WAMCA
Rechtbank
Case Summary
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht vonnis van 15 januari 2025 in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/739486 / HA ZA 24-1 en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/745042 / HA ZA 24-54 van (in de zaak HA ZA 24-1) de stichting STICHTING BESCHERMING PRIVACYBELANGEN , gevestigd te Amsterdam, eiseres, advocaat mr. J.H. Lemstra te Amsterdam, en (in de zaak HA ZA 24-54) de stichting STICHTING MASSASCHADE & CONSUMENT , gevestigd te Oegstgeest, eiseres, advocaat mr. V.A. Zwaan te Amsterdam, tegen 1. de rechtspersoon naar buitenlands recht ALPHABET INC. , gevestigd te Californië, Verenigde Staten van Amerika, 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht GOOGLE LLC , gevestigd te Californië, Verenigde Staten van Amerika, 3. de rechtspersoon naar het recht van Ierland GOOGLE IRELAND LIMITED , gevestigd te Dublin, Ierland, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GOOGLE NETHERLANDS B.V. , gevestigd te Amsterdam, gedaagden, advocaat mr. M.H. de Boer te Amsterdam, Partijen zullen hierna SBP, SMC en Google worden genoemd. De zaak in het kort In deze collectieve actie staat centraal de rechtmatigheid van de verzameling en verwerking van persoonsgegevens door Google als een persoon een dienst of product van Google gebruikt. In deze fase gaat het over de ontvankelijkheid van de eisende stichtingen en de procesfinanciering van die stichtingen. Dit vonnis is als volgt opgebouwd: De procedure. Hier staat welke proceshandelingen er tot aan dit vonnis zijn verricht en welke onderwerpen in dit vonnis wel en niet worden behandeld. De feiten die van belang zijn voor de ontvankelijkheid van SBP en SMC. Het geschil. Hier zijn de vorderingen en de inhoudelijke standpunten van SBP en SMC kort weergegeven en hierin staan de standpunten van partijen over de ontvankelijkheid van SBP en SMC. Rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Hier oordeelt de rechtbank dat zij bevoegd is om deze zaak te behandelen. Toepasselijk collectief actierecht. Hier bepaalt de rechtbank dat op de vorderingen van SBP en SMC het nieuwe collectieve actierecht van toepassing is. Moment van toetsing aan de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA. Hier bepaalt de rechtbank dat het toetsingsmoment voor de ontvankelijkheid ligt ten tijde van dit vonnis en niet ten tijde van de dagvaardingen. Gelijksoortige belangen (artikel 3:305a lid 1 BW). Hier oordeelt de rechtbank dat de door SBP en SMC ingestelde vorderingen voldoen aan het gelijksoortigheidsvereiste. Waarborgvereiste representativiteit (artikel 3:305a lid 2 BW). Hier oordeelt de rechtbank dat SBP en SMC representatief zijn als belangenbehartiger voor de personen voor wie zij willen opkomen. Gewaarborgde belangen (artikel 3:305a lid 2 onder a tot en met f BW). Hier oordeelt de rechtbank dat SBP en SMC voldoen aan de vereisten van artikel 3:305a lid 2 BW. Ontvankelijkheidseisen uit artikel 3:305a lid 3 BW. Hier oordeelt de rechtbank dat SBP en SMC voldoen aan de vereisten van dit artikel. Tussenconclusie over ontvankelijkheidseisen uit artikel 1018c lid 5 aanhef en onder a Rv (en artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW). Een collectieve actie is effectiever en efficiënter (artikel 1018c lid 5 onder b Rv). De vorderingen zijn niet summierlijk ondeugdelijk (artikel 1018c lid 5 onder c Rv). Afsluitende overwegingen en voortgang van de procedure. De beslissing. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding ex artikel 3:305a BW van 12 september 2023 van SBP, met producties 1 tot en met 321, de rolbeslissing van 8 november 2023 waarin het verzoek van SMC tot uitstel voor indienen van een concurrerende dagvaarding is geweigerd, de twee dagvaardingen van 12 december 2023 van SMC, met producties 1 tot en met 40, de rolbeslissing van 21 januari 2024 waarin is verstaan dat een van de twee dagvaardingen van SMC is ingetrokken vanwege een onjuiste termijn voor stellen van Alphabet Inc, Google LLC en Google Ireland Limited, de rolbeslissing van 20 maart 2024, de conclusie van antwoord ten aanzien van ontvankelijkheid en summierlijk ondeugdelijkheid in de zaak ingesteld door SBP, met producties 1 tot en met 33, de conclusie van antwoord ten aanzien van ontvankelijkheid en summierlijk ondeugdelijkheid in de zaak ingesteld door SMC, met producties 1 tot en met 23, het tussenvonnis van 29 mei 2024 waarin een mondelinge behandeling over de eerste fase is gelast, de rolbeslissing van 10 juli 2024 over de inhoud van de mondelinge behandeling en nadere informatie over financiering en beslissing over aantonen representativiteit van SBP en SMC, de akte uitlaten overleggen financieringsovereenkomst van SBP, de akte uitlaten overleggen financieringsovereenkomst van SMC, de antwoordakte inzake overleggen financieringsovereenkomst van Google op de akte van SBP, de antwoordakte inzake overleggen financieringsovereenkomst van Google op de akte van SMC, de rolbeslissing van 18 september 2024 waarin is beslist dat de financieringsovereenkomsten van SBP en SMC moeten worden overlegd, de akte overlegging financieringsovereenkomst van SBP, de akte overlegging financieringsovereenkomst van SMC met producties (E41 en E42), de e-mail van 11 oktober 2024 van de rechtbank met de agenda voor de mondelinge behandeling, de akte houdende overlegging aanvullende producties (E322 en E323) van SBP, de akte uitlating representativiteit, tevens houdende (aanvullende) producties (E324-E333) en eiswijziging van SBP, de akte uitlating representativiteit, met een productie (E43), van SMC, de akte overlegging aanvullende producties E334 en E335 van SBP, de akte overlegging aanvullende producties (G34-G43) van Google op SBP, de akte overlegging aanvullende producties (E44-E50) van SMC, de akte overlegging aanvullende producties (G24 en G25) van Google op SMC, het proces-verbaal van 22 oktober 2024 van de mondelinge behandeling, en de daarin genoemde stukken, de reacties van partijen met aanmerkingen op het proces-verbaal. 