Belastingdienst mocht volstaan met een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens. Onderliggende documenten niet nodig voor de begrijpelijkheid.
Rechtbank
Case Summary
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/7069 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: drs. B. Kortenbach), en de minister van Financiën, verweerder (gemachtigde: M.J.P. Brinkman). Inleiding 1.1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de toewijzing van de aanvraag van eiseres van 24 augustus 2023 om inzage in haar persoonsgegevens op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). 1.2 Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 30 januari 2024 gedeeltelijk toegewezen. Met het bestreden besluit van 30 mei 2024 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. 1.3 Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4 Eiser heeft nadere stukken ingediend. 1.5 De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over? 2.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 2.2 Eiseres is sinds 2009 werkzaam bij het International Criminal Court (ICC). Op grond van de Headquarters Agreement between the International Criminal Court and the host State (HQA ICC) geniet zij bepaalde fiscale privileges die zich uitstrekken tot de Nederlandse inkomstenbelasting. Eiseres meent dat zij vanwege haar bijzondere fiscale positie tot 2022 een beroep heeft kunnen doen op de belastingdienst om haar aangiften inkomstenbelasting in te vullen. Verweerder ontkent dit. Voor het jaar 2022 heeft de belastingdienst volgens eiseres geweigerd om haar te helpen met haar aangifte inkomstenbelasting. Eiseres heeft vervolgens haar gemachtigde verzocht haar hierbij te helpen voor dat jaar en de daarop volgende jaren. 2.3 Om een juiste inschatting te kunnen maken van de bijzondere fiscale positie van eiseres heeft haar gemachtigde nadere informatie opgevraagd bij de belastingdienst in de vorm van een verzoek op grond van artikel 15 AVG en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). De gemachtigde verwachtte daarmee informatie te verkrijgen over de elementen die de belastingdienst in dit specifieke geval bepalend heeft geacht om de aangiftes inkomstenbelasting tot en met 2021 in te dienen op de wijze waarop dat is gedaan (geen heffing van Nederlandse inkomstenbelasting over het ICC inkomen). Daarmee zou de gemachtigde vanuit zijn eigen deskundigheid kunnen inschatten in hoeverre veranderingen in de situatie van eiseres daarop van invloed zijn. Eiseres verzoekt daarom afschriften van alle correspondentie die is gevoerd met betrekking tot haar fiscale aangelegenheden voor de inkomensbelasting in de periode van 1 januari 2021 tot en met de datum van haar aanvraag. 2.4 De belastingdienst heeft in het primaire besluit het verzoek gedeeltelijk toegewezen. Er is een overzicht van de persoonsgegevens van eiseres en van de verwerkingen van die persoonsgegevens door de belastingdienst verstrekt. Interne notities, aantekeningen en e-mails zijn niet overgelegd omdat deze bescheiden volgens de belastingdienst op zichzelf geen persoonsgegevens bevatten van eiseres. 2.5 Met het bezwaar heeft eiseres aangegeven dat haar verzoek verkeerd is opgevat en dat het verstrekte overzicht niet volledig is. Het verzoek is in bezwaar door eiseres bovendien beperkt tot het verstrekken van afschriften van alle correspondentie die vier medewerkers van de belastingdienst over en met eiseres hebben gevoerd en dergelijke correspondentie die via een specifiek emailadres van de belastingdienst is gevoerd. 2.6 Met het bestreden besluit is de belastingdienst geheel aan het bezwaar van eiseres tegemoet gekomen. De correspondentie van de genoemde medewerkers en het genoemde emailadres is onderzocht en de daarin aangetroffen persoonsgegevens van eiseres zijn verstrekt. Er zijn geen afschriften van die correspondentie verstrekt. Gedeeltelijk omdat de documenten al in bezit zijn van eiseres en gedeeltelijk omdat dit volgens de belastingdienst niet valt onder het inzagerecht op grond van de AVG. Omdat de belastingdienst volledig tegemoet is gekomen aan het bezwaar, heeft er geen hoorgesprek plaatsgevonden en is een kostenvergoeding van € 310,- toegekend. Wat vindt eiseres in beroep? 