee-onder-een-kapwoning. Het is begrijpelijk dat de erflater bij de leveringsakte van 9 december 1999 geen afstand deed van zijn rechten op het andere deel (ongeveer de huidige kavel [#02a]), want dat was bedoeld voor de door de erflater te bewonen helft van de twee-onder-een-kapwoning (waar [geïntimeerde 2] nu woont). Dit past ook bij art. 9 van de onderhandse akte van 16 juni 1998 (zie 3.1.4 hiervoor). Die bepaling wijst erop dat het in 1998 de bedoeling van de erflater en [geïntimeerde 1] was dat [geïntimeerde 1] weliswaar gedurende de bouw van de twee-onder-een-kapwoning de huurrechten op het gehele perceel zou hebben, maar ook dat de huurrechten op het deel van het perceel dat na de bouw zou worden bewoond door de erflater, na de bouw weer zou overgaan op de erflater. Uitgangspunt van partijen bij de onderhandse akte van 16 juni 1998 was dus dat de erflater huurdersrechten had op het gehele oorspronkelijke perceel [#02]. De bedoeling van de contractspartijen was dat de erflater die rechten eerst geheel aan [geïntimeerde 1] zou doen overgaan en daarna gedeeltelijk zou terugkrijgen. 3.9 Hoewel het koopcontract van 15 maart 2004 (zie 3.1.6 hiervoor) melding maakt van kavel A-[#03] en ook de aanduiding van de grootte van de kavel niet goed is te plaatsen, komt het Hof tot de conclusie dat hiermee de huidige kavel [#02a] bedoeld moet zijn. Dit past bij de schriftelijke verklaring van [geïntimeerde 2] van 7 maart 2023. De erven c.s. hebben dat onvoldoende gemotiveerd betwist. Zij hebben niet aangevoerd dat en waarom [geïntimeerde 2] in 2004 belangstelling zou hebben gehad voor rechten op enig ander perceel dan kavel [#02a] dat vlak naast de toenmalige woning van [geïntimeerde 1] op de huidige kavel [#02] ligt, waarin [geïntimeerde 2] volgens zijn verklaring met toestemming van [geïntimeerde 1] herhaaldelijk had verbleven. 3.10 De erven c.s. hebben niet met voldoende stelligheid betoogd dat zij rechten kunnen doen gelden op de kavel die in het oorspronkelijke verkavelingsplan is aangeduid als kavel [#03]. Voor zover zij dat hebben willen betogen, faalt dat betoog. De omstandigheid dat dit kavelnummer overeenkomt met de aanduiding kavel A-[#03] in het koopcontract van 15 maart 2004 is daar een onvoldoende sterke aanwijzing voor. Dit geldt temeer gelet op het volgende. Aangenomen moet worden dat een deel van kavel [#03] van het oorspronkelijke verkavelingsplan bij akte van 8 november 1997 in erfpacht is uitgegeven aan [verkrijger 1], en dat [verkrijger 1] dit recht van erfpacht bij akte van 2 februari 2007 heeft overgedragen aan [verkrijger 2]. Die beide akten bevatten geen enkele aanwijzing dat de erflater ooit enige rechten heeft gehad op die kavel. 3.11 Het Hof kan niet verklaren waarom het koopcontract van 15 maart 2004 melding maakt van kavel A-[#03]; misschien is het een fout. Het is in elk geval niet vreemd dat die aanduiding ook voorkomt in de leveringsakte van 3 augustus 2004 en de akte van scheiding en deling van 20 augustus 2015, want dat kan zijn gebeurd doordat de bij het koopcontract van 15 maart 2004 gemaakte fout (als het dat is) heeft doorgewerkt in de latere akten. Het is immers gebruikelijk is om bij het opstellen van akten aanduidingen die men in eerdere akten aantreft, over te schrijven. Kennelijk heeft dit ook in zoverre doorgewerkt in de akte van scheiding en deling van 20 augustus 2015 dat daarin twee kavels worden genoemd, want beide aanduidingen hebben betrekking op kavel [#02a] (waarbij ook de aanduiding A-[#02] in de akte van scheiding en deling kennelijk gebaseerd is op een fout; dat had kavel [#02a] moeten zijn). 