1.2. Deze zaak betreft een WAMCA-procedure , als bepaald in artikel 3:305a BW en artikelen 1018b tot en met 1018n (of Boek III, Titel 14A) Rv . Google is dan ook eerst in de gelegenheid gesteld van antwoord te dienen over de ontvankelijkheid van SBP en SMC (artikel 1018c lid 5 Rv). Over dit onderwerp is nader debat gevoerd tijdens de mondelinge behandeling van 22 oktober 2024. 1.3. De vorderingen van SBP en SMC zijn grotendeels gebaseerd op de AVG . In de AVG zijn ook ontvankelijkheidseisen opgenomen voor eisende partijen in een collectieve actie en, volgens Google, ook het vereiste van een opdracht van personen aan de belangenbehartiger voor het vorderen van een schadevergoeding. Over dit onderwerp is op dit moment nog geen debat tussen partijen gevoerd en is geen onderwerp van dit vonnis. De AVG ontvankelijkheidseisen komen dus later in de procedure aan de orde. 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten die van belang zijn voor de ontvankelijkheid van SBP en SMC Over SBP 2.1. Het statutaire doel van SBP is, voor zover hier van belang, het behartigen van de belangen van gebruikers van Google producten en/of diensten van wie op enig moment een schending van hun privacy plaatsvindt of heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden, door het verwerken van persoonsgegevens bij gebruik van een Google dienst of product. 2.2. SBP wordt voor deze procedure gefinancierd door Lieff Cabraser Heimann & Bernstein LLP (verder LCHB), een advocatenkantoor gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika (hierna VS). 2.3. SBP heeft met de Consumentenbond een exclusieve samenwerkingsovereenkomst gesloten. De Consumentenbond houdt 50% van de aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Consumentenbond Claimservice B.V. (CCS). De andere 50% aandelen worden gehouden door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Consumentenclaim B.V. CCS verzorgt het administratief verwerken van de aanmeldingen voor deelname aan de collectieve actie van SBP. De Consumentenbond en CCS hebben voor de financiering van bepaalde activiteiten overeenkomsten gesloten met LCHB. 2.4. SBP heeft bij brief van 30 augustus 2022 Google uitgenodigd voor overleg. In die brief heeft SBP geschreven dat Google met haar bedrijfsactiviteiten privacywetgeving zou schenden. Na een verzoek om nadere informatie door Google hebben SBP en Google uiteindelijk op 13 juli 2023 overleg gehad over de standpunten van SBP. Over SMC 2.5. Het statutaire doel van SMC is, voor zover hier van belang, de belangen te behartigen van consumenten en kleine ondernemingen – met woonplaats in Nederland – in het algemeen, en deelnemers van de stichting in het bijzonder, door onder andere het voeren van gerechtelijke procedures met collectieve rechtsvorderingen. 2.6. SMC wordt voor deze procedure gefinancierd door Eaton Hall Funding LLC (verder: Eaton Hall), een rechtspersoon gevestigd in de VS. Eaton Hall heeft banden met het Amerikaanse advocatenkantoor Grant & Eisenhofer (verder: G&E). 2.7. De advocaten van SMC hebben Google bij brief van 23 november 2023 uitgenodigd voor overleg. In deze brief wordt gemeld dat technisch onderzoek is uitgevoerd naar de wijze waarop Google de persoonsgegevens van alle Android-apparaten verwerkt en dat dit volgens SMC in strijd is met een aantal wetten en jurisprudentie daarover. Google heeft voor een overleg voorwaarden gesteld aan SMC, waaraan SMC niet heeft voldaan. In 2024 hebben SMC en Google uiteindelijk wel overleg gehad. Over Google 2.8. Google biedt allerlei internettoepassingen aan zoals Google Search, Google Shopper, Google Maps, Google Chrome, Gmail, Google Play, YouTube, Google Docs (en Sheets en Slides), Google Translate, Google Drive en Google Calendar. Voor consumenten zijn deze diensten gratis met vertoning van advertenties. 2.8.1. Het vertonen van advertenties aan de gebruiker gebeurt door middel van een Real Time Bidding veiling (RTB-veiling). Google is op verschillende manieren actief in de online advertentiemarkt en heeft daarvoor verschillende diensten: Google Ads, Google AdSense en Google Ad Exhange. 2.8.2. De RTB-veiling vindt plaats op de achtergrond op het moment dat een persoon een website met advertentieruimte bezoekt of een app opent waarin advertenties worden getoond. In een RTB-veiling wordt de advertentieruimte van een website of in een app verkocht aan de hoogste bieder. Er zijn verschillende aanbieders van RTB-veilingen. De eigenaar van een website of app bepaalt welke RTB-veiling wordt gebruikt. Google Ad Exchange is het meest gebruikte Real Time Bidding veilingsysteem op internet. 2.8.3. Voor het gebruik van Google Ad Exchange stelt Google een profiel samen van de gebruiker en verstrekt dit profiel aan de veilingdeelnemers (de bedrijven die willen adverteren). Op basis van dat profiel beslist de veilingdeelnemer of een bod wordt gedaan voor advertentie van haar producten, en zo ja met opgave van een prijs-offerte. 2.9. Daarnaast biedt Google ook andere b2b-diensten aan, zoals Google Analytics, Firebase, Google Cloud en Google Workspace. Deze diensten zijn tegen betaling door bedrijven en overheidsinstellingen te gebruiken. 2.10. Verder biedt Google een software systeem aan voor smartphones met het Android-besturingssysteem. Deze software (Google Play Services, niet te verwarren met de online winkel voor apps Google Play) is middleware tussen de applicaties (apps) op die apparaten en het onderliggende Android operating systeem. Google Play Services is onderdeel van Google Mobile Services en wordt alleen aangeboden op apparaten van fabrikanten die een overeenkomst met Google hebben gesloten (en het Android-besturingssysteem gebruiken). 2.11. Google Play Services helpt ervoor te zorgen dat apps van Google of andere partijen veilig en correct kunnen werken op alle verschillende varianten van Android. Google Play Services biedt daarnaast de volgende mogelijkheden: 2.11.1. Een ontwikkelaar van Android-apps kan gebruik maken van Google Play Services (als dat op die smartphone is geïnstalleerd uiteraard) via Application Programming Interface (API) en Software Development Kit (SDK) die Google beschikbaar stelt aan die ontwikkelaar. Een voorbeeld is de MAPS API die het mogelijk maakt om Google Maps te integreren in de app. Een ander voorbeeld is de Firebase SDK waarmee een app informatie kan opvragen van Google Play Services (bijvoorbeeld de locatie van de app-gebruiker, of het tijdstip of de datum). 