3.1 Eiseres betoogt dat de belastingdienst niet geheel tegemoet is gekomen aan het bezwaar. Op basis van artikel 15 van de AVG en artikel 41 van het Handvest had de belastingdienst eiseres namelijk moeten voorzien van haar volledige dossier, waaronder afschriften van de brondocumenten van verschillende mutaties en van de correspondentie die door de vier medewerkers van de belastingdienst onderling over eiseres is gevoerd, evenals andere schriftelijke vastleggingen die zij over eiseres hebben gedaan. Er is volgens eiseres sprake van een onjuiste toepassing van de AVG en het Handvest door geen inzage te geven in de onderliggende documenten. 3.2 Eiseres stelt ook dat de hoorplicht is geschonden omdat zij in bezwaar niet is gehoord. 3.3 Bovendien heeft verweerder volgens eiseres niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ingebracht en daarmee artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden. De correspondentie waarnaar wordt verwezen in het bestreden besluit is namelijk niet opgenomen als bijlage. 3.4 Tot slot voert eiseres aan dat de proceskosten in de bezwaarfase onjuist zijn vastgesteld. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4.1 Tussen partijen is niet in geschil dat het eiseres gaat om het verkrijgen van afschriften van zogenaamde brondocumenten waar verschillende aan eiseres verstrekte mutaties op zouden zijn gebaseerd en van afschriften van alle communicatie die vier medewerkers van de belastingdienst hebben gevoerd inzake eiseres en correspondentie die via het emailadres [emailadres] is verlopen tussen 1 januari 2021 en 24 augustus 2023. 4.2 Ook is niet tussen partijen in geschil dat het verzoek is gebaseerd op artikel 15 van de AVG en artikel 41 van het Handvest. 4.3 Eiseres heeft nog aangevoerd dat haar verzoek ook op andere wetten is gebaseerd, maar nu zij dit niet nader heeft gemotiveerd, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Had de belastingdienst afschriften van interne correspondentie en (bron)documenten moeten verstrekken op grond van de AVG? 5.1 Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat het recht op inzage zich alleen uitstrekt tot het verstrekken van volledige documenten die persoonsgegevens bevatten, indien de verstrekking daarvan onmisbaar is om de betrokkene in staat te stellen de hem bij de AVG verleende rechten daadwerkelijk uit te oefenen, waarbij moet worden benadrukt dat daarbij rekening moet worden gehouden met de rechten en vrijheden van anderen. 5.2 De verplichting een kopie van de persoonsgegevens te verstrekken op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG, betekent dus niet dat een bestuursorgaan verplicht is afschriften te verstrekken van de documenten waarin de persoonsgegevens voorkomen. Dit mag wel, maar het mag ook in een andere vorm, indien daarmee een getrouwe en begrijpelijke reproductie van al deze gegevens wordt gegeven. 5.3 De vraag die voorligt is of de afschriften die eiseres verzoekt onmisbaar zijn om eiseres in staat te stellen om de door haar bij de AVG verleende rechten uit te oefenen. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. 5.4 Eiseres richt zich in beroep alleen op de informatiedeling tussen medewerkers van de belastingdienst onderling en tussen haar werkgever en de belastingdienst (brondocumenten van de verstrekte mutaties). De rechtbank stelt voorop dat de AVG niet is bedoeld om inzicht in werkprocessen van de belastingdienst te verkrijgen. 5.5 Gelet op de aan eiseres verstrekte persoonsgegevens, de weergave daarbij in wat voor soort documenten die persoonsgegevens zijn aangetroffen en in welk kader deze zijn verwerkt, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de context waarin deze gegevens zijn verwerkt voldoende duidelijk is. Ook valt niet in te zien dat de persoonsgegevens zonder verdere context niet op juistheid te controleren zijn. Verweerder heeft in zoverre kunnen volstaan met het verstrekken van een overzicht van de over eiseres verwerkte persoonsgegevens. Had de belastingdienst afschriften van interne correspondentie en (bron)documenten moeten verstrekken op grond van artikel 41 van het Handvest? 