Skip to content
Case Law
EN

CASE OF ILAREVA AND OTHERS v. BULGARIA

ECHR

ECHR

Case Summary

Drie personen werkten allen bij NGOs op het gebied van de beschermign van mensenrechten, inclusief die van vluchtelingen. In 2015 werden zij op Facebook doelwit van doodsbedreigingen, haatzaaiende berichten en oproepen tot geweld (zie punten 7 t/m 18). De autoriteiten stelden slechts een beperkt onderzoek in (aanvankelijk enkel voor haatzaaien) en stelden dat ze de daders niet konden vinden, nu ze de verkeersgegevens (hier IP-adressen) niet konden opvragen omdat de maximumstraf voor het vergrijp vier jaar gevangenisstraf was en pas vanaf vijf jaar (‘serious crime’) de mogelijkheid voor het OM op grond van de wet bestond om de informatie op te vorderen bestond (punt 25). Het EHRM overweegt echter dat er onvoldoende was gedaan om gelet op de ernstige vergrijpen de betrokkene op eenzelfde manier te beschermen online als het offline behoort te doen (r.o. 140) Het schermen met de zogenoemde onmogelijkheden die de wetgeving op het gebied van de verzameling van verkeersgegevens met zich zou brengen overtuigen niet. Daarnaast is er onvoldoende buiten die route van opsporing gekeken. Zo waren er alternatieve onderzoeken die uitgevoerd hadden kunnen worden, zoals het opvragen van accountgegevens bij Facebook, IT-forensisch onderzoek, of internationale samenwerking (r.o. 81 jo 142). Het EHRM oordeelde dat de gekozen aanpak niet leidde tot opheldering van de feiten en geen afdoende reactie vormde op de klachten van de verzoekers. Het gevolg was dat de bedreigingen, oproepen tot geweld en haatzaaier ingegeven door intolerantie en vooroordelen en gericht tegen de verzoekers vanwege hun inzet voor bepaalde minderheidsgroepen, praktisch zonder juridische gevolgen zijn gebleven. (r.o. 145-146) Dit leverde uiteindelijk een schending op van