2.11.2. Op bijna alle merken smartphone met Android-besturingssysteem is Google Play Services geïnstalleerd. Dit hangt af van de overeenkomst die de producent van de telefoon sluit met Google. De meeste producenten hebben een overeenkomst met Google die daarin voorziet. 2.12. Andere Google-producten zijn: smartphones (Pixel) met een Android-besturingssysteem en Google Play Services Chromebooks, Google Nest en Google Home (smart home-productlijnen met WiFi verbinding voor luidsprekers, thermostaten, rookmelders, beveiligingscamera’s, deurbellen, entertainment apparatuur en ook huishoudelijke apparaten als wasmachines), Google WiFi (draadloze routers voor thuis), Google Fitbit (draagbare technologie zoals fitnesstracker en smartwatches). 3 Het geschil 3.1. De volledige vorderingen van SBP en SMC zijn opgenomen in Bijlage 1 en Bijlage 2 achter dit vonnis. De vorderingen van SBP en SMC zijn, voor zover van belang op dit moment, op te splitsen in drie hoofdonderwerpen: (i) verklaringen voor recht dat Google onrechtmatig jegens de achterban van SBP en SMC handelt, (ii) veroordeling tot betaling van een schadevergoeding (zowel immaterieel als materieel) en (iii) aan Google op te leggen geboden en verboden. Standpunten SBP – over het handelen van Google 3.2. Centraal in de stellingen van SBP staat dat Google onrechtmatig jegens de gebruikers handelt door bovenmatig veel gegevens van gebruikers te verzamelen, te bundelen en te verwerken. Die gegevensverwerking is onder te verdelen in vijf categorieën: het combineren van bovenmatig veel gegevens verkregen uit verschillende producten en diensten, de verwerking van locatiegegevens, het voortdurend volgen van het onlinegedrag van alle gebruikers van haar diensten, het delen van deze persoonsgegevens met derden bij RTB-veilingen, de doorgifte van persoonsgegevens naar de VS. Met deze vijf categorieën van verwerkingen schendt Google het grondrecht op privacy, het Nederlandse en Europese gegevensbeschermingsrecht (met name de Wbp en de AVG) en het consumentenrecht (waaronder het verbod op oneerlijke handelspraktijken). Meer specifiek schendt Google de volgende wettelijke beschermingsregels: het beginsel van dataminimalisatie en de vereisten van privacy by design en privacy by default door de wijze waarop zij gegevens verzamelt en verwerkt; haar informatieplichten door gebruikers niet of onvoldoende te informeren over de verwerking van hun persoonsgegevens; het grondslagvereiste doordat daadwerkelijke toestemming van consumenten voor haar praktijken ontbreekt; het verwerkingsverbod door bijzondere persoonsgegevens te verwerken; het toepasselijke doorgifteverbod door gegevens op te slaan op servers in de VS. Door de verkoop van alle op onrechtmatige wijze verzamelde persoonsgegevens is Google bovendien ongerechtvaardigd verrijkt. 3.2.1. Google domineert met haar diensten en producten het online leven van consumenten. Daarmee stelt Google zichzelf in staat op zeer grote schaal persoonsgegevens te verzamelen en te verwerken ten behoeve van haar advertentiediensten. Met elke consumentendienst of product van Google verzamelt zij persoonsgegevens van de gebruiker. Google verwerft deze deels door van gebruikers te verlangen dat zij persoonlijke informatie verstrekken om gebruik te maken van de diensten. Gebruikers dienen vaak een account aan te maken, waarbij zij persoonsgegevens verstrekken zoals naam, e-mailadres, en (optioneel) telefoonnummer, adres en betalingsinformatie (bijv. creditcardgevens). Ook op indirecte wijze verzamelt Google persoonsgegevens uit openbaar toegankelijke bronnen en via vertrouwenspartners, marketingpartners en adverteerders. Het Google privacybeleid op de website van Google wordt bovendien regelmatig aangepast. Dit alles is onoverzichtelijk voor de gemiddelde gebruiker, die niet weet op welke wijze zijn persoonlijke gegevens worden verwerkt in welke dienst en niet weet dat die verzamelde gegevens worden gekoppeld bij een verder gebruik van internet voor de verkoop aan derden. Een gemiddelde gebruiker zal ook niet precies weten waarvoor toestemming wordt verleend als Google vraagt om toestemming voor het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens van de gebruiker. 3.2.2. Als iemand een Google-dienst gebruikt, bijvoorbeeld YouTube of Google Maps, kan Google het gedrag van die persoon blijven volgen. Voor een internetgebruiker is het vrijwel onmogelijk om geen gebruik te maken van een van de Google-diensten, maar zelfs zonder gebruik te maken van zo’n dienst ontkomt men niet aan de verwerking van de persoonsgegevens door Google. Google verkrijgt via de mobiele Android-apparaten voortdurend locatiegegevens van gebruikers, waardoor Google hen overal kan volgen. Voor gebruikers van een Android telefoon is geen ontsnappen aan de verzameldrift van persoonsgegevens door Google. Dit geldt ook voor gebruikers van andere Google-producten zoals Google WiFi en Google Home. Een andere methode van het verzamelen van persoonsgegevens door Google is het gebruik van cookies op websites van Google, en verder door cookies op websites van derden. Google bundelt de door haar per dienst of product verzamelde persoonsgegevens. Dit gebeurt ook wanneer de gebruiker niet actief een Google-dienst gebruikt en zelfs als de telefoon niet wordt gebruikt. Met name de fysieke locatie van gebruikers wordt door Google constant en continu bijgehouden. Dit is een vorm van surveillance door Google. Locatiegegevens onthullen veel meer dan iemands geografische bewegingen alleen. Door middel van (analyse van) locatiegegevens kan ook de persoonlijke levensstijl, keuzes en voorkeuren van een individuen worden vastgesteld. Locatiegegevens onthullen daarmee (potentieel) zeer gevoelige en voor partijen als Google uiterst waardevolle persoonsgegevens. Met Firebase SDK heeft Google ook toegang tot locatiegegevens van de gebruiker van een app van een ander bedrijf dan Google als in die app de locatiegegevens worden opgevraagd en gedeeld met Google. De door Google verzamelde locatiegegevens van een gebruiker worden voor een lange tijd opgeslagen en worden gebundeld met andere persoonsgegevens om die te gebruiken bij de verkoop (RTB-veiling) van advertentieruimte aan derde partijen. Daarbij krijgen derden dus inzage in de door Google verzamelde persoonsgegevens van een gebruiker. 