Rechtbank Noord-Nederland, 07-08-2026 (24.4729)
Eiser verzocht in september 2023 inzage op grond van de AVG. De Raad verstrekte informatie, maar na bezwaar gaf de Raad op 11 maart 2024 aanvullende gegevens. Eiser ging in beroep. De rechtbank oordeelde in juli 2026 dat de Raad volledig heeft voldaan aan het verzoek en verklaarde het beroep ongegrond.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 24/4729 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen [naam], uit [woonplaats], eiser, en Raad voor rechtsbijstand, de Raad (gemachtigden: J.A.M. Dankers en H.J. Spiegelenberg). Procesverloop 1. Bij brief van 26 september 2023 heeft eiser een verzoek ingediend om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). 2. Op 1 november 2023 heeft de Raad een besluit genomen, waarbij aan het inzageverzoek is voldaan. In aanvulling op een besluit van 15 juni 2023 op een eerder AVG-verzoek van eiser, heeft de Raad aanvullende gegevens verstrekt. 3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit omdat volgens hem niet alle gegevens zijn verstrekt. Eiser heeft geen gebruik van de gelegenheid om op 16 februari 2024 te worden gehoord. 4. Bij besluit van 11 maart 2024 heeft de Raad een besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar gegrond is verklaard. De Raad heeft het advies van de Commissie voor Bezwaar overgenomen en alsnog een overzicht verstrekt van de verwerking van eisers persoonsgegevens. 5. Eiser heeft op 14 april 2024 beroep ingesteld. De rechtbank Oost-Brabant heeft het beroep op 21 november 2024 doorgezonden naar de rechtbank Noord-Nederland. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Daarbij waren de gemachtigden van de Raad aanwezig. Eiser is niet verschenen. Het onderzoek is ter zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 6. Eiser heeft de rechtbank in 2024 met een beroep op betalingsonmacht verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Dit rechtbank wijst dit verzoek toe. De rechtbank komt daarom toe aan de inhoudelijke behandeling van het beroep. 7. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en overweegt daartoe als volgt. 8. In beginsel kan het aantal door eisers rechtsbijstandverleners gedeclareerde kilometers niet worden aangemerkt als een (in)direct tot eiser te herleiden persoonsgegeven. Dat maakt dat de Raad dienaangaande geen inzage hoeft te verstrekken op grond van de AVG. Daarbij is het de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser op 24 november 2025 inzage in zijn dossier heeft gekregen op grond van het Protocol gegevensverwerking rechtzoekende en via die weg (alsnog) de verlangde inzage gekregen heeft in de kilometerdeclaraties. Dat geldt ook over de door eiser aangehaalde interne e-mails waarin zijn persoonsgegevens voorkomen en stukken uit rechtszaken waarin zijn persoonsgegevens zijn verwerkt, waaronder stukken uit een procedure bij de rechtbank Arnhem. 9. Het voorgaande maakt dat, anders dan eiser stelt, de Raad volledig aan eisers inzageverzoek heeft voldaan. Eiser heeft niet onderbouwd dat de kilometerdeclaraties die hij (alsnog) heeft ingezien persoonsgegevens zijn of onvolledig zijn, e-mails ontbreken of het overzicht met persoonsgegevens met betrekking tot de beroepsprocedures niet volledig is. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Er bestaat geen aanleiding tot een proceskostenvergoeding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RBNNE:2026:2334.