Toepassing interstatelijk vertrouwensbeginsel en aanwezigheid voldoende waarborgen gebruik cryptoberichten via JIT gedeeld
Gerechtshof
Case Summary
Parketnummer : 20-001460-23 Uitspraak : 22 augustus 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 71-319049-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboortedatum en -plaats] , thans verblijvende in [detentieadres] . Hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en – opnieuw rechtdoende – het onder 1 tot en met 6 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest. De advocaten-generaal hebben voorts gevorderd dat op het beslag zal worden beslist conform de beslissingen van de rechtbank. Namens de verdachte is primair de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit. Subsidiair is integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde is meer subsidiair een verkorting van de bewezenverklaarde periode bepleit, nu de rechtbank ten onrechte de periode van de bewezenverklaring heeft laten doorlopen gedurende de detentie van de verdachte, aldus de verdediging. Uiterst subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. De omvang van het hoger beroep Onder feit 3 is aan verdachte tenlastegelegd: medeplegen van gewoontewitwassen, zijnde witwassen onder de strafverzwarende omstandigheid van het plegen daarvan als gewoonte. Daarbij heeft de steller van de tenlastelegging het bestanddeel ‘gewoonte’ verfeitelijkt door de tenlastelegging van een of meerdere geldbedragen. Naar het oordeel van het hof wordt door deze wijze van ten laste leggen (de strafverzwarende omstandigheid van gewoontewitwassen) de genoemde voorwerpen, zijnde de hoeveelheid/hoeveelheden geld, niet gezien als afzonderlijk vernoemde strafbare feiten. Hierdoor is er geen sprake van een of meer gevoegde feiten als bedoeld in artikel 407, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Er is met het oog op de uitspraak in eerste aanleg dientengevolge geen sprake van een beschermde vrijspraak op dit onderdeel. Hierdoor is gezien het – overigens onbeperkt – ingestelde appel, feit 3 geheel aan het oordeel van het hof onderworpen. Onder feit 4 is aan verdachte tenlastegelegd: gedragingen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (hierna harddrugs), voor te bereiden door een of meer anderen (trachten) te bewegen tot het (doen) plegen, medeplegen, uitlokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of zichzelf en/of een ander daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of daartoe voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of geld/betaalmiddelen voorhanden te hebben. De feitelijke gedragingen zijn vervolgens omschreven in verschillende liggende streepjes die samen de verweten – en in geval van bewezenverklaring – nader te kwalificeren voorbereidingshandelingen vormen. Deze feitelijke gedragingen liggen (vaak) in elkaars verlengde. Hierin is onder andere opgenomen het voorhanden hebben van meerdere cryptotelefoons en het – kort gezegd – feitgerelateerd communiceren via deze cryptotelefoons. Ook maakt onderdeel uit van die verfeitelijking – verkort en samengevat weergegeven – het volgende: het (meermalen) kopen/verkopen/bestellen/voorhanden hebben/regelen/maken/ (laten) vervoeren/leveren en/of (laten) omzetten naar BMK van (1.000kg) APAA(N) en/of MAPA; het (meermalen) voorhanden hebben/aanbieden van APAA(N) en/of MAPA ter aan-/verkoop en/of ter omzetting naar BMK; het kopen/verkopen/bestellen/voorhanden hebben/regelen/maken en/of (laten) vervoeren van BMK; het communiceren over de productie/aankoop/verkoop/vervoer en/of invoer van harddrugs en/of (pre)precursoren en/of over de prijzen van harddrugs/ (pre)precursoren en/of het ophalen van geld; het (trachten te (laten)) regelen en/of aansturen van drugslaboranten/vervoerders van harddrugs/(pre)precursoren en/of nader geduide drugslabs; het communiceren over de inrichting van die labs en/of het aankopen/verkopen/bestellen/voorhanden hebben/regelen/(laten) vervoeren en/of maken van chemicaliën, grondstoffen en/of hardware voor harddrugsproductie en/of het uiten van het concrete voornemen daartoe. Naar het oordeel van het hof worden door deze wijze van ten laste leggen de afzonderlijke liggende streepjes in de gewijzigde tenlastelegging geen afzonderlijk vernoemde strafbare feiten. Het daarbij ten laste leggen van meerdere – aan die feitelijke gedragingen verbonden – pleegplaatsen, maakt dat oordeel niet anders. Hierdoor is er geen sprake van een of meer (cumulatief tenlastegelegde) gevoegde feiten als bedoeld in artikel 407, tweede lid, Sv. Er is met het oog op de uitspraak in eerste aanleg dientengevolge geen sprake van beschermde vrijspraken op dit onderdeel. Hierdoor is gezien het – overigens onbeperkt – ingestelde appel, feit 4 geheel aan het oordeel van het hof onderworpen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg op 24 juni 2022 – tenlastegelegd