3.2.3. In 2012 heeft Google een nieuw privacybeleid opgesteld waarmee het voor haar mogelijk is geworden dat de gegevens die zij per dienst of product verzamelt, gekoppeld werden aan de persoonsgegevens die zij verzamelt in andere diensten en producten. Dit nieuwe beleid van Google stelde haar in staat om gebruikers gemakkelijker te volgen, betere profielen op te maken en gerichtere advertenties te laten sturen naar de websites of apps waarvan die persoon op dat moment gebruikmaakte. In 2016 is dit beleid verder aangescherpt voor het bundelen van informatie verkregen uit cookies. 3.2.4. Door deze verzameling en verwerking van een grote hoeveelheid persoonsgegevens zijn consumenten de controle over hun persoonsgegevens kwijtgeraakt. Die consumenten hebben geen toestemming gegeven voor deze veel omvattende verzameling van persoonsgegevens door Google, althans voor een consument is niet te overzien welke gegevens over die consument op welk moment door Google worden verzameld en verwerkt, aldus steeds SBP. Standpunten SBP – over haar ontvankelijkheid in deze collectieve actie 3.3. Voor zover van belang voor de ontvankelijkheid van SBP, stelt zij dat zij aan alle ontvankelijkheidsvereisten voldoet. 3.3.1. SBP definieert de Relevante Periode voor de door haar ingestelde collectieve actie als de periode vanaf 1 maart 2012 tot (eind)vonnis wordt gewezen in de hoofdzaak. 3.3.2. SBP stelt dat zij opkomt voor “de belangen van alle op enig moment in de Relevante Periode in Nederland wonende gebruikers van diensten en producten van Google” en dat naar schatting het gemiddeld aantal gebruikers van de twee grootste diensten (YouTube en Google Search) neerkomt op zo’n 15 miljoen Nederlanders. Tot het moment van dagvaarding hebben tienduizenden personen hun steun uitgesproken voor deze collectieve actie. 3.3.3. De Consumentenbond heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar SBP. De samenwerking met de Consumentenbond verstevigt het centraal stellen van de belangen van de personen waarvoor SBP opkomt in deze collectieve actie. CCS verzorgt ook het registratieproces voor andere collectieve acties, zoals die tegen Meta en TikTok. 3.3.4. Naast de Consumentenbond is openlijk steun verklaard aan SBP door BEUC (The European Consumer Organisation), NOYB (none of your business – European Center for Digital Rights), Privacy First, Waag Futurelab, AlgorithmWatch en Bits of Freedom. Standpunten SMC – over het handelen van Google bij gebruik van een Android smartphone 3.4. Centraal in de stellingen van SMC staat dat van de gebruikers van Android telefoons op onredelijke en onwettige wijze te veel gegevens worden verwerkt door Google voor verkoop op de internetadvertentiemarkt. Kort samengevat stelt SMC dat Google in strijd handelt met de AVG en de Telecommunicatiewet. Daarnaast maakt Google zich schuldig aan oneerlijke handelspraktijken en handelt zij onrechtmatig jegens de gebruikers van een Android smartphone. 3.4.1. Samengevat betoogt SMC dat zij in overleg met G&E een onderzoek heeft laten verrichten naar de wijze waarop persoonsgegevens worden verzameld en verwerkt bij het gebruik van een Android smartphone. Daaruit is gebleken dat dit grootschalig en zo goed als onbeperkt gebeurt op een Android smartphone met Google Play Services en de daarin opgenomen Firebase SDK. Apps voor Android maken gebruik van Firebase SDK voor het opvragen en opslaan van gegevens. Daarbij houdt Google Play Services – dus Google – ook bij welke app wanneer, voor hoe lang en vanaf welke locatie wordt gebruikt door de gebruiker van de Android smartphone. Dit gaat door ook als de gebruiker de smartphone niet gebruikt. Daardoor verwerkt en verzamelt Google veel persoonsgegevens van die gebruikers, veelal zonder noodzaak of goede reden en slechts met het doel die persoonsgegevens te verkopen aan adverteerders. De gebruiker van de Android smartphone heeft geen idee op welke wijze Google gegevens blijft verzamelen, aldus steeds SMC. Standpunten SMC – over haar ontvankelijkheid in deze collectieve actie 3.5. Voor zover van belang voor de ontvankelijkheid van SMC, stelt zij dat zij aan alle ontvankelijkheidsvereisten voldoet. 3.5.1. SMC definieert de Relevante Periode voor de door haar ingestelde collectieve actie als de periode vanaf 28 mei 2018 tot (eind)vonnis wordt gewezen in de hoofdzaak. 3.5.2. SMC stelt dat zij opkomt “voor alle natuurlijke personen die gewoonlijk in Nederland verblijven en na 25 mei 2018 een Android-smartphone hebben gebruikt” en dat naar schatting ruim 9 miljoen Nederlanders gebruik maken van een Android telefoon. 3.5.3. Bij de voorbereiding van deze collectieve actie is SMC verrast door het instellen van een ogenschijnlijk zelfde collectieve actie door SBP. SMC heeft een verzoek ingediend om uitstel te verkrijgen voor het instellen van haar dagvaarding. Dat verzoek is geweigerd. Toen moest in alle haast de dagvaarding worden afgemaakt. Verder moest toen het definitieve rapport van het technisch onderzoek naar het verwerken van persoonsgegevens op een Android smartphone worden afgerond. Gedurende dat onderzoek was SMC in overleg met G&E, en ook met Eaton Hall voor procesfinanciering van een collectieve procedure in Nederland. Dit overleg moest ook worden versneld na de weigering van het verzoek de dagvaarding later te mogen instellen. Onder deze omstandigheden is achterwege gebleven vooraf ruchtbaarheid te geven aan de collectieve actie (eerst moest een dagvaarding op tijd worden ingesteld) of een website open te stellen voor aanmeldingen van Android-gebruikers voor deze actie. Nadat de dagvaarding is uitgebracht is de financieringsovereenkomst met Eaton Hall gesloten, waarna SMC een website heeft laten maken voor het aanmelden van personen wier belangen SMC in deze collectieve actie behartigt. 