Rechtbank Amsterdam, 01-07-2026 (13-105198-26)
Rechtbank Amsterdam
Vervolgings-EAB uit Duitsland. Artikel 6 OLW: beroep op terugkeergarantie. Artikel 13 OLW: onvoldoende aanleiding om deze weigeringsgrond toe te passen. Verzoek tot afgifte van de in beslag genomen voorwerpen toegewezen. Overlevering toegestaan.
Case Summary
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-105198-26 Datum uitspraak: 1 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 16 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 7 april 2026 door het Amtsgericht Düsseldorf , Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Raza, advocaat in Rotterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een bevel tot voorlopige hechtenis van het Amtsgericht Düsseldorf van 1 april 2026, met dossiernummer 154 Gs 488/26 (52 Js 243/25, 92 AR 452/25). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon. 4 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De Leitende Oberstaatsanwältin in Düsseldorf heeft op 22 april 2026 de volgende garantie gegeven: “ Uitlevering van de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag]1985 in [geboorteplaats], vanuit Nederland naar Duitsland (…) Met referte aan uw e-mail d.d. 21 april 2026 geven wij u de verzekering dat de opgeëiste persoon in geval van een onherroepelijke veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB L 327 van 5 december 2008, bladzijde 27), zoals gewijzigd, voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland zal worden teruggezonden. ” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. De raadsman heeft verzocht de overlevering van de opgeëiste persoon op grond van artikel 13, eerste lid, onder a, OLW te weigeren ten aanzien van feit 1. Het gaat hier om de uitvoer van verdovende middelen van Nederland naar Duitsland. Gezien de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon, met name zijn gezondheid en zijn thuissituatie, bestaat er geen reden om de overlevering voor feit 1 toe te staan. Daarnaast kan de officier van justitie op grond van het opportuniteitsbeginsel besluiten de opgeëiste persoon voor dit feit in Nederland te vervolgen. De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat de vervolging in Duitsland is aangevangen, de medeverdachten in Duitsland worden vervolgd, de verdovende middelen waren bedoeld voor de Duitse markt, en het Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon te vervolgen voor feit 1. De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: - de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; - de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; - de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; - en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. De rechtbank stelt vast dat, gelet op de omstandigheden die de officier van justitie heeft genoemd, het gegeven dat feit 1 wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen. Wat de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. 7 Overdracht van in beslag genomen voorwerpen De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht te beslissen tot afgifte van twee onder de opgeëiste persoon in beslag genomen mobiele telefoons aan de Duitse autoriteiten. Het is aan de Duitse autoriteiten om te beoordelen of de mobiele telefoons van belang zijn voor het strafrechtelijk onderzoek in Duitsland. De raadsman heeft zich hiertegen verzet. De feiten zijn gepleegd in de periode van december 2024 tot en met 8 januari 2025 en 23 januari 2025. Het is inmiddels juni 2026, waardoor geen redelijk belang (meer) is gediend bij het afgeven van de mobiele telefoons. Daarnaast komt de privacy van de opgeëiste persoon in het gedrang, omdat een smartphone een totaalbeeld kan schetsen van het privéleven. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 49 OLW regelt de mogelijkheid van inbeslagname van voorwerpen die in het bezit van de opgeëiste persoon worden aangetroffen op verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het gaat daarbij volgens de wetgever om voorwerpen ‘die als bewijsstuk kunnen dienen’ of ‘van het strafbare feit afkomstig zijn’ (NV II, Kamerstukken II 2003/04, 29042, 12, p. 36). Artikel 50, tweede lid, OLW bepaalt dat het voor afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moet gaan om voorwerpen die de strafvordering in de uitvaardigende lidstaat kunnen dienen. De rechtbank stelt vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit in onderdeel g) van het EAB heeft verzocht om inbeslagneming van de mobiele telefoon van de opgeëiste persoon, omdat dit mogelijk een bewijsmiddel is. De officier van justitie heeft ter zitting de rechtbank verzocht te beslissen tot afgifte van de twee in beslag genomen telefoons aan de Duitse autoriteiten. De rechtbank acht het verzoek van de officier van justitie voldoende onderbouwd, aangezien de twee in beslag genomen mobiele telefoons kunnen dienen als bewijs en dus de strafvordering in de uitvaardigende lidstaat kunnen dienen. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of de Duitse autoriteiten een redelijk belang hebben bij de afgifte van de in beslag genomen mobiele telefoons. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek tot afgifte van de twee in beslag genomen mobiele telefoons aan de Duitse autoriteiten toe. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. Hieruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen. 9 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6, 7, 13, 49 en 50 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Düsseldorf (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten: een iPhone (zwart) met goednummer PL2100-2026084383-2469773; en een Samsung S22-Ultra (grijs) met goednummer PL2100-2026084383-2469774. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Scheeper, voorzitter, mrs. I. Verstraeten en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 ( O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land) ), punt 64. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 42). HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 47).