dat: 1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 12 juni 2020 te Nederland en/of het Verenigd Koninkrijk tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 106 kilo, althans een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 te [plaats 2] en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of in Spanje en/of (elders) in Europa en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of de Seychellen als oprichter en/of leider en/of bestuurder heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [mededader 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of een of meer overige personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11, derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet; 3. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 te [plaats 2] en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of in Spanje en/of (elders) in Europa en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of de Seychellen tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, (van) een of meerdere voorwerpen, te weten – een of meerdere geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) EUR 4.845.364, althans een of meer (grote) geldbedrag(en) a. de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp(en) was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad en/of b. heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte heeft/hebben gemaakt; 4. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 te [plaats 2] en/of Son en Breugel en/of één (of meer) andere plaats(en) in Nederland en/of Europa en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of de Seychellen tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - zich en/of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wisten of ernstige redenen had/hadden om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) - 1000 kilo, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende APAAN en/of APAA en/of MAPA gekocht en/of verkocht en/of besteld en/of voorhanden gehad en/of geregeld en/of vervoerd en/of gemaakt en/of laten vervoeren en/of geleverd (aan [medeverdachte 9] en/of een contactpersoon van [medeverdachte 9] ) en/of omgezet en/of om laten zetten naar BMK (door/via [medeverdachte 9] ) en/of (vervolgens) een hoeveelheid van een hoeveelheid van een materiaal bevattende BMK gekocht en/of verkocht en/of besteld en/of voorhanden gehad en/of geregeld en/of vervoerd en/of gemaakt en/of laten vervoeren en/of - (opnieuw) 1000 kilo, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende APAAN en/of APAA en/of MAPA gekocht en/of verkocht en/of besteld en/of voorhanden gehad en/of geregeld en/of vervoerd en/of gemaakt en/of laten vervoeren en/of geleverd (aan [mededader 2] en/of [mededader 3] ) en/of - tussen 30 maart 2020 en 10 mei 2020 gecommuniceerd (met [medeverdachte 9] ) over de aankoop en/of verkoop van 2200 liter monomethylamine en/of - tussen 12 mei 2020 en 29 mei 2020 gecommuniceerd (met [medeverdachte 9] ) over de productie van metamfetamine en/of de aankoop van en/of het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (overige hoeveelheden) formamide en/of monomethylamine en/of APAAN en/of APAA en/of MAPA en/of overige chemicaliën en/of - tussen 18 juni 2020 en 16 juli 2020 gecommuniceerd (met [medeverdachte 9] ) over (de prijzen van) 1600 liter (mono)methylamine, het ophalen van geld en (de prijs van) APAAN en/of APAA en/of MAPA en/of MDMA en/of amfetamine en/of - op of omstreeks 7 augustus 2020 een (overige) hoeveelheid APAAN en/of APAA en/of MAPA voorhanden gehad en vervolgens aangeboden (aan [medeverdachte 9] ) ter omzetting naar BMK en/of (bij [medeverdachte 9] ) geïnformeerd naar (de aankoop en/of verkoop van) BMK en/of - tussen 14 augustus 2020 en 11 december 2020 (opnieuw) een (overige) hoeveelheid APAAN en/of APAA en/of MAPA voorhanden gehad en vervolgens aangeboden (aan [medeverdachte 9] ) (ter verkoop en/of ter omzetting naar BMK) en/of - een of meerdere zogenoemde cryptotelefoon(s) voorhanden gehad en/of - (via deze cryptotelefoon(s)) met een of meer anderen (uitgebreid) (op overige wijze) gecommuniceerd over de (overige) productie en/of aankoop en/of verkoop en/of het vervoer van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of (pre-)precursoren daarvan en/of - een of meer laboranten en/of (overige) personen voor de productie en/of het vervoer van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of (pre-)precursoren daarvan geregeld en/of aangestuurd en/of laten regelen en/of laten aansturen, althans getracht te (laten) regelen en/of aansturen, en/of - gesproken over de inrichting van (een) productielocatie(s) en/of bewerkings-/verwerkingslocatie(s) van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of (pre-)precursoren daarvan en/of - een of meer productielocaties en/of bewerkings-/verwerkingslocatie(s) van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I geregeld en/of laten regelen, althans getracht te (laten) regelen, en/of - een of meer (overige) hoeveelheid/hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen en/of hardware ten behoeve van de vervaardiging van voornoemd(e) middel(en) gekocht en/of verkocht en/of besteld en/of voorhanden gehad en/of geregeld en/of vervoerd en/of gemaakt en/of laten vervoeren en/of het concrete voornemen tot die/dat aankoop en/of verkoop en/of bestelling en/of voorhanden hebben en/of regelen en/of vervoer geuit; 5. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 9 juni 2021 te Eersel en/of Oostzaan, althans in Nederland en/of Duitsland en/of Tsjechië en/of (elders) in Europa, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 840 kilo, althans een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 6. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 12 juni 2020 te [plaats 2] en/of één (of meer) andere plaats(en) in Nederland en/of Europa en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of de Seychellen tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en) althans alleen, zonder registratie (telkens) opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 80 kilogram (in elk geval een hoeveelheid) van een werkzame stof te weten ketamine heeft bereid en/of ingevoerd en/of in voorraad gehad en/of verkocht en/of afgeleverd en/of uitgevoerd en/of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied gebracht, dan wel in een werkzame stof, te weten ketamine, een groothandel heeft gedreven. Het hof leest hiervoor onder de feiten 1 en 5 waar in beide gevallen het verwijt begint met dat “hij op een of meer plaatsen in of omstreeks (…)” verbeterd als “dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks (…)”, nu hier naar het oordeel van het hof evident sprake is van twee maal dezelfde kennelijke schrijffout. Niet alleen is de algemeen bekende en gebruikelijke wijze van tenlasteleggen dat een verwijt start met de pleegdatum/-data/-periode, gevolgd door de pleegplaats(en), maar ook uit de opsomming van concrete pleegplaatsen na de pleegperiode blijkt naar het oordeel van het hof dat de steller van de tenlastelegging zich overduidelijk moet hebben vergist. Ook overige in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. De geldigheid van de dagvaarding De verdediging heeft de partiële nietigheid van de tenlastelegging voor wat betreft feit 4 in relatie tot zaakdossier 6 bepleit, omdat – zo begrijpt het hof – de feiten die op grond van artikel 261, eerste lid, Sv in de tenlastelegging duidelijk behoren te zijn, voor de verdachte niet duidelijk zijn. Volgens de verdediging moet het gaan om de opgave van het feit met vermelding van tijd en plaats, terwijl in dit geval sprake is van een periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021, waardoor alles daaronder valt. Voorts stelt de verdediging dat de tenlastelegging als pleegplaats mede Nederland omvat, zodat ook het adres van ‘ [mededader 3] ’ hieronder valt. En tot slot, aldus de verdediging, omvat de tenlastelegging zowel het verkopen, leveren, vervoeren, bestellen als het voorhanden van 1.000 kilogram van Apaan of Apaa of Mapa, wat feit 4 – naar het hof begrijpt, voor zover dit ziet op zaakdossier 6 – tot een ondoorzichtig en onduidelijk verwijt maakt. Het hof overweegt daartoe als volgt. De in eerste aanleg gewijzigde tenlastelegging als hiervoor weergegeven ziet voor wat betreft feit 4 op het verwijt dat de verdachte samen met een of meer anderen het plegen van harddrugsdelicten in de tenlastegelegde genoemde periode heeft voorbereid, waarbij de gedragingen al dan niet op een of meer van de vermelde pleegplaatsen plaatsvonden. Naar het oordeel van het hof ontbreekt het de tenlastelegging tegen de achtergrond van de inhoud van de betreffende zaakdossiers niet aan duidelijkheid voor wat betreft het gemaakte verwijt. Niet alleen heeft de steller van de tenlastelegging onder feit 4 de feitelijke gedragingen nader en concreet verfeitelijkt door gedragingen en soorten harddrugs en/of (pre)precursoren concreet te benoemen, maar ook zijn betrokken personen bij naam genoemd voor wat betreft hun betrokkenheid en zijn bovendien nadere pleegperiodes geduid waarin nader omschreven gedragingen zouden hebben plaatsgehad. Het hof vermag dan ook niet in te zien zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, dat het aan de verdachte gemaakte verwijt waarbij de naam ‘ [mededader 3] ’ is vermeld onduidelijk of ondoorzichtig is. Het hof verwerpt het verweer inhoudende dat sprake is van nietigheid van de dagvaarding, daar de dagvaarding voldoet aan de eisen die artikel 261 Sv stelt. Bovendien is uit het verhandelde ter terechtzitting, behoudens dit verweer bij pleidooi, niet gebleken dat de verdachte niet wist waartegen hij zich moest verweren. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie Door de verdediging is het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat er een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde heeft plaatsgevonden, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen is tekort gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak. De verdediging heeft – kort samengevat – aangevoerd dat door het Openbaar Ministerie: is nagelaten om relevante ontlastende informatie aangaande het onder feit 3 tenlastegelegde witwasfeit (zaaksdossier 6), onder meer een proces-verbaal waarmee het Openbaar Ministerie al voor het einde van de behandeling van de onderhavige strafzaak in eerste aanleg over beschikte, te voegen in het dossier; is nagelaten om volledig uitvoering te geven aan de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 april 2025 opgenomen opdrachten van het hof betreffende het doen van een nadere zoekslag in de bruto-dossiers van de verdachte en de medeverdachten naar relevante informatie aangaande de witwaszaak en betreffende het verstrekken van informatie aangaande een strafzaak die in België loopt tegen de verdachte en bij het afleggen van verantwoording hierover ter terechtzitting geen transparantie en een onjuiste voorstelling van feiten is gegeven. Dit handelen van het Openbaar Ministerie raakt de grondslag van het strafproces in de kern van het wettelijk systeem en compenserende maatregelen zijn uitgebleven, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 359a, eerste lid, aanhef en onder sub c, Sv kan de rechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, onder meer bepalen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen met betrekking tot de toepassing van voornoemd artikel de volgende aandachtspunten worden afgeleid. De toepassing van artikel 359a Sv is onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte. Op grond van artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Daarnaast heeft “het voorbereidend onderzoek” in artikel 359a Sv uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. De begrenzing tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte, sluit niet uit dat de vraag aan de orde kan komen of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt namelijk dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo'n opsporingsambtenaar. In de rechtspraak zijn criteria geformuleerd waarin als algemene overkoepelende maatstaf besloten ligt dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. Bij de beoordeling of aan een vormverzuim zoals hiervoor bedoeld enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt, dient de rechter rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is "het belang dat het geschonden voorschrift dient". De tweede factor is "de ernst van het verzuim". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt". Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Opmerking verdient dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim. De vraag die nu allereerst voorligt, is of hetgeen de verdediging het Openbaar Ministerie verwijt, ziet op een vormverzuim dat zou zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord, sluit dat aldus niet uit dat vervolgens de vraag aan de orde kan komen of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan enig vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door enige andere functionaris. Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. In zijn arrest heeft de Hoge Raad over de bij die beoordeling aan te leggen maatstaf overwogen: “ De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECL:NL:HR:1998:ZD1239). ” Uit de door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden kan het hof geen onherstelbaar verzuim van vormen afleiden, noch begaan tijdens het voorbereidend onderzoek, noch in de fase van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en/of in hoger beroep. Als eerste onderdeel van het betoog wordt naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie bewust ontlastende informatie uit het dossier heeft gehouden. Hieromtrent overweegt het hof als volgt: Het Openbaar Ministerie heeft ter zitting duidelijk, transparant en overtuigend uitgelegd hoe het dossier is gevormd. Het is een zeer omvangrijk dossier. Dat een enkel proces-verbaal dat eerst in een laat stadium – na de inhoudelijke behandeling maar nog gedurende het onderbroken onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en daarmee voorafgaande aan het vonnis – bleek te zijn opgemaakt per abuis niet in het strafdossier van de verdachte is gevoegd, betekent niet dat er daardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het betreffende stuk, te weten een proces-verbaal d.d. 22 maart 2023, is alsnog in hoger beroep aan het strafdossier toegevoegd en het hof heeft hiervan kennis kunnen nemen en de verdediging heeft dit in zijn standpunt kunnen betrekken. Het hof merkt op dat het betreffende stuk, aldus de verdediging, wel