3.5.4. Google is uitgenodigd voor overleg maar heeft daaraan onredelijke voorwaarden gesteld, bijvoorbeeld over precisering van de grootte van de achterban van SMC. Vervolgens is de dagvaarding uitgebracht en heeft SMC verder onderhandeld over de financieringsovereenkomst. Pas nadat die was gesloten heeft SMC de procedure nader aangekondigd op haar website en heeft zij de aanmelding van personen voor deze procedure opengesteld. Op dit moment voldoet SMC dus aan alle eisen, aldus steeds SMC. Verweer Google over ontvankelijkheid SBP en SMC 3.6. De toets van ontvankelijkheid dient volgens Google te worden gedaan aan de hand van de feiten en omstandigheden op het moment van dagvaarding, in ieder geval wanneer het betreft de representativiteit van de eisende partij en de vraag of de collectieve vertegenwoordiging kan worden toevertrouwd aan die eisende partij (door een goede governance). Dit volgt uit de bepalingen en de wetsgeschiedenis van Boek III, Titel 14A Rv. Ter zake SBP specifiek 3.7. SBP is niet ontvankelijk omdat haar vorderingen zich niet lenen voor bundeling zodat geen sprake is van gelijksoortige belangen. Evenmin kan worden vastgesteld dat een collectieve actie effectiever en efficiënter is. SBP voldoet niet aan het waarborgvereiste, zij is te afhankelijk van haar financier (LCHB), met name de inhoudelijke kennis en deskundigheid noodzakelijk in deze procedure komt volledig van LCHB. SBP is niet representatief want zij heeft haar achterban ingekocht bij de Consumentenbond. SBP verzuimt concreet te maken op welke schadeveroorzakende gebeurtenissen zij haar vorderingen baseert, en wanneer die gebeurtenissen zich zouden hebben voorgedaan. 3.7.1. Google betoogt verder dat SBP haar stellingen over ‘surveillance’ grotendeels heeft gebaseerd op twee beleidswijzigingen van Google in 2012 en 2016. De beleidswijziging uit 2012 is goedgekeurd door de AP en de koppeling van de verzamelde persoonsgegevens behoeft toestemming van de gebruiker. Deze beleidswijziging is dus niet in strijd met enige wet. Vanaf 2016 is informatie van geauthentiseerde gebruikers over gebruik van derde websites en apps met toestemming van de gebruiker verzameld. Dit kan niet onrechtmatig of in strijd met de wet zijn. Bovendien is de beleidswijziging 2016 gemeld aan verschillende Europese toezichthouders die tot op heden geen bezwaren hebben geuit. 3.7.2. Verder volgt volgens Google uit het bovenstaande dat de door SBP gestelde gebeurtenissen (de beleidswijzigingen uit 2012 en 2016) hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, zodat op de vorderingen van SBP het oude collectieve actierecht van toepassing is en niet de WAMCA. 3.7.3. Gezien de lange periode die de vorderingen bestrijken, en bij gebreke van een duidelijke stellingname van SBP over de concrete schadeveroorzakende gebeurtenissen, stelt Google zich bovendien vooralsnog op het standpunt dat de vorderingen van SBP op grond van artikel 3:310 BW zijn verjaard voor zover de relevante gebeurtenissen zich hebben voorgedaan vóór 12 september 2018 dan wel vóór 30 augustus 2017. In zoverre moeten de vorderingen van SBP worden aangemerkt als summierlijk ondeugdelijk dan wel moet SBP in die vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus steeds Google. Ter zake SMC specifiek 3.8. SMC is niet ontvankelijk omdat haar vorderingen zich niet lenen voor bundeling zodat geen sprake is van gelijksoortige belangen. Evenmin kan worden vastgesteld dat een collectieve actie effectiever en efficiënter is. Daarnaast beschikte SMC ten tijde van de dagvaarding niet over enige achterban en heeft zij voorafgaand aan de dagvaarding geen enkele ruchtbaarheid gegeven aan haar voornemen om Google te dagvaarden. Evenmin heeft SMC een tijdig verzoek aan Google gedaan voor overleg. SMC beschikte op moment van dagvaarding niet over een website met informatie over deze collectieve actie. Dit alles getuigt niet van een behoorlijke behartiging van de belangen van de potentiële achterban. SMC is in haar dagvaarding onvoldoende transparant over de procesfinancier en welke rol die speelt in het feitenonderzoek waarop SMC haar stellingen over de gegevensverwerking op Android smartphones heeft gebaseerd. Dit geldt ook voor de betrokkenheid van G&E bij dat onderzoek en gedurende deze procedure, aldus steeds Google. 3.9. Op de stellingen van partijen over de ontvankelijkheid van SBP en van SMC wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 Rechtsmacht van de Nederlandse rechter 4.1. Google is verschenen en heeft verweer gevoerd over de ontvankelijkheid van SBP en SMC. Daarbij heeft zij ook gemeld de bevoegdheid van deze rechtbank niet aan de orde te zullen stellen. 4.2. Alphabet Inc, Google LLC en Google Ireland Limited zijn gedagvaard voor deze rechtbank en niet voor een rechter in hun respectieve woonplaatsen in het buitenland. Daarom dient ambtshalve te worden vastgesteld dat deze rechtbank rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen van SBP en de vorderingen van SMC op deze drie gedaagde partijen. 4.3. Het geschil dat SBP en SMC aanhangig hebben gemaakt tegen Google valt onder het toepassingsbereik van Brussel I-bis (dat van toepassing is voor de zaak ten aanzien van Google Ireland Limited). Verder staan de rechtsbetrekkingen tussen partijen ter vrije bepaling (artikel 9 Rv, dat van toepassing is ten aanzien van Alphabet Inc en Google LLC). Aan de formele vereisten van deze toepasselijke regelgeving is dus voldaan. Omdat Google is verschenen zonder de bevoegdheid van deze rechtbank te betwisten, wordt de rechtsmacht van deze rechtbank in dit geschil vastgesteld op grond van de stilzwijgende forumkeuze van partijen (artikel 26 lid 1 Brussel I-bis ten aanzien van Google Ireland Limited, artikel 9 Rv ten aanzien van Alphabet Inc en Google LLC). 5 Toepasselijk collectief actierecht 5.1. Volgens het overgangsrecht is de WAMCA van toepassing op gedingen die aanhangig zijn gemaakt op of na het tijdstip van het in werking treden van de wet en die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016. 5.2. Beide dagvaardingen zijn uitgebracht na inwerkingtreding van de WAMCA. 5.3. Op de rechtsvorderingen van SMC is de WAMCA-regelgeving van toepassing omdat zij (uitsluitend) gebeurtenissen van na 25 mei 2018 aan de orde heeft gesteld. 