Uitgebreide bespreking afluisteren telefoongesprekken in relatie tot HvJ EU en HR uitspraken (Landeck en Prokuratuur)
Hoge Raad
Case Summary
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000560-20 Uitspraak d.d.: 19 augustus 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 23 januari 2020 met parketnummer 08-996086-15 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats] Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 28 maart 2023, 24 juni 2025 en 19 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. V.P.J. Tuma, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft verdachte ter zake van – kort gezegd – het onder feit 1 tenlastegelegde als leider deelnemen aan een criminele organisatie en het onder feit 2 primair tenlastegelegde, te weten (een gewoonte maken van) het zonder vergunning aanwezig hebben van kansspelautomaten op publieke plaatsen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ter zake van feit 2 en een andere strafoplegging komt en zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg, kort en zakelijk weergegeven op neer dat verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie die gericht was op het faciliteren van illegaal gokken, het witwassen van de opbrengsten daarvan en het ontduiken van belastingen (feit 1); en dat hij op verschillende plaatsen in Nederland samen met een ander in de periode van 22 november 2011 tot 1 januari 2015 kansspelautomaten aanwezig heeft gehad op voor het publiek toegankelijke plaatsen (feit 2 primair ten eerste) en in de periode van 1 januari 2015 tot en met 4 april 2016 een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk zonder vergunning aanwezig hebben van kansspelautomaten op voor publiek toegankelijke plaatsen (feit 2 primair ten tweede), dan wel in de periode van 22 november 2011 tot 1 januari 2015 opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan het publiek om via een kansspel mee te dingen naar prijzen zonder dat daarvoor een vergunning was verleend (feit 2 subsidiair ten eerste) en in de periode van 1 januari 2015 tot en met 4 april 2016 een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk gelegenheid geven aan het publiek om via een kansspel mee te dingen naar prijzen zonder dat daarvoor een vergunning was verleend (feit 2 subsidiair ten tweede); Voluit luidt de tenlastelegging dat: 1. hij in of omstreeks 22 november 2011 tot en met 4 april 2016 in de gemeente [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] en/of elders in Nederland en/of Duitsland, als oprichter/leider/bestuurder heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband met o.a. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en één of meer andere natuurlijke en/of rechtspersonen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: - het gelegenheid geven om mede te dingen naar prijzen en/of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschied door enige kansbepaling waarop de deelnemers geen invloed kunnen uitoefenen en waarvoor geen vergunning is afgegeven (als bedoeld in artikelen 1 lid 1 onder a in combinatie met artikel 36 WOK) en/of - ( gewoonte)witwassen (als bedoeld in artikel 420ter/bis SR) en/of - belastingfraude; het niet afdragen van inkomstenbelasting en/of kansspelbelasting (als bedoeld in artikel 68 en/of 69 AWR); artikel 140 lid 3 Wetboek van Strafrecht 2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 november 2011 tot 1 januari 2015, in de gemeente [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen althans alleen, opzettelijk telkens zonder vergunning van de burgemeester één of meer kansspelautomaten aanwezig heeft gehad op voor het publiek toegankelijke plaatsen, te weten onder meer: - [stichting 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 1] - vanaf moment bestuurlijke boete - (zaaksdossier 002) en/of - [cybercafé] en/of [stichting 2] , gelegen aan de [vestigingsplaats 2] (zaaksdossier 003) en/of - [video en tabakshop] , gelegen aan de [vestigingsplaats 3] (zaaksdossier 004) en/of - [stichting 3] , gelegen aan de [vestigingsplaats 4] (zaaksdossier 005) en/of - [bedrijf 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 5] (zaaksdossier 6) en/of - [café] gelegen aan het [vestigingsplaats 6] (zaaksdossier 006) en/of - [kiosk] gelegen aan de [vestigingsplaats 7] (zaaksdossier 007) en/of - [stichting 4] , gelegen aan de [vestigingsplaats 8] (zaaksdossier 008) en/of - [stichting 5] , gelegen aan de [vestigingsplaats 9] (zaaksdossier 009), en hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 4 april 2016, in de gemeente [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen althans alleen, opzettelijk telkens zonder vergunning van de burgemeester één of meer kansspelautomaten aanwezig heeft