al was toegevoegd aan het ontnemingsdossier van de partner van de verdachte. Het stuk was aldus bekend bij de verdediging. Hieruit kan tevens worden afgeleid dat het Openbaar Ministerie het stuk niet bewust heeft achtergehouden voor de verdachte, dan zou het immers niet zijn gevoegd in de dossierstukken van zijn vrouw, zodat hij er via die weg alsnog kennis van zou kunnen nemen. Verder heeft het Openbaar Ministerie naar aanleiding van de terechtzitting bij het hof d.d. 3 april 2025, bij welke gelegenheid de verdediging met het stuk voor de dag kwam, een aanvullend proces-verbaal van bevindingen overgelegd, inclusief bijlagen, opgemaakt op 23 april 2025, waarin (onder meer) wordt gerelateerd dat de resultaten van de inzet van - en het onderzoek naar een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden abusievelijk niet werden opgenomen in het dossier 26Alston en dat deze volledigheidshalve in het betreffende proces-verbaal nader zijn beschreven. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie naar aanleiding van de terechtzitting op 8 mei 2025, een proces-verbaal van bevindingen overgelegd, opgemaakt d.d. 5 juni 2025, waarin, naar aanleiding van een opmerking van de verdediging, is gerelateerd dat uit een zoekslag binnen de onderzoeksomgeving van het onderzoek 26Alston niet blijkt dat de officier van justitie beslist heeft dat de processen-verbaal niet werden opgenomen in het dossier en dat de stukken abusievelijk niet zijn opgenomen. Verder is in het proces-verbaal gerelateerd dat door de betreffende verbalisanten is nagegaan of de BOB-dossiers van de medeverdachten binnen onderzoek 26Alston nog relevante stukken bevatten betreffende de witwasbedragen die de verdachte tenlastegelegd worden. Hieruit is gebleken dat er geen relevante stukken ontbraken welke betrekking hebben op de witwasbedragen van de verdachte, aldus de verbalisanten. Het tweede onderdeel van het betoog is dat aan de opdrachten van 3 april 2025 zoals in het proces-verbaal van die terechtzitting onvoldoende uitvoering is gegeven. In het proces-verbaal van die terechtzitting is het volgende opgenomen: Om aan het verzoek van de verdediging tegemoet te komen, zal het hof de zaak onderbreken en het Openbaar Ministerie vragen om op dit parketnummer te onderzoeken of er nog meer relevante informatie is voor het hof op alle onderdelen van het witwassen. Deze informatie kan ook in het dossier van de partner van de verdachte of andere dossiers zitten, maar dit kunnen ook losse processen-verbaal zijn die te maken hebben met onderdelen van de witwasbedragen of processen-verbaal die niet gevoegd zijn, maar zich wel in het onderzoeksdossier bevinden en die bij een nadere blik nog relevante informatie bevatten. Mocht er informatie zijn uit België die te maken heeft met witwassen zoals in deze zaak tenlastegelegd en die het Openbaar Ministerie wil en kan delen, dan stelt het hof ook die informatie op prijs. Het hof vraagt het Openbaar Ministerie om nog een zoekslag te maken in de zaak van verdachte. Als er van de zijde van de verdediging ook punten zijn uit het ontnemingsdossier of de zaak tegen de verdachte in België die relevant zijn voor de zaak, dan is het verzoek aan de verdediging om ook deze informatie aan het hof te doen toekomen. Voor wat betreft het onderzoek naar nadere relevante informatie met betrekking tot het witwassen verwijst het hof naar het hiervoor genoemde proces-verbaal van 5 juni 2025. Aan deze opdracht is voldaan. Voor wat betreft het verstrekken van informatie over de Belgische zaak overweegt het hof als volgt. Op 3 april 2025 is door de raadsman mr. Van ’t Land naar voren gebracht dat er tegen de verdachte een zaak loopt in België. Door het hof is aan de advocaat-generaal gevraagd of zij hierover nadere informatie had en als zij die had of zij informatie wilde en kon delen hetgeen het hof op prijs zou stellen. Dit in verband met de vraag of er wellicht overlap was in de zaken, of een “ne bis in idem”-situatie aan de orde kon zijn. Nadere informatie daarover is niet gekomen van de zijde van de advocaat-generaal. Echter op de daaropvolgende terechtzitting van 8 mei 2025 deelde de raadsman mr. Van ’t Land mede dat de verdachte is gedagvaard voor een zitting in België in september 2025 en hij op de hoogte is van de tenlastelegging in die zaak. Hij deelde mede in de veronderstelling te zijn geweest dat hij dit reeds op 3 april 2025 had meegedeeld. Het hof stelt vast dat het gehele Belgische dossier derhalve ter beschikking van de verdachte staat nu hij daar immers is gedagvaard. Hiermee wordt duidelijk dat alle informatie hierover reeds bekend was en is bij de verdachte en hij dit kon en kan delen met diens raadsman mr. Van ’t Land. De vraag aan de advocaat-generaal om informatie was derhalve volstrekt overbodig. Het ontbreken van een antwoord is niet ten nadele van de verachte omdat de verdachte reeds over