5.4. Google heeft aangevoerd dat SBP geen duidelijke omschrijving heeft gegeven van de beweerde onrechtmatige gebeurtenissen en dat uit de stellingen van SBP eigenlijk wordt afgeleid dat die beweerde onrechtmatige gebeurtenissen zijn de beleidswijzigingen uit 2012 en 2016. Deze hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, zodat het oude collectieve actierecht van toepassing is op de rechtsvorderingen van SBP, aldus Google. 5.5. SBP heeft gesteld dat het in deze procedure gaat om onrechtmatig handelen van Google dat begonnen is bij het combineren van gegevens van verschillende diensten en producten in 2012 en is uitgebreid in 2016 met het combineren van deze gegevens met de gegevens die het verwerkt met gebruik van third-party cookies en vergelijkbare technologieën. Dit alles bestaat uit een groot aantal schendingen van het gegevensbeschermingsrecht en het consumentenrecht die voortduren tot (in ieder geval) heden. Dit brengt mee dat het onrechtmatig handelen van Google dan wel de schadeveroorzakende gebeurtenissen doorlopen na 15 november 2016 en dat de WAMCA van toepassing is, aldus SBP. 5.6. In het kader van de voorvraag welk collectief actierecht van toepassing is, hoeft de rechtbank de zaak nog niet ten gronde te onderzoeken. Voor deze voorvraag is van belang welke gestelde onrechtmatige gedragingen SBP aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Rekening houdend met wat partijen daarover hebben aangevoerd, bepaalt de rechtbank wanneer de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden. De gestelde onrechtmatige gedraging wordt hier dus nog niet ten gronde inhoudelijk beoordeeld. 5.7. De vraag is of de door SBP gestelde inbreuken kwalificeert als een individuele inbreuk ten tijde van de implementatie van het gestelde beleid (zoals Google voorstaat) of dat sprake is van één voortdurende inbreuk die op dat moment is aangevangen en nog steeds voortduurt (zoals SBP betoogt). 5.8. In het kader van de beantwoording van de voorvraag naar het toepasselijk collectief actierecht is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van gestelde schadeveroorzakende gebeurtenissen die voortduren. Uit de stellingen van SBP volgt dat de implementatie van het gestelde beleid het beginpunt is van de beweerde schadeveroorzakende gebeurtenissen. Verder leidt het blijven uitvoeren en het niet opheffen van dat beleid ertoe dat die beweerde schadeveroorzakende gebeurtenissen blijven voortduren. De door SBP gestelde inbreuken zijn immers het verzamelen van persoonsgegevens in verschillende diensten en producten van Google en het vervolgens koppelen van die verzamelde persoonsgegevens voor de verkoop van advertentieruimte op websites en in apps en het doorgeven van die verzamelde persoonsgegevens aan derden, en daarbij die persoonsgegevens exporteren naar de VS. Deze gestelde inbreuk is volgens SBP begonnen na de beleidswijziging uit 2012 en duurt voort tot de dag van vandaag. Daarnaast heeft SBP als inbreuk gesteld het verzamelen van persoonsgegevens van gebruikers uit cookies van websites van derden, hetgeen mogelijk is geworden door de beleidswijziging uit 2016. Ook die gestelde inbreuk duurt tot op de dag van vandaag voort. 5.9. Het voorgaande brengt mee dat de WAMCA van toepassing is op de vorderingen van SBP jegens Google. 5.10. Deze uitkomst sluit ook aan bij de ratio van het overgangsrecht. De kern van het overgangsrecht van de WAMCA is dat het nieuwe recht van toepassing is als de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden na 15 november 2016. De ratio hiervan is dat oude gebeurtenissen niet worden beoordeeld op grond van nieuw recht waar een partij destijds nog geen rekening mee behoefde te houden. Dit is anders bij een gebeurtenis die weliswaar is aangevangen voordat inwerkingtreding van de WAMCA te verwachten was (dus voor 15 november 2016), maar voortduurt na dat moment. In dat geval had de schadeveroorzaker er wel op bedacht kunnen zijn dat zij ook op grond van het nieuwe recht aangesproken kon worden als zij voortging met de gedraging. In dit geval heeft Google door te kiezen voor continuatie van haar beleid ná 15 november 2016 geaccepteerd dat zij hiervoor aangesproken kon worden op grond van het nieuwe recht. Bovendien is door de invoering van de WAMCA het materiële recht, op grond waarvan wordt beoordeeld of iets onrechtmatig is, niet veranderd; alleen de wijze waarop de schade kan worden gevorderd is veranderd. Er is dus geen sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. 5.11. De verdere verweren van Google komen in de inhoudelijke fase van de procedure aan de orde. Deze verweren kunnen niet inhoudelijk worden getoetst in de ontvankelijkheidsfase van een WAMCA-procedure. 6 Moment van toetsing aan de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA 6.1. Over de ontvankelijkheid van de eisende partij in een WAMCA procedure is in artikel 1018c lid 5 Rv bepaald dat moet worden voldaan aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW, aannemelijk moet worden gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen en niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering. 6.2. Google heeft in haar verweer over de ontvankelijkheid van SBP en SMC betoogd dat de ontvankelijkheidseisen moeten worden getoetst aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van de dagvaarding. In artikel 1018c lid 1 aanhef en onder d Rv staat dat de dagvaarding een omschrijving vermeldt van de wijze “waarop voldaan is aan de ontvankelijkheidseisen” van artikel 3:305a eerste tot en met derde lid BW. Daaruit volgt dat de stichtingen ten tijde van de dagvaarding moeten voldoen aan de eisen uit artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW, met name over de representativiteit en de governance en hoe de eisende partijen zijn georganiseerd en hoe het toezicht op het bestuur is geregeld). Dit is bevestigd in het arrest van 11 maart 2022 van de Hoge Raad . Bovendien is in de wetsgeschiedenis hierover vermeld dat “op voorhand duidelijk moet zijn dat zij [de eisende partij, rb] kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de groep getroffen gedupeerden opkomt.” De toets of SBP en SMC voldoen aan die wettelijke vereisten dient dus ex tunc (naar de feiten op het moment van dagvaarding) te worden gedaan, aldus steeds Google. 