gehad op voor het publiek toegankelijke plaatsen, te weten onder meer: - [stichting 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 1] vanaf -moment bestuurlijke boete- (zaaksdossier 002) en/of - [cybercafé] en/of [stichting 2] , gelegen aan de [vestigingsplaats 2] (zaaksdossier 003) en/of - [video en tabakshop] , gelegen aan de [vestigingsplaats 3] (zaaksdossier 004) en/of - [stichting 3] , gelegen aan de [vestigingsplaats 4] (zaaksdossier 005) en/of - [bedrijf 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 5] (zaaksdossier 6) en/of - [café] gelegen aan het [vestigingsplaats 6] (zaaksdossier 006) en/of - [kiosk] , gelegen aan de [vestigingsplaats 7] (zaaksdossier 007) en/of - [stichting 4] , gelegen aan de [vestigingsplaats 8] (zaaksdossier 008) en/of - [stichting 5] , gelegen aan de [vestigingsplaats 9] (zaaksdossier 009), zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders van het plegen van voormelde feiten een gewoonte heeft gemaakt; althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, terzake dat hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 november 2011 tot 1 januari 2015, in de gemeente [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in - [stichting 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 1] - vanaf moment bestuurlijke boete - te [plaats 1] (zaaksdossier 002) en/of - [cybercafé] en/of [stichting 2] , gelegen aan de [vestigingsplaats 2] (zaaksdossier 003) en/of - [video en tabakshop] , gelegen aan de [vestigingsplaats 3] (zaaksdossier 004) en/of - [stichting 3] , gelegen aan de [vestigingsplaats 4] (zaaksdossier 005) en/of - [bedrijf 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 5] (zaaksdossier 6) en/of - [café] gelegen aan het [vestigingsplaats 6] (zaaksdossier 006) en/of - [kiosk] , gelegen aan de [vestigingsplaats 7] (zaaksdossier 007) en/of - [stichting 4] , gelegen aan de [vestigingsplaats 8] (zaaksdossier 008) en/of - [stichting 5] , gelegen aan de [vestigingsplaats 9] (zaaksdossier 009), (telkens) al dan niet opzettelijk gelegenheid heeft gegeven (aan personen uit) het publiek om door middel van een (kans)spel op de website [website 2] , in elk geval enig (kans)spel, mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaars geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen en daarvoor (telkens) ingevolge de Wet op de kansspelen geen vergunning was verleend; en hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 januari 2015 tot en met 4 april 2016, in de gemeente [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in - [stichting 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 1] - vanaf moment bestuurlijke boete - te [plaats 1] (zaaksdossier 002) en/of - [cybercafé] en/of [stichting 2] , gelegen aan de [vestigingsplaats 2] (zaaksdossier 003) en/of - [video en tabakshop] , gelegen aan de [vestigingsplaats 3] (zaaksdossier 004) en/of - [stichting 3] , gelegen aan de [vestigingsplaats 4] (zaaksdossier 005) en/of - [bedrijf 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 5] (zaaksdossier 6) en/of - [café] gelegen aan het [vestigingsplaats 6] (zaaksdossier 006) en/of - [kiosk] , gelegen aan de [vestigingsplaats 7] (zaaksdossier 007) en/of - [stichting 4] , gelegen aan de [vestigingsplaats 8] (zaaksdossier 008) en/of - [stichting 5] , gelegen aan de [vestigingsplaats 9] (zaaksdossier 009), (telkens) al dan niet opzettelijk gelegenheid heeft gegeven (aan personen uit) het publiek om door middel van een (kans)spel op de website [website 2] , in elk geval enig (kans)spel, mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaars geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen en daarvoor (telkens) ingevolge de Wet op de kansspelen geen vergunning was verleend zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders van het plegen van voormelde feiten een gewoonte heeft gemaakt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid openbaar ministerie De cumulatieve tenlastelegging onder 2 primair ten eerste en subsidiair ten eerste is toegesneden op overtreding van respectievelijk het voorschrift gesteld bij artikel 30b (oud) van de Wet op de kansspelen en het voorschrift gesteld bij artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet op de kansspelen en houdt in respectievelijk het zonder vergunning aanwezig hebben van kansspelautomaten op voor het publiek toegankelijke plaatsen en het zonder vergunning gelegenheid geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing van de winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, gepleegd in de periode van 22 november 2011 tot 1 januari 2015. Gedragingen in strijd met deze voorschriften waren in de ten laste gelegde periode als economisch delict strafbaar