Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:8756 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 01-09-2026 (13-151406-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Belgisch vervolgings-EAB. Lijstfeit. Terugkeergarantie. Detentieomstandigheden in Mechelen. Medische zorg binnen de gevangenis van gelijke kwaliteit. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW.

How it connects

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-151406-26 Datum uitspraak: 1 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 8 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 mei 2026 door de onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.J. Moll, advocaat in Rotterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt – in samenhang gelezen met het A-formulier – een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek afgeleverd door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 13 mei 2026, met referentie: 2025/131. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit onder de hiervoor genoemde lijst valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. Door de raadsman zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven om hiervan af te wijken. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer op dit punt. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in België. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland. De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in België veroordeeld wordt tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout, heeft op 22 juni 2026 de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5-&3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ). Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, moet rechtbank beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte detentiegarantie het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon niet wegneemt en dat de zaak daarom moet worden aangehouden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de garantie geen bovengrens bevat aan het aantal medegedetineerden en geen gegevens bevat over de actuele bezettingsgraad. Plaatsing in een meerpersoonscel wordt ook open gelaten. Verder bevat de garantie geen toezegging dat de garantie bij overlevering aan de Directie voor Penitentiaire Inrichtingen en aan de gevangenis van Mechelen zal worden gecommuniceerd. De rechtbank heeft in andere zaken vragen gesteld over de detentieomstandigheden in Mechelen. Die vragen moeten ook in deze zaak worden gesteld, zodat nadere garanties voor de opgeëiste persoon kunnen worden gegeven. Tenslotte heeft de raadsman naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon een stoma heeft en dat dit dagelijkse medische verzorging vergt. De detentiegarantie bevat geen toezeggingen over de zorg die feitelijk kan worden geboden aan de opgeëiste persoon. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie afdoende is en de overlevering kan worden toegestaan. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat bij brief van 14 juli 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit de volgende garantie is gegeven voor de opgeëiste persoon: " 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Mechelen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren." Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, nu het gevaar van een dergelijke behandeling met deze garantie voor hem is weggenomen doordat hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de informatie en de garanties die door de Belgische autoriteiten zijn gegeven. De raadsman heeft niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd dat in het specifieke geval van de opgeëiste persoon de gegeven detentiegarantie niet zal kunnen worden nageleefd. Bovendien is door de Belgische autoriteiten in de zaken waarin navraag is gedaan of de detentiegarantie nog wel kon worden nageleefd nogmaals gegarandeerd dat verstrekte detentiegaranties ondanks de overbevolking worden nageleefd. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om in deze zaak nogmaals navraag te doen en dezelfde vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten. De Belgische autoriteiten hebben immers gegarandeerd dat alle gedetineerden die worden overgebracht met detentiegaranties, worden geplaatst in cellen die aan de vereiste garanties tegemoet komen. Ten aanzien van de medische situatie van de opgeëiste persoon overweegt de rechtbank dat het algemeen gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen voor de Belgische detentie-instellingen ook ziet op de medische zorg in detentie, maar dat hieromtrent wordt in de detentiegarantie opgenomen dat de zorg binnen de gevangenismuren van gelijke kwaliteit is als de medische zorg die wordt verstrekt daarbuiten De raadsman heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens verstrekt waaruit zou kunnen volgen dat een algemeen gevaar bestaat dat de Belgische autoriteiten de medische zorg voor gedetineerden onvoldoende kunnen garanderen. Ook ambtshalve is de rechtbank niet met dergelijke gegevens bekend. Nu van een algemeen gevaar geen sprake is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. Standpunt van de verdediging De advocaat van de opgeëiste persoon heeft verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Daartoe heeft de raadsman onder andere aangevoerd dat het feitencomplex in overwegende mate op Nederlands grondgebied is gesitueerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond nu het onderzoek in België is aangevangen, de bewijsmiddelen zich in België bevinden en de medeverdachten ook daar worden vervolgd. Het Nederlandse Openbaar Ministerie is bovendien niet voornemens om tot vervolging over te gaan. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; de locatie van de slachtoffers; de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. Met de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat het onderzoek in België is aangevangen en dat de bewijsmiddelen zich daar bevinden. Verder worden de medeverdachten in België vervolgd en is er geen (voornemen tot) vervolging in Nederland. In dat licht vormt het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Wat de advocaat heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. 8 Verzoek om schorsing van de gevangenhouding na uitspraak De raadsman heeft verzocht om de overleveringsdetentie ook na de uitspraak te schorsen tot aan de feitelijke overlevering, zodat de opgeëiste persoon zaken kan regelen voor zijn bedrijf. De officier van justitie heeft zich verzet tegen toewijzing van het verzoek. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat een dergelijke schorsing slechts aan de orde is wanneer sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden en hier niet van dergelijke omstandigheden is gebleken. 9 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 10 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6, 7 OLW. 11 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. de Rooij, voorzitter, mrs. A.B.M. Wijnveldt en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (L LU (Invordering van verkeersboeten) ), punt 42. HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 ( O.G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land) ), punt 64. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 ( Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije) ), punt 114. Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 12 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2533. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 42). HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 47).