Rechtbank Amsterdam, 18-08-2026 (13-142949-26)
Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: uit de aanvullende informatie blijkt dat sprake is geweest van een hoger beroep tegen het verzamelvonnis.
Judgment
De weigeringsgrond is van toepassing, omdat de rechtbank niet kan vaststellen wanneer dit hoger beroep heeft plaatsgevonden en op welke datum het arrest is gewezen. De rechtbank ziet niet af van toepassing van de weigeringsgrond, omdat niet kan worden vastgesteld of de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De onderliggende vonnissen behoeven geen nadere bespreking. De overlevering wordt geweigerd.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-142949-26 Datum uitspraak: 18 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 9 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 april 2026 door the Regional Court in Opole, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieplaats] . hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 29 juli 2026 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 juli 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. Zitting van 11 augustus 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van the Regional Court in Opole van 30 december 2024 met kenmerk III K 38/24 (hierna: verzamelvonnis). Aan het verzamelvonnis liggen de volgende vonnissen ten grondslag: 1) een vonnis van the District Court in Kędzierzyn-Koźle van 29 maart 2016 met kenmerk II K 111/16 (hierna: vonnis 1); 2) een vonnis van the District Court in Strzelce Opolskie van 22 april 2016 met kenmerk II K 935/15 (hierna: vonnis 2); 3) een vonnis van the Regional Court in Opole van 3 juni 2016 met kenmerk III K 54/16 (hierna: vonnis 3); 4) een verzamelvonnis van the Regional Court in Opole van 22 september 2016 met kenmerk III K 110/16 (hierna: vonnis 4), met daaraan onderliggend bovengenoemde vonnissen 1 en 3; 5) een vonnis van the District Court in Kędzierzyn-Koźle van 15 oktober 2017 met kenmerk II K 167/16 (hierna: vonnis 5); 6) een vonnis van the District Court in Strzelce Opolskie van 5 maart 2018 met kenmerk II K 477/16 (hierna; vonnis 6); 7) een vonnis van the District Court in Strzelce Opolskie van 17 november 2022 met kenmerk II K 373/21 (hierna: vonnis 7). De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar en zes maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde verzamelvonnis. Hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, twee maanden en 27 dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt allereerst vast dat het EAB een verzamelvonnis vermeldt, waaraan een zevental onderliggende vonnissen ten grondslag ligt. Dit brengt mee dat zowel de onderliggende vonnissen als het verzamelvonnis moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW, omdat bij de onderliggende vonnissen onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en hem op grond daarvan vrijheidsstraffen zijn opgelegd. Ook het verzamelvonnis valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat daarin de duur van de straffen is gewijzigd en de bevoegde autoriteit daarbij over een beoordelingsmarge heeft beschikt. Het verzamelvonnis met kenmerk III K 38/24 Naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie van 15 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 24 juli 2026 de volgende informatie verstrekt: “(…) in response to questions regarding [de opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] , 1996, in [geboorteplaats] , prosecuted pursuant to the European Arrest Warrant issued by the District Court in Opole on April 15, 2026, in case II Kop 14/26: 1) The combined judgment in case III K 38/24 of December 30, 2024, was issued at the request of [de opgeëiste persoon] 's defense attorney, filed with the District Court in Opole on June 4, 2023. - I confirm that the defendant's defense attorney was present at the hearing during which the judgment was announced. 2) A defense authorization was attached to the motion for the combined judgment. At the hearing, the convict's defense attorney, authorized by the main defense attorney, appeared before the Court. He presented a so-called substitute power of attorney, which is an authorization to represent him with the right to grant further substitution or authorization to represent him. - I confirm that the transcript of the hearing record indicates that the convict was properly notified of the hearing date. 3) It was determined through police intelligence that convict [de opgeëiste persoon] is not residing at either of the two addresses he indicated. The summons for the convict was delivered to his defense attorney, who undertook to notify the convict of the hearing date. 4) The instructions were delivered to [de opgeëiste persoon] 's address indicated by the convict's defense attorney in the application – they were effectively delivered (so-called substitute service through double delivery notification). 5) The requested Section D annexes were sent on July 23, 2026. 