alle informatie beschikte, nog daargelaten dat de advocaat-generaal overigens niet was gehouden tot het delen van enige informatie in woord of geschrift omtrent een in het buitenland aanhangige zaak. In het derde onderdeel van het niet-ontvankelijkheidsverweer komt de vraag aan de orde of bij het afleggen van verantwoording hierover ter terechtzitting geen transparantie en een onjuiste voorstelling van feiten is gegeven door het Openbaar Ministerie. Door advocaat-generaal is ter terechtzitting op 3 april 2025 aangegeven dat er geen nadere stukken omtrent de witwaszaken waren die niet in het dossier van de verdachte waren gevoegd. Gedurende deze zitting bleek dat in ieder geval één proces-verbaal, het stuk uit het dossier van [verdachte] ’ partner waarmee de raadsman mr. Van ’t Land alstoen voor de dag kwam, niet was gevoegd in het dossier van de verdachte. De betreffende advocaat-generaal heeft vervolgens naar voren gebracht dat dit niet opzettelijk is gebeurd. Zij bracht naar voren: “ U kon ook wel indenken dat we niet alle precieze bijlagen in andere ontnemingsdossiers in ons hoofd zouden hebben en er zijn zoveel processen-verbaal de afgelopen 10 jaar opgemaakt op mijn instructie. Ik kon dat nu niet meer uit mijn hoofd weten.” Het hof neemt aan dat het proces-verbaal per abuis en niet opzettelijk niet bij de stukken in de zaak van de verdachte is gevoegd en de advocaat-generaal op 3 april 2025 eveneens niet opzettelijk onjuist heeft geantwoord op de vraag of er nog nadere stukken waren. Het Openbaar Ministerie heeft derhalve niet bewust een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Nadat duidelijk is geworden dat het proces-verbaal over het hoofd is gezien heeft het Openbaar Ministerie dit erkend en is uitgezocht en bij proces-verbaal gerelateerd wat de gang van zaken is geweest. Het ontbreken van transparantie of het opzettelijk geven van een onjuiste voorstelling van zaken heeft het hof niet geconstateerd. Het hof constateert dat hoewel zich een vormverzuim heeft voorgedaan door het niet eerder voegen van het betreffende stuk waarmee de verdediging voor de dag kwam en daardoor op enig moment het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang werd gebracht, dat verzuim in voldoende mate is hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. De verdediging was zelf bekend met het stuk, het stuk is aan het strafdossier van de verdachte toegevoegd, uitgezocht en toegelicht is dat het stuk abusievelijk niet eerder aan het dossier is toegevoegd, desverzocht heeft nog nader onderzoek plaatsgevonden en de verdediging is in de gelegenheid geweest om vragen te stellen aan het Openbaar Ministerie en verzoeken te doen en laatstelijk om desgewenst op alle punten verweer te voeren. Daarmee is het recht op een eerlijk proces dat in het gedrang werd gebracht op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze gecompenseerd. Van enige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan is al het hiervoor overwogene in ogenschouw nemende naar ’s hofs oordeel dan ook geen sprake. Het verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging wordt mitsdien verworpen. Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij: 1. in de periode van 21 februari 2020 tot en met 12 juni 2020 te Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2. in de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 in Europa als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [mededader 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, 10a en 11 Opiumwet; 3. in de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 in Nederland en/of elders in Europa en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of de Seychellen tezamen en in vereniging met anderen van voorwerpen, te weten (grote) geldbedragen, de herkomst heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemde voorwerpen was, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders daarvan een gewoonte hebben gemaakt; 4. in de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 in Nederland en/of Europa en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of de Seychellen tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, - zich en anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en/of - voorwerpen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten, hebbende verdachte en verdachtes mededaders - 1000 kilo van een materiaal bevattende APAAN en/of APAA en/of MAPA verkocht en laten vervoeren en geleverd aan [medeverdachte 9] of een contactpersoon van [medeverdachte 9] en om laten zetten naar BMK (door/via [medeverdachte 9] ) en vervolgens een hoeveelheid van een hoeveelheid van een materiaal bevattende BMK gekocht en besteld en geregeld en laten vervoeren en - opnieuw 1000 kilo van een materiaal bevattende APAAN en/of APAA en/of MAPA verkocht aan en laten vervoeren naar [mededader 2] en/of [mededader 