6.1 Artikel 41, eerste lid, van het Handvest bepaalt dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn worden behandeld door de instellingen, organen en instanties van de Unie. Ingevolge het tweede lid van dat artikel behelst dit recht met name het recht van eenieder om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim. 6.2 Uit de bewoordingen van artikel 41 van het Handvest en rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat dit niet is gericht tot lidstaten, maar uitsluitend tot de instellingen, organen en instanties van de Unie. Bijgevolg kan eiseres aan dit artikel geen recht op inzage in het nationale dossier betreffende haar aangifte inkomensbelasting ontlenen. Is de hoorplicht geschonden? 7. Omdat de belastingdienst in bezwaar volledig aan het verzoek van eiseres is tegemoet gekomen, was de belastingdienst – gelet op artikel 7:3, aanhef en onderdeel e, van de Awb – niet gehouden eiseres in bezwaar te horen. De hoorplicht is dus niet geschonden. Heeft verweerder artikel 8:42 van de Awb geschonden? 8. De op de zaak betrekking hebbende stukken uit artikel 8:42 van de Awb zijn alle stukken die relevant kunnen zijn voor de bestuursrechter om tot een uitspraak te komen en die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van het bestuursorgaan. Hierbij moet gedacht worden aan een kopie van het primaire besluit, adviezen, onderzoeksrapporten, verslagen van hoorzittingen, etcetera. Hieronder vallen niet afschriften van documenten die eiseres via het inzagerecht van verweerder probeert te verkrijgen. Dergelijke stukken zijn immers niet relevant voor de rechtbank om tot een oordeel te komen of er sprake is van volledige inzage in de verwerking van de persoonsgegevens van eiseres. Zijn de proceskosten in bezwaar juist vastgesteld? 9. Eiseres stelt dat de differentiatie in de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase tussen belasting- en premiezaken en overige zaken in strijd is met het discriminatieverbod. De rechtbank volgt eiseres in haar stelling onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2024. Omdat dit onderscheid tussen beide tarieven onvoldoende door de besluitgever is toegelicht, is volgens de Hoge Raad niet duidelijk waarom voor alle belastingzaken die lagere vergoeding gerechtvaardigd is. Daarom is het naar het oordeel van de Hoge Raad aangewezen dat de rechter die lagere vergoeding buiten toepassing laat, omdat het mogelijk in strijd is met het discriminatieverbod. Verweerder had voor de bezwaarfase moeten uitgaan van een bedrag per punt van € 624,- (tarief 2024) in plaats van € 310,-. Het beroep is op dit punt dus gegrond. Conclusie en gevolgen 10.1 Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond voor zover het beroepschrift strekt tot de hoogte van de proceskostenvergoeding tijdens de bezwaarfase. Voor het overige is het beroep ongegrond. 10.2 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Ook moet verweerder het griffierecht aan eiseres terugbetalen. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.461,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 647 (tarief 2025) en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting in beroep met een waarde per punt van € 907 (tarief 2025) (totaal beroepsfase € 1.814)). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond met betrekking tot het inzageverzoek op grond van artikel 15 van de AVG en artikel 41 van het Handvest; verklaart het beroep gegrond met betrekking tot de proceskostenvergoeding tijdens de bezwaarfase; vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de proceskostenvergoeding; bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.461; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187 aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Arrest van 4 mei 2023, C-487/21, ECLI:EU:C:2023:369. Zie Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) 17 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2081 en HvJ EU 21 december 2011, ECLI:EU:C:2011:868. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 29 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3358. ECLI:NL:HR:2024:1060