3.12 De erven c.s. hebben een beroep gedaan op een geschrift, aangeduid als een afschrift van de Belastingdienst voor de betaalde huurpenningen tot en met 2004 (productie 8 bij memorie van grieven). Het Hof heeft dit geschrift bestudeerd, maar kan daaruit niet opmaken waarom het afbreuk zou doen aan de conclusie dat het koopcontract van 15 maart 2004 betrekking heeft op de huidige kavel [#02a]. 3.13 Op productie 18 van de erven c.s. in hoger beroep ziet het Hof wel de aanduiding “[dorp] kav. A-[#03]” staan; aannemelijk is dat de belastingdienst daarbij is afgegaan op het koopcontract van 15 maart 2004 en de verdere hiervoor besproken geschriften zonder te controleren of die aanduiding juist is. 3.14 Uit productie 21 van de erven c.s. in hoger beroep blijkt dat twee personen bij de basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven staan op “[dorp] [#02] A (Woonadres)”. Daaruit kan het Hof niet afleiden waarom de erven c.s. enig recht zouden kunnen doen gelden jegens [geïntimeerden] De erven c.s. hebben dat niet toegelicht en hebben ook niet toegelicht wie deze personen zijn. Het beroep op ontbinding 3.15 De erven c.s. hebben een beroep gedaan op art. 7 van de onderhandse akte van 16 juni 1998 (zie 3.1.4 hiervoor; hierna: het ontbindingsbeding). Zij stellen dat [geïntimeerde 1] de daar bedoelde erkenning van de eigenaar (het Eilandgebied, thans het Land) nooit heeft verkregen. Hij kan die ook niet verkrijgen, omdat hij geen ingezetene is van Curaçao. De overeenkomst is daarom ontbonden. Het recht van [geïntimeerde 1] op een vergoeding op de voet van art. 8 van de onderhandse akte is verwerkt of verjaard, aldus de erven c.s. 3.16 Op zichzelf staat onbetwist vast dat [geïntimeerde 1] de erkenning nooit heeft verkregen die bedoeld is in het ontbindingsbeding. Niettemin faalt voornoemd betoog van de erven c.s. op grond van het volgende. 3.17 Het ontbindingsbeding moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Aan de hand van die maatstaf legt het Hof het ontbindingsbeding zo uit dat indien de eigenaar van de grond de erkenning weigert, uitsluitend de koper de overeenkomst kan ontbinden, en dat de verkoper dat in dat geval dus niet kan doen. De strekking van het ontbindingsbeding is immers om de koper te beschermen tegen het risico dat de eigenaar zal weigeren te erkennen dat de huurrechten zijn overgegaan op de koper. Een aanwijzing is ook de zinsnede “ten opzichte van de koper” in het ontbindingsbeding. Ook art. 8 van de onderhandse akte bevat een aanwijzing voor voornoemde uitleg, want dat is gekoppeld aan de ontbinding en strekt eveneens ten gunste van de koper. Voor zover de erven c.s. voor de uitleg van het ontbindingsbeding een beroep hebben gedaan op het slot van art. 9 van de onderhandse akte, faalt dat beroep, want art. 9 heeft betrekking op een nieuwe overdracht na bouw van de twee-onder-een-kapwoning en niet op de mogelijkheid van ontbinding. De erven c.s. hebben onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de erflater het ontbindingsbeding redelijkerwijs anders mocht begrijpen of dat [geïntimeerde 1] het redelijkerwijs anders moest begrijpen. 3.18 Het beroep op het ontbindingsbeding faalt dus omdat de stellingen van de erven c.s. dat beroep niet kunnen dragen. De omstandigheid dat [geïntimeerde 1] de in het ontbindingsbeding bedoelde erkenning (in elk geval tot 2015) niet heeft aangevraagd, brengt dus niet mee dat de overeenkomst in de onderhandse akte van 16 juni 1998 als ontbonden dient te worden beschouwd. De vorderingen De verklaringen voor recht (vorderingen a, b en c) 3.19 Een vordering die luidt dat de rechter voor recht verklaart “wie” rechthebbende is op een perceel, is in beginsel niet toewijsbaar vanwege die formulering. Nodig is dat de eiser in zijn gedingstukken