Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:8113 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 11-08-2026 (13-157950-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Duits vervolgings-EAB. EAB genoegzaam. Lijstfeit. Beroep op terugkeergarantie. Overlevering toegestaan.

How it connects

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-157950-26 Datum uitspraak: 11 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 11 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 22 mei 2026 door het Amtsgericht Darmstadt , Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeeiste persoon] geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats] (Turkije), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad, hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door een advocaat, mr. F.P. Slewe, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Turkse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een nationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd op 22 mei 2026 door het Amtsgericht Darmstadt , met referentie: 25 Gs 3938/26. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 3.1. Genoegzaamheid Standpunt van de raadsman De raadsman heeft er op gewezen dat het EAB mogelijk niet genoegzaam is nu bij onderdeel c) van het EAB, onderaan pagina 2, staat vermeld: “Maximumduur van de vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel die voor het strafbare feit/de strafbare feiten kan worden opgelegd: 15” zonder de vermelding “jaar”. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Op het A-formulier is immers wel expliciet vermeld dat de maximumstraf 15 jaar bedraagt. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is ambtshalve bekend dat met de vermelding ‘15’ in onderdeel c) van het EAB wordt bedoeld ‘15 jaar’. Tevens blijkt uit het A-formulier dat als maximumduur van de vrijheidsstraf uitdrukkelijk ‘15 jaar’ is vermeld zodat aan de constatering van de raadsman geen consequenties worden verbonden aangaande de genoegzaamheid van het EAB. 4 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Duitsland maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft (mede) de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Duitsland. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland. De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in Duitsland wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De Public Prosecutor van de Offiice of the Attorney General of Frankfurt am Main heeft op 24 juni 2026 de volgende garantie gegeven: "As requested by you, I hereby guarantee that in case [opgeeiste persoon] after his surrender is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Germany, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands (pursuant to the European Framework Decision 2008/909/JBZ)." Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeeiste persoon] aan het Amtsgericht Darmstadt , Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. E. van den Brink en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.

Similar Content