Recital 41
Content
De lidstaten moeten, wat zowel de technische als de organisatorische mogelijkheden betreft, adequaat worden uitgerust om incidenten en risico’s te voorkomen, op te sporen, erop te reageren, ervan te herstellen en te beperken. De lidstaten moeten daarom een of meer CSIRT’s instellen of aanwijzen uit hoofde van deze richtlijn en ervoor zorgen dat zij over voldoende middelen en technische capaciteiten beschikken. De CSIRT’s moeten voldoen aan de in deze richtlijn vastgestelde eisen om te garanderen dat zij over doeltreffende en compatibele capaciteiten beschikken om incidenten en risico’s aan te pakken en om een efficiënte samenwerking op het niveau van de Unie te waarborgen. De lidstaten moeten bestaande computercrisisresponsteams (“computer emergency response teams” — CERT’s) kunnen aanwijzen als CSIRT’s. Om de vertrouwensrelatie tussen de entiteiten en de CSIRT’s te versterken, moeten de lidstaten, indien een CSIRT deel uitmaakt van een bevoegde autoriteit, een functionele scheiding kunnen overwegen tussen de operationele taken van de CSIRT’s, met name met betrekking tot de aan de entiteiten verleende informatie-uitwisseling en bijstand, en de toezichtsactiviteiten van de bevoegde autoriteiten.