voldoende duidelijk maakt wie volgens de eiser rechthebbende is op het perceel. Met het Gerecht zal het Hof de vorderingen a, b en c verbeterd lezen in die zin dat de erven c.s. vorderen dat de rechter hetzij voor recht verklaart dat de erven rechthebbenden zijn op een of meer van de in de vorderingen a, b en c bedoelde percelen, hetzij voor recht verklaart dat [koper] dat is. 3.20 Nodig voor toewijzing van de vorderingen a, b en c is niet alleen dat de erven c.s. voldoende duidelijk maken wie volgens hen rechthebbende(n) is of zijn op de percelen, maar ook dat zij hun standpunt daarover met voldoende stelligheid innemen. Het standpunt dat er verwarring over bestaat en dat de documenten tegenstrijdigheden daarover bevatten, is dus een onvoldoende grondslag voor toewijzing van de vordering. 3.21 Nodig voor toewijzing van de vorderingen a, b en c is verder nog dat de erven c.s. de feiten en omstandigheden stellen op grond waarvan zij menen dat hetzij de erven rechthebbenden zijn op een of meer van de in de vorderingen a, b en c bedoelde percelen, hetzij [koper] dat is. In geval van voldoende gemotiveerde betwisting dienen de erven c.s. die feiten en omstandigheden in beginsel ook te bewijzen. Vordering a (perceel [#02] voor wat betreft [meetbrief #02]) 3.22 Vordering a heeft betrekking op de huidige kavel [#02]. Uit voorgaande reconstructie volgt dat in de verhouding tussen de erven c.s. en [geïntimeerden] ervan moet worden uitgegaan dat de erflater zijn rechten op de huidige kavel [#02] bij onderhandse akte van 16 juni 1998 heeft verkocht aan [geïntimeerde 1] en dat hij bij leveringsakte van 9 december 1999 jegens [geïntimeerde 1] onherroepelijk afstand heeft gedaan van zijn rechten op die kavel. Een verklaring voor recht (bindend jegens [geïntimeerden]) dat de erven of [koper] rechthebbende op kavel [#02] zijn of is, is daarom niet toewijsbaar. Vordering b (perceel [#03]-A ter grootte van ongeveer [aantal] vierkante meter) 3.23 Het is niet duidelijk op welk perceel de erven c.s. doelen met vordering b. 3.24 Indien zij daarmee doelen op de huidige kavel [#02a] dan geldt het volgende. Uit voorgaande reconstructie volgt dat in de verhouding tussen de erven c.s. en [geïntimeerden] ervan moet worden uitgegaan dat de erflater zijn rechten op de huidige kavel [#02a] bij koopcontract van 15 maart 2004 heeft verkocht aan [geïntimeerde 2] (en [echtgenote]) en dat hij bij leveringsakte van 3 augustus 2004 jegens [geïntimeerde 2] (en [echtgenote]) onherroepelijk afstand heeft gedaan van zijn rechten op die kavel. Een verklaring voor recht (bindend jegens [geïntimeerden]) dat de erven of [koper] rechthebbende op kavel [#02a] zijn of is, is daarom niet toewijsbaar. 3.25 Indien zij doelen op het perceel dat in het oorspronkelijke verkavelingsplan werd aangeduid als kavel [#03], dan geldt het volgende. De erven c.s. hebben onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat de erflater ooit rechten op dat perceel heeft gehad of gepretendeerd. Een verklaring voor recht (bindend jegens [geïntimeerden]) dat de erven of [koper] rechthebbende op dat perceel zijn of is, is daarom niet toewijsbaar. 