3] en - op 10 mei 2020 gecommuniceerd met [medeverdachte 9] over de verkoop van 2200 liter monomethylamine en - tussen 12 mei 2020 en 29 mei 2020 gecommuniceerd met [medeverdachte 9] over de productie van metamfetamine en de aankoop van en het binnen het grondgebied van Nederland brengen van formamide en monomethylamine en/of APAAN en/of APAA en/of MAPA en - tussen 18 juni 2020 en 16 juli 2020 gecommuniceerd met [medeverdachte 9] over de prijzen van 1600 liter (mono)methylamine, het ophalen van geld en (de prijs van) APAAN en/of APAA en/of MAPA en/of MDMA en/of amfetamine en - op of omstreeks 7 augustus 2020 een hoeveelheid APAAN en/of APAA en/of MAPA voorhanden gehad en vervolgens aangeboden aan [medeverdachte 9] ter omzetting naar BMK en bij [medeverdachte 9] geïnformeerd naar de verkoop van BMK en - tussen 14 augustus 2020 en 9 september 2020 opnieuw een hoeveelheid APAAN en/of APAA en/of MAPA voorhanden gehad en vervolgens aangeboden aan [medeverdachte 9] ter omzetting naar BMK en - meerdere zogenoemde cryptotelefoons voorhanden gehad en - via deze cryptotelefoons met anderen gecommuniceerd over de productie en aankoop en verkoop en het vervoer van een of meer middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en (pre- )precursoren daarvan en - hardware ten behoeve van de vervaardiging van voornoemde middelen gekocht en besteld en geregeld en laten vervoeren. 5. in de periode van 23 februari 2021 tot en met 3 maart 2021 in Europa tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 840 kilo van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; 6. in de periode van 21 februari 2020 tot en met 12 juni 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, zonder registratie, opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 80 kilogram van een werkzame stof, te weten ketamine, in voorraad heeft gehad. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Het hof zal eerst in een algemene inleiding de identificatie van de verdachte (hierna ook te noemen: [verdachte] ) en zijn mededaders bespreken en de verweren met betrekking tot het bezigen tot het bewijs van de berichten die zijn verstuurd via Encrochat, Sky-ECC en ANØM. Daarna volgt een bewijsoverweging per bewezenverklaard feit. Inleiding Uit het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof het volgende af. Het strafrechtelijk opsporingsonderzoek ‘26Alston’ is gestart op 28 oktober 2020. De aanleiding kwam er in de kern op neer dat de verdenking bestond dat [verdachte] (hierna steeds [verdachte] ) zich zou bezighouden met de productie van synthetische drugs, meer in het bijzonder ‘ice’ (straattaal voor metamfetamine ‘Crystal Meth’), en daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen. Die verdenking kwam voort uit informatie van de politie-eenheid Team Criminele Inlichtingen, aangevuld met onderschepte cryptodata. Met cryptodata wordt hier – kort gezegd – bedoeld versleutelde/vercijferde communicatie in de vorm van chats, tekstberichten, afbeeldingen, spraakberichten of notities al dan niet met behulp van speciale daarvoor uitgeruste mobiele (zogenoemde ‘pgp’-)telefoons afkomstig van of gestuurd naar pgp-accounts, waarbij de afkorting steeds staat voor ‘pretty good privacy’. Communicatie, die plaatsvindt via een van de crypto-berichtendiensten door speciale aanbieders tussen gebruikers van versleutelde gecodeerde communicatiediensten en die door buitenstaanders niet kan worden gelezen, tenzij ontsleuteld/ontcijferd. Uit informatie van de politie in het onderhavige dossier leidt het hof af dat in het algemeen kan worden gesteld dat crypto-telefoons dan wel crypto-applicaties nagenoeg louter en alleen bestemd zijn voor gebruik in het criminele circuit. Bij die vooronderstelling betrekt de politie bevindingen als de volgende. Crypto-toestellen dan wel crypto-applicaties worden bewust zo ingericht om het de opsporingsdiensten moeilijk te maken om gebruikers te identificeren. Crypto-toestellen dan wel crypto-applicaties zijn bewust gericht op de criminele gebruikersmarkt vanuit het in die markt levende vertrouwen dat de gedeelde informatie niet bekend wordt bij opsporingsdiensten door het risico op afluisteren en onderscheppen van berichten te minimaliseren. Uit vergaarde versleutelde data in voorgaande onderzoeken naar vergelijkbare aanbieders (als de onderhavige hierna te bespreken aanbieders) bleek dat via die aangeboden communicatiediensten inderdaad openlijk werd gecommuniceerd over gepleegde of te plegen strafbare feiten. Bij meerdere strafrechtelijke onderzoeken naar aanbieders van versleutelde communicatiediensten zijn dan ook, buiten een enkele geheimhouder, geen niet-criminele gebruikers geïdentificeerd. In een groot aantal Nederlandse onderzoeken naar zware criminaliteit zijn telefoons met een crypto-applicatie naar voren gekomen, waaronder in het onderhavige. EncroChat Die verdenking jegens [verdachte] werd mede gebaseerd op crypto-data die binnen het reeds voordien lopende onderzoek ‘26Lemont’ werden verkregen. Dat onderzoek richtte zich – kort samengevat – op Encro c.s. (met onder meer de handelsnaam ‘Encrochat’), een in Frankrijk gevestigd bedrijf dat zich had gespecialiseerd in het aanbieden van versleutelde berichtendiensten, en de gebruikers van die diensten die via wereldwijd door tussenkomst van resellers verworven Encro-telefoons zich strafbaar zouden maken aan diverse vormen van georganiseerde criminaliteit. Door de inzet van een interceptietool werd live informatie verzameld en na ontsleuteling van de onderschepte informatie werd bekend dat veel Nederlandse criminelen gebruik maakten van de EncroChat-berichtenservice (hierna ook afgekort weergegeven als EncroChat). Het ging om grote hoeveelheden chatberichten tussen EncroChat-gebruikers en telecom-locatiegegevens van EncroChat-gebruikers. Uit de verkregen chatberichten kwamen zogenoemde nicknames naar voren die gebruikers van Encrochat elkaar gaven. De politie legt dit begrip als volgt uit: een nickname of kortweg nick is (meestal) een (zelf gekozen) bijnaam. Het is vaak een korte, slim gekozen, grappige, schattige, beledigende of anderszins alternatieve naam. Bij EncroChat wordt een contact weergegeven onder zijn EncroChat-naam. Daaraan kan door de tegenpartij een nickname worden gekoppeld, die alleen te zien is voor die tegenpartij. Identificatie van een van de EncroChat-gebruikers leidde tot een verdenking tegen [verdachte] en na analyse van de aan hem toegeschreven ontsleutelde chatberichten ontstond het vermoeden dat hij leiding gaf aan een crimineel samenwerkingsverband (CSV) dat zich op grote schaal schuldig maakte aan productie van synthetische drugs, de handel in grondstoffen voor de productie van synthetische drugs en de internationale handel in verdovende middelen, waaronder (met)amfetamine, MDMA, cocaïne en hasjiesj. Tijdens het onderzoek ‘26Alston’ ontstond tevens het vermoeden dat [verdachte] veel geld had verdiend met de handel in verdovende middelen. Sky-ECC Op 11 december 2020 startte het onderzoek ‘26Argus’, voortkomend uit onderzoek ‘Werl’ (startdatum 1 november 2019) dat was gericht op de verdenking tegen SkyECC, een in Frankrijk gevestigd bedrijf gespecialiseerd in het aanbieden van versleutelde communicatie. Ook in Frankrijk, waar een interceptietool was ingezet die data van SkyECC-toestellen verzamelde, en in België liepen onderzoeken naar dit bedrijf. De Franse autoriteiten deelden de onderzoeksbevindingen (metadata van de crypto-toestellen) met de Nederlandse autoriteiten. Nadat duidelijk werd dat ontsleuteling van het berichtenverkeer technisch mogelijk leek en wederom het vermoeden was ontstaan dat de gebruikers van deze diensten zich – kort gezegd – bezighielden met georganiseerde (zware) criminaliteit, ging het onderzoek ‘26Argus’ van start, dat zich daarbij richtte op de gebruikers van de crypto-diensten van SkyECC. Zo kwamen lopende het onderzoek ‘26Alston’ naast [verdachte] ook overige verdachten als deelnemers van een door [verdachte] geleid CSV (over de periode 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021) in beeld, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [mededader 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 8] en [mededader 4] . SkyECC maakte gebruik van een speciale reseller-constructie, waarbij crypto-telefoons anoniem en alleen tegen contante betaling werden verhandeld. Uit de onderschepte SkyECC-data werd onder meer de volgende informatie verkregen: SkyECC-ID’s (een per account toegewezen code die bestond uit 6 karakters van cijfers en letters) van gebruikers inclusief zelfgekozen nicknames, IMEI- en simkaartnummers, de resellers (de verkopers van de telefoon(s)-/abonnementen), metadata van berichten (waaronder welke gebruiker naar welke gebruiker, wanneer verzonden/ontvangen/gelezen), de contacten van de SkyECC-ID’s en de contactmomenten. De SkyECC-chat-ID, de zes-karakters-tellende code kon niet worden gewijzigd door de gebruiker van de SkyECC-telefoon. Toevoegen van contacten (louter een ander SkyECC-ID) aan het adresboek kon alleen door eerst een uitnodiging te sturen, waarna de ontvanger expliciet toestemming moest geven om te worden toegevoegd aan het adresboek, waarna pas kon worden gechat. Nadat een contact was toegevoegd, kon de gebruiker de naam van zijn contact wijzigen, maar dat was alleen zichtbaar voor de gebruiker van de telefoon. ANØM Voorts werd, lopende het onderzoek ’26Alston’, aanvullende informatie verkregen in de vorm van crypto-data uit het nadien gestarte strafrechtelijke opsporingsonderzoek ‘26Eagles’ (start: 26 maart 2021), betreffende onderzoek naar het (de) CSV(’s) dat (die) zich met gebruikmaking van de ANØM-berichtendienst (hierna ook afgekort weergegeven als ANØM) schuldig maakte(n) aan het beramen of plegen van zware misd