6.3. In het arrest van 11 maart 2022 van de Hoge Raad ging het om een verzoek voorlopig getuigenverhoor ter voorbereiding van een collectieve actie. Geoordeeld is dat zo’n verzoek kan worden afgewezen als niet aannemelijk is dat de verzoekende belangenorganisatie voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW. In de situatie die daar aan de orde was, was dus nog geen sprake van een ingestelde vordering. Er kan dan ook niet zonder meer uit worden afgeleid naar welk moment de ontvankelijkheid moet worden beoordeeld nadat de vordering is ingesteld. SBP en SMC hebben wel collectieve vorderingen ingesteld. 6.4. In artikel 1018c lid 1 onder d Rv is bepaald dat in de dagvaarding moet zijn opgenomen op welke wijze de eisende partij voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW. Anders dan Google heeft betoogd volgt uit de woorden “op voorhand” in de memorie van toelichting op de WAMCA niet noodzakelijkerwijs dat de eisende partij op het moment van dagvaarden aan alle ontvankelijkheidseisen moet voldoen. Het gebruik van die woorden “op voorhand” duidt er veeleer op dat de rechter op basis van het tot dan toe gevoerde debat de ontvankelijkheidsbeslissing neemt. Deze uitleg maakt het mogelijk om rekening te houden met de actuele stand van zaken, zodat de beslissing het meest recht doet aan de materiële werkelijkheid. 6.5. Dit geldt met name voor de representativiteit (of het aantal aan- of steunmeldingen voor een collectieve actie). De ratio van de verscherping van de ontvankelijkheidseisen in een WAMCA procedure is onder meer gelegen in de wens tot het weren van ongewenste eisers, waarbij vooral gedacht is aan eisers met (financiers met) oneigenlijke, eigen commerciële beweegredenen en aan eisers die niet op hun taak berekend zijn. De representativiteit van een eisende partij in een collectieve actie is een dynamisch gegeven dat gedurende de aanhangige procedure aanzienlijk kan veranderen. Het ligt daarom voor de hand om de representativiteit van de eisende partij te toetsen op het moment dat in de procedure wordt beslist over de ontvankelijkheid van de eisende rechtspersoon op grond van artikel 1018c lid 5 Rv. Uit de tekst van de wet of de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat de toets van representativiteit van een eisende partij in een collectieve actie dient plaats te vinden naar het aantal aanmeldingen bij de eisende partij op het moment van dagvaarding. 6.6. Google heeft aangevoerd dat het overlegvereiste van artikel 3:305a lid 3 onder c BW geen zin heeft als een stichting met een collectieve vordering op dat moment niet over een achterban beschikt (zoals SMC in dit geval, waarover onder 6.7 meer). Tot op zekere hoogte kan dit verweer van Google worden gevolgd. Uit de wetsgeschiedenis volgt echter dat bij de introductie van het nieuwe collectieve actierecht vooral aandacht is besteed aan een adequate wijze van vertegenwoordiging van de achterban door de belangenbehartiger. Uit niets blijkt dat dit (politieke) debat gericht is geweest op representativiteit van de eisende partij, anders dan dat de belangenorganisatie moet omschrijven voor welke groep personen zij opkomt, of dat die moet worden getoetst op het moment van dagvaarden. 6.7. Specifiek ten aanzien van SMC heeft Google aanvullend aangevoerd dat SMC op het moment van dagvaarding geen achterban had en verder niet voldeed aan enkele andere waarborgvereisten: de website van SMC bevatte geen informatie over deze collectieve actie en SMC heeft pas vier maanden na de dagvaarding een financieringsovereenkomst gesloten met Eaton Hall. Om deze reden dient SMC niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus steeds Google. 6.7.1. In aanvulling op de voorgaande overwegingen over het moment van toetsen aan de ontvankelijkheidseisen wordt overwogen dat dit alles in dit geval niet aan SMC kan worden tegengeworpen. Van belang is dat SMC in de voorbereiding van haar collectieve actie kennelijk is verrast door een vergelijkbare collectieve actie van SBP. Na de weigering van het verzoek van SMC tot uitstel, heeft zij binnen een termijn van drie maanden na de dagvaarding van SBP haar dagvaarding moeten instellen en afspraken moeten maken met Eaton Hall over procesfinanciering. Pas nadat dit alles was afgerond, was SMC in de gelegenheid om een achterban te verwerven en de afspraken met Eaton Hall schriftelijk vast te leggen. 6.7.2. Verder geldt dat SMC vaker collectieve acties heeft ingesteld – ook over andere onderwerpen dan de AVG – en daarin ook ontvankelijk is geoordeeld. Zij is geen ad hoc stichting speciaal opgericht voor de collectieve vordering op Google. Er zal met andere woorden minder snel sprake zijn van een situatie dat een ongewenste eiser moet worden geweerd door middel van verscherpte ontvankelijkheidseisen (zie hiervoor 6.5). 6.7.3. Bovenstaande omstandigheden geven aanleiding om het verweer van Google te verwerpen dat SMC niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij ten tijde van de dagvaarding niet voldeed aan bepaalde ontvankelijkheidsvereisten. 6.8. De ontvankelijkheidseisen uit artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW zullen voor beide stichtingen worden getoetst op basis van de feiten en omstandigheden zoals die zijn op het moment van de mondelinge behandeling gehouden op 22 oktober 2024. 7 Gelijksoortige belangen (artikel 3:305a lid 1 BW) 7.1. In artikel 3:305a lid 1 BW zijn als vereisten aan een eisende partij in een collectieve vordering opgenomen de rechtspersoonlijkheid van de eisende partij, de gelijksoortigheid van de belangen behartigd door die eisende partij en dat die belangen voldoende zijn gewaarborgd. 7.2. SBP en SMC zijn beide stichtingen. Gesteld noch gebleken is dat de door ieder van SBP en SMC ingestelde collectieve vorderingen zich niet laten verenigen met haar statuten. 7.3. Artikel 3:305a lid 1 BW bevat verder het zogeheten gelijksoortigheidsvereiste: een belangenorganisatie kan (slechts) een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen. Aan deze eis is voldaan als de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Aldus kan immers in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden. standpunt Google over gelijksoortigheid in deze collectieve actie 7.4. Google heeft – samengevat – aangevoerd dat zij voor verschillende diensten en producten op verschillende wijze persoonsgegevens verwerkt. Die diensten en de wijze van verwerken van persoonsgegevens kunnen eigenlijk niet met elkaar worden vergeleken of verweven. Google betoogt als volgt. 