3.26 Indien zij doelen op nog een ander perceel, is dat onvoldoende duidelijk geworden. Vordering c (perceel [#02a] ter grootte van [aantal] vierkante meter, meetbrief [meetbrief #01]) 3.27 Vordering c heeft betrekking op de huidige kavel [#02a]. Zoals hiervoor is overwogen, is een verklaring voor recht (bindend jegens [geïntimeerden]) dat de erven of [koper] rechthebbende op kavel [#02a] zijn of is, niet toewijsbaar. Vordering d (informatie van [geïntimeerde 1]) 3.28 De advocaat van [geïntimeerde 1] heeft een schriftelijke verklaring van 7 maart 2023 van [geïntimeerde 2] overgelegd. In die verklaring heeft [geïntimeerde 2] uiteengezet wat zich (volgens hem) heeft afgespeeld. Verder is goed te verklaren waarom in 2018 een aanvraag is ingediend op naam van de erflater en ten behoeve van [geïntimeerde 2]: bij het Land stonden de rechten op de huidige kavel [#02] op naam van de erflater. [geïntimeerde 2] wilde bereiken dat die rechten bij het Land op zijn naam zouden komen te staan. Niet valt in te zien waarom [geïntimeerde 1] gehouden zou zijn om meer informatie te verschaffen dan zijn advocaat in deze procedure heeft verschaft. Vordering e (ontbondenverklaring) 3.29 Het beroep van de erven c.s. op het ontbindingsbeding heeft het Hof hiervoor onder 3.12-3.16 verworpen. Vordering f (informatie van [geïntimeerde 2]) 3.30 Voor vordering f geldt hetzelfde als voor vordering d. Vordering h (staking bouwwerkzaamheden) 3.31 Blijkens het voorgaande kunnen de erven c.s. jegens [geïntimeerden] geen rechten doen gelden op de huidige kavel [#02]. Bovendien is niet gebleken dat er op dit moment concrete bouwwerkzaamheden plaatshebben op die kavel. Deze vordering is terecht afgewezen. 4 In het geding tussen de erven c.s. en het Land Feiten 4.1 De feiten die het Hof hiervoor onder 3.1.1-3.1.15 heeft vastgesteld in het geding tussen de erven c.s. en [geïntimeerden], staan ook vast in het geding tussen de erven c.s. en het Land. Ook het Land heeft die feiten niet betwist. Vorderingen 4.2 In dit geding hebben de erven c.s. gevorderd, verkort weergegeven: primair a. verklaring voor recht wie rechthebbende is op perceel [#02] voor wat betreft [meetbrief #02]; b. verklaring voor recht wie rechthebbende is op perceel A-[#03] ter grootte van [aantal] vierkante meter; c. verklaring voor recht wie rechthebbende is op perceel [#02a] ter grootte van [aantal] vierkante meter (meetbrief [meetbrief #01]); subsidiair d. (geen vordering tegen het Land) e. ontbondenverklaring van de koopovereenkomst tussen de erflater en [geïntimeerde 1]; f. (geen vordering tegen het Land); g. bevel aan Domeinbeheer om zich uit te laten over de aanvragen en de rechtspositie van partijen, versterkt met een dwangsom; h. bevel aan het Land om renovatie- of bouwwerkzaamheden op perceel [meetbrief #02] te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden totdat in dit geding is beslist over de vraag wie rechthebbende of huurder is op perceel [#02]. Beslissing van het Gerecht 4.3 Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vorderingen afgewezen. Beoordeling door het Hof 4.4 Het Land is niet zonder meer gehouden alle rechtshandelingen tegen zich te laten gelden die tussen de erflater enerzijds en [geïntimeerden] anderzijds hebben plaatsgehad. Indien het Land grond in eigendom heeft, geldt als uitgangspunt dat het Land een beroep erop kan doen dat die eigendom mede de gebouwen en werken omvat die duurzaam met de grond zijn verenigd. Indien het Land als verhuurder contractueel heeft uitgesloten dat huurrechten worden overgedragen, geldt als uitgangspunt dat het Land daarop een beroep kan doen. Het Land dient echter wel rekening te houden met maatschappelijke opvattingen en is ook gebonden aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zie hierover GHvJ 17 december 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:256, 3.5-3.9. 4.5 Het Land heeft een gedeeltelijk andere reconstructie gemaakt dan het Hof hiervoor heeft gemaakt in het geding tussen de erven c.s. en [geïntimeerden] Het Land meent dat de erflater nooit huurrechten heeft gehad op de oorspronkelijke kavel [#02] of op de huidige kavels [#02] en [#02a]. 