gesteld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 3o, van de Wet op de economische delicten. Voor zover opzettelijk begaan betreffen dit misdrijven en wordt degene die het misdrijf begaat op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 2o, van de Wet op de economische delicten gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Ingevolge artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2o, van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Ingevolge artikel 72, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht stuit elke daad van vervolging de verjaring. Ingevolge artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht vangt na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn. Op het moment van de onderhavige uitspraak, 19 augustus 2025, geldt ten aanzien van een deel van de pleegperiode van de cumulatief onder 2 primair ten eerste en subsidiair ten eerste ten laste gelegde feiten dat vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn. Dit zijn de onder 2 primair ten eerste en subsidiair ten eerste ten laste gelegde misdrijven die in de periode van 22 november 2011 tot en met 18 augustus 2013 zouden zijn gepleegd. Ten aanzien van die misdrijven is het recht tot strafvordering vervallen, zodat het openbaar ministerie in zoverre in de vervolging van de verdachte nietontvankelijk moet worden verklaard. Rechtmatigheid vooronderzoek Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wanneer de bewezenverklaring in grote dan wel niet geringe mate wordt gebaseerd op de inhoud van afgeluisterde gesprekken, bij de afgeluisterde gesprekken moet zijn voldaan aan de eisen die in het Landeck-arrest (HvJ EU 4 oktober 2024) en het naar aanleiding daarvan door de Hoge Raad gewezen arrest (HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409) zijn gesteld aan het onderzoek in inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers. Het tappen van telefoongesprekken komt op hetzelfde neer als het maken van een image van een smartphone, omdat daarmee alle communicatie die via het nummer tot stand komt zonder filter wordt verkregen. Onderzoek aan inhoudelijke, via een smartphone uitgewisselde, communicatie moet worden gezien als een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Voor het afluisteren van de telefoons was daarom niet alleen een machtiging van de rechtercommissaris vereist, maar had daarbij ook het materiële afwegingskader moeten worden toegepast. De summier gemotiveerde machtigingen van de rechtercommissaris voldoen niet daaraan. Artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering moet richtlijnconform – in overeenstemming met Richtlijn 2002/58/EG en Richtlijn (EU) 2016/680 – en op basis van het evenredigheidsbeginsel zo worden uitgelegd, dat een machtiging voor tappen blijk moet geven van een volwaardige belangenafweging tussen enerzijds het belang van opsporing en anderzijds het belang van eerbiediging van de grondrechten van het betrokken individu. De getapte gesprekken zijn, nu van een dergelijke belangenafweging bij de machtigingen geen sprake is, onrechtmatig verkregen en dienen op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering te worden uitgesloten van het bewijs. De afgeluisterde telefoongesprekken zijn bovendien onrechtmatig verkregen omdat bij de vermeende strafbare feiten die aan de machtigingen ten grondslag zijn gelegd geen sprake is van een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Weliswaar betrof de verdenking niet alleen overtreding van de Wet op de kansspelen maar ook artikel 140 en artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, maar deze feiten vallen in wezen met de overtreding van de Wet op de kansspelen samen. Standpunt openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen bewijsuitsluiting moet worden toegepast. De Landeck-beperkingen gelden niet voor het tappen van telefoons. Oordeel hof Het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid tot het bevelen van het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel houdt in dat die bevoegdheid aan de officier van justitie is verleend. De rechtercommissaris dient van tevoren een schriftelijke machtiging te hebben verstrekt. Het staat daarbij in eerste instantie ter beoordeling van de officier van justitie of er sprake is van een verdenking als bedoeld in artikel 126m, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en of het onderzoek dringend vordert dat gegevensverkeer wordt opgenomen. Bij deze laatste toetsing spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. Vervolgens dient de rechtercommissaris bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan bovenstaande wettelijke voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. In het wettelijk systeem houdt die beoordeling, in een geval waarin de rechtercommissaris een machtiging heeft verstrekt, de beantwoording van de vraag in of de rechtercommissaris in redelijkheid tot zijn oordeel over die machtiging heeft kunnen komen. Verder omvat die beoordeling de vraag of het gebruik dat de officier van justitie vervolgens heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het bevelen van het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel in overeenstemming is met die machtiging en overigens rechtmatig is. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtercommissaris in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat machtigingen konden worden verstrekt omdat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Op grond van de inhoud van de vorderingen heeft de rechtercommissaris ook steeds in redelijkheid tot het afgeven van een tapmachtiging kunnen komen. De verdenking tegen de verdachte en later ook de medeverdachte hield in dat zij deel uitmaakten van een criminele organisatie die zich bezig houdt met het aanbieden van illegale toto op verschillende locaties in Nederland en het op die manier op grote schaal overtreden van de Wet op de kansspelen. Daarbij werden de opbrengsten witgewassen en kansspelbelasting en inkomstenbelasting ontdoken. Ondanks bestuursrechtelijk optreden door gemeentebesturen en de Kansspelautoriteit zou het illegaal aanbieden van kansspelen al meer dan drie jaar op verschillende locaties in het land plaatsvinden. Gezien de aard van de verdenking en de concrete omstandigheden waaronder de misdrijven in georganiseerd verband werden gepleegd, heeft de rechtercommissaris naar het oordeel van het hof kunnen oordelen dat sprake was van de verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Het hof onderschrijft niet de opvatting van de verdediging dat de schriftelijke machtigingen van de rechtercommissaris voor een bevel tot het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel niet voldoen aan daaraan in het licht van HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 ( Landeck ) en HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409 te stellen eisen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/680. Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 ( Landeck ) heeft het HvJ EU geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten onder voorwaarden de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). De richtlijn over privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan. Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 ( Prokuratuur ) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 ( Prokuratuur ) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen. In zijn arrest van 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als politie en justitie onderzoek willen verrichten aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken en er van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer sprake is – bijvoorbeeld als inzicht wordt verkregen in de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie – een voorafgaande toetsing door de rechtercommissaris is vereist. Deze toetsing vergt een beoordeling of de inbreuk die door het onderzoek wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, is gerechtvaardigd mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang voor de waarheidsvinding van het onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk. De regeling van artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering voldoet aan het Unierechtelijke en door de Hoge Raad in zijn jurisprudentie toegepaste uitgangspunt dat bij een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer door een onderzoek aan elektronische communicatie, voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. De rechtercommissaris – een rechterlijke instantie in de zin van HvJ EU 2 maart 2021, C746/18, ECLI:EU:C:2021:152 ( Prokuratuur ) en HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 ( Landeck ) en de daarop gebaseerde rechtspraak van de Hoge Raad – toetst bij een vordering voor een tapmachtiging of sprake is van een verdenking als bedoeld in artikel 126m, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en of het onderzoek dringend vordert dat telecommunicatie wordt opgenomen. Hierbij spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. In die toetsing ligt naar het oordeel van het hof besloten dat de rechtercommissaris beoordeelt of de inbreuk die door het onderzoek wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van het nummer, is gerechtvaardigd, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van de inzet van het middel voor de waarheidsvinding. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de toetsing die