7.4.1. Het verwerken van persoonsgegevens is volgens Google afhankelijk van het type gebruiker: de geauthentiseerde gebruiker (heeft een Google-account en is ingelogd bij Google op moment van gebruik van een dienst of product), de niet geauthentiseerde gebruiker (heeft wel een Google-account maar is niet ingelogd bij Google op het moment van gebruik van een dienst of product), en de passieve gebruiker (heeft geen Google-account). Verder kan iemand met een Google-account ervoor gekozen hebben om geen gepersonaliseerde advertenties te ontvangen. 7.4.2. Daarnaast heeft Google gewezen op de eventuele toestemming die de gebruiker heeft gegeven (wat ook weer afhankelijk is van welke dienst wordt gebruikt), de duur van het gebruik van de dienst en het moment waarop een dienst of product wordt gebruikt. Op verschillende momenten sinds 2012 is andere wetgeving over persoonsgegevens van kracht geworden, maakte Google gebruik van andere voorwaarden over privacygegevens en zijn de producten en diensten van Google door de jaren heen aan verandering onderhevig geweest, ook op het gebied van verzameling en verwerking van persoonsgegevens. Er is dus geen uniforme wijze van gegevensverwerking. 7.4.3. Voor gebruikers van Android smartphones met Google Play Services geldt in het bijzonder dat de verwerking van persoonsgegevens afhankelijk is van de algemene voorkeursinstellingen van die gebruiker (over bijvoorbeeld de locatiegegevens of het zien van gepersonaliseerde advertenties), dergelijke instellingen in de gebruikte app en welke API of SDK in Google Play Services die app gebruikt. Bij het gebruik van apps van derden kan de verwerking van persoonsgegevens door Google ook een dienst aan de app-ontwikkelaar zijn en gebruikt Google die verzamelde gegevens niet voor haar eigen (andere) diensten. Verder is de versie van de Android telefoon en de daarop geïnstalleerde versie van Google Play Services van belang bij de stellingen van SMC en SBP. Er zijn dus zowel in de stellingen van SBP als in de stellingen van SMC vele varianten mogelijk die alle van belang zijn bij de vraag of de verwerking van persoonsgegevens door Google rechtmatig is. Dit is dus voor iedere gebruiker mogelijk anders, althans is het door het grote aantal variabelen niet mogelijk om groepen van gebruikers te definiëren. 7.5. Vanwege het bovenstaande is bovendien de gestelde materiële en immateriële schade per gebruiker zeer verschillend. Uit dit alles volgt dat in beide collectieve acties geen sprake is van gelijksoortige belangen, aldus steeds Google. beoordeling gelijksoortigheidsvereiste 7.6. De vraag of de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt zich lenen voor bundeling, hangt mede af van de aard van de ingestelde vorderingen. Zoals blijkt uit Bijlage 1 en Bijlage 2 bij dit vonnis hebben SBP en SMC een groot aantal uiteenlopende vorderingen ingesteld. Zoals overwogen in 3.1 zijn de vorderingen van SBP en SMC, voor zover van belang op dit moment, op te splitsen in drie hoofdonderwerpen: (i) verklaringen voor recht dat Google onrechtmatig jegens de achterban van SBP en SMC handelt, (ii) veroordeling tot betaling van een schadevergoeding (zowel immaterieel als materieel) en (iii) aan Google op te leggen geboden en verboden. 7.7. Bij de beoordeling van de gelijksoortigheid van de vorderingen bedoeld in categorie (i) en (iii) is van belang dat zowel SBP als SMC heeft gesteld dat a) Google de persoonsgegevens van gebruikers verwerkt op een wijze die niet in overeenstemming is met de wettelijke regels voor bescherming van de persoonsgegevens, b) dat Google dit doet in en met alle producten en diensten, c) dat verschillende producten en diensten van Google gebruik kunnen maken van verzamelde persoonsgegevens in andere door die persoon gebruikte producten en diensten van Google en d) dat die personen daardoor schade lijden. 7.8. Centraal staat dus de vraag of Google als bedrijf de persoonsgegevens van gebruikers van diensten en producten verzamelt en verwerkt op een wijze die in strijd is met de wettelijke regels voor bescherming van de persoonsgegevens. In die zin is sprake van rechtsvorderingen die strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen van de gebruikers van Google diensten of producten: beëindiging van de gestelde schending van de verschillende wetten over bescherming van hun persoonsgegevens en vergoeding van de geleden schade als gevolg daarvan. Dit staat los van de individuele positie van de gebruiker. Voor elke gebruiker van een Google dienst en product geldt dan immers dat de kans aanwezig is dat Google die persoonsgegevens ook met betrekking tot die gebruiker heeft verwerkt en dat deze gebruiker de controle daarover is kwijtgeraakt. Dat betekent dat alle Google-gebruikers in die zin in een gelijke positie verkeren en dat de belangen van die gebruikers van de Google diensten in dat geval bundelbaar zijn. Dat de door SBP en door SMC gestelde inbreuken door Google vele varianten kennen, dat er vanwege de beleidswijzigingen en veranderde wetgeving verschillen kunnen zijn per periode en dat dit alles zal leiden tot een ingewikkelde discussie en beoordeling in de inhoudelijke fase verandert niets aan het hierboven vastgestelde gelijksoortige belang. Zo nodig kan daarmee bij de beoordeling in de hoofdzaak rekening worden gehouden. 7.9. Zowel SBP als SMC vordert bovendien vergoeding van materiële en immateriële schade (categorie (ii) uit 3.1 en 7.6). Deze vorderingen zijn gebaseerd op bepalingen in de AVG en op de algemene onrechtmatige daad (Titel 3 van Boek 6 BW), zodat in dat kader ook kan worden beoordeeld of sprake is van gelijksoortige belangen. Bij de beoordeling van deze categorie vorderingen zal eerder dan bij de andere vorderingen sprake zijn van bijzonderheden van het geval en de betrokken persoon. Dat gegeven op zich staat niet in de weg aan het aannemen van gelijksoortigheid, aangezien anders de met de WAMCA geïntroduceerde mogelijkheid om in collectieve actie schadevergoeding te