4.6 Het Land is ingegaan op de vraag wie rechthebbende is op de kavel die in het oorspronkelijke verkavelingsplan is aangeduid als kavel [#03]. In de reconstructie van het Hof heeft de erflater echter nooit rechten gehad op die kavel. 4.7 Het Hof kan in deze civiele procedure niet bindend vaststellen of het Land gehouden is rechten van de erven c.s. op (opstallen op) domeingrond te erkennen. Dat is ook niet gevorderd. 4.8 Volgens de erven c.s. had het Land het recht van erfpacht op kavel [#02a] niet mogen afstaan aan [geïntimeerde 2] en [echtgenote], zoals het in 2012 heeft gedaan. Het Hof laat dat in het midden. Hetgeen de erven c.s. hebben gevorderd, brengt niet mee dat het Hof dit zou moeten onderzoeken. Vorderingen a, b en c (verklaringen voor recht) 4.9 Hetgeen het Hof hiervoor onder 3.19-3.21 heeft overwogen over de verklaringen voor recht, geldt ook in het geding tussen de erven c.s. en het Land. De erven c.s. hebben onvoldoende gesteld om aan te nemen (bindend voor het Land) dat de erven of [koper] rechthebbende zijn/is op de huidige kavels [#02] of [#02a] of op de oorspronkelijke kavel [#03]. De vorderingen zijn daarom terecht afgewezen. Vordering e (ontbondenverklaring van de koopovereenkomst tussen de erflater en [geïntimeerde 1]) 4.10 Op de gronden als hiervoor onder 3.15-3.18 uiteengezet, faalt het beroep van de erven c.s. op het ontbindingsbeding. Ook in de verhouding tussen de erven c.s. het Land kan de koopovereenkomst tussen de erflater en [geïntimeerde 1] niet als ontbonden worden beschouwd. Vordering g (informatie van het Land) 4.11 Op grond van regels over openbaarheid van bestuur is het Land jegens de erven c.s. gehouden binnen redelijke grenzen de informatie te verschaffen waarover het beschikt om op een verantwoorde wijze te kunnen beslissen over de aanspraken van de erven c.s. op de verschillende percelen. Bij conclusie van antwoord heeft het Land dat in voldoende mate gedaan. Indien de informatie waarover het Land beschikt onduidelijkheden of tegenstrijdigheden bevat, brengt dat enkele feit niet mee dat het Land jegens de erven c.s. gehouden is die onduidelijkheden en tegenstrijdigheden uit de wereld te helpen. 4.12 Het Land heeft zich in dit civiele geding ook uitgelaten over de vraag in hoeverre de informatie waarover het Land beschikt, er volgens het Land toe leidt dat de erven c.s. aanspraken kunnen doen gelden op de diverse percelen. Daartoe heeft het Land een reconstructie gemaakt die deels afwijkt van die van het Hof. Mogelijk ziet het Land in de overwegingen van het Hof aanleiding om zijn reconstructie te herzien. In dit geding behoeft echter niet beoordeeld te worden of het Land gehouden is de reconstructie van het Hof over te nemen. 4.13 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat deze vordering terecht is afgewezen. Vordering h (staking bouwwerkzaamheden) 4.14 Op overeenkomstige gronden als hiervoor onder 3.31 overwogen, is deze vordering ook terecht afgewezen voor zover die tegen het Land is gericht. 5 Slotsom 5.1 Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd (deels op andere gronden). De erven c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kosten van de gemachtigden van het Land zullen worden begroot op nihil, omdat de gemachtigden in loondienst bij het Land werkzaam zijn. B E S L I S S I N G Het Hof: bevestigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt de erven c.s. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen en tot op heden begroot op Cg 354,73 aan verschotten en Cg 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde en aan de zijde van het Land gevallen en tot op heden begroot op nihil; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, G.C.C. Lewin en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.