6) The address was provided by the convict's defense attorney, and the address was confirmed by the convict upon his departure from prisons in Poland.” Naar aanleiding van door de rechtbank geformuleerde vragen heeft het Openbaar Ministerie op 31 juli 2026 opnieuw vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Op 10 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit onder andere de volgende informatie verstrekt: “In case III K 38/24, the case for a summary judgment was initiated at the request of the convicted person's chosen defense attorney, where in the letter initiating the proceedings, the chosen defense attorney provided the convicted person's address. An official record of the Registry of the District Court in Opole dated December 24, 2024, indicates that a telephone conversation was held with [de opgeëiste persoon] 's chosen defense attorney, additionally informing him of the hearing date, during which the defense attorney agreed to notify the convicted person of the scheduled hearing date. The transcript from the hearing of December 30, 2024, at which the summary judgment was issued, indicates that the defense attorney present at the hearing stated for the record that the convicted person had been notified of the hearing date by his defense attorney. Furthermore, the defense attorney of his choice appealed the summary judgment in favor of the convict to the Court of Appeal in Wrocław, where the convict was also notified of the hearing date at the address provided by the defense attorney. Furthermore, an official note from April 29, 2025, indicates that in a telephone conversation with the defense attorney, it was additionally established that the convict was aware of the appeal hearing date. The convict was not separately advised of his disclosure obligations regarding his whereabouts in the proceedings for the summary judgment.” Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd ten aanzien van het verzamelvonnis. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de procedure in hoger beroep. Het is onduidelijk hoe en wanneer de opgeëiste persoon op de hoogte is gesteld van deze procedure, waardoor niet kan worden vastgesteld of dit tijdig zou hebben plaatsgevonden. De enkele omstandigheid dat de advocaat van de opgeëiste persoon heeft verklaard hem op de hoogte te hebben gesteld is onvoldoende, omdat niet blijkt dat de advocaat gemachtigd was om de opgeëiste persoon tijdens de procedure in hoger beroep te verdedigen. Uit de aanvullende informatie van 24 juli 2026 blijkt enkel dat een waarnemer van deze advocaat in eerste aanleg gemachtigd was. De omstandigheid dat het verzamelvonnis is gewezen op verzoek van de advocaat van de opgeëiste persoon maakt de situatie niet anders, omdat het onduidelijk blijft of deze advocaat gemachtigd was door de opgeëiste persoon. Bovendien is er geen enkele informatie beschikbaar over de datum van het hoger beroep en het wijzen van het arrest en is onbekend of de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen. Dit, terwijl de rechtbank naar aanleiding van de vorige zitting hier wel een vraag over heeft geformuleerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie zich ten aanzien van het verzamelvonnis primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat de advocaat de opgeëiste persoon op de hoogte heeft gesteld van de zittingsdatum en de opgeëiste persoon op zitting is vertegenwoordigd door de advocaat. Het verzamelvonnis is daarnaast gewezen op verzoek van de advocaat van de opgeëiste persoon, waardoor van de opgeëiste persoon verwacht mag worden dat hij de procedure in de gaten houdt. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten aanzien van het verzamelvonnis af kan zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon door de advocaat op de hoogte is gesteld van de procedure en stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit de aanvullende informatie van 10 augustus 2026 blijkt dat sprake is geweest van een hoger beroep tegen het verzamelvonnis the Regional Court in Opole van 30 december 2024 met kenmerk III K 38/24. De rechtbank zal daarom dit hoger beroep bij de Court of Appeal in Wrocław toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat (kennelijk) de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. Uit het EAB en alle aanvullende informatie kan de rechtbank echter niet vaststellen wanneer dit hoger beroep heeft plaatsgevonden en op welke datum het arrest is gewezen. Vermeld is dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 24 juli en 10 augustus 2026 blijkt niet dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De uitvaardigende autoriteit heeft verder niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld of de advocaat, die heeft verzocht een verzamelvonnis te wijzen, daartegen hoger beroep heeft ingesteld en de opgeëiste persoon heeft vertegenwoordigd op de zitting in hoger beroep, daartoe door de opgeëiste persoon was gemachtigd. In dat kader leidt de omstandigheid dat de advocaat de opgeëiste persoon op de hoogte zou hebben gesteld van de zittingsdatum niet tot een ander oordeel. Bovendien is het onduidelijk wanneer de opgeëiste persoon op de hoogte is gesteld van de zittingsdatum van het hoger beroep, waardoor de rechtbank niet kan vaststellen of hij daadwerkelijk tijdig is geïnformeerd en dus in staat is gesteld om daarbij aanwezig te zijn. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, gelet op het ontbreken van de antwoorden op de op 31 juli 2026 gestelde vragen ten aanzien van de adresinstructie. De rechtbank kan derhalve niet vaststellen of de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De overlevering wordt geweigerd. Vonnis 1-7 Het voorgaande brengt met zich mee dat de aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende vonnissen geen nadere bespreking behoeven in het licht van artikel 12 OLW. 5. Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Daarom wordt de overlevering geweigerd. 6 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 12 OLW. 7 Beslissing WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Opole, Polen voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB. HEFT OP de overleveringsdetentie van [de opgeëiste persoon] . Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Vgl. Rb. Amsterdam 16 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6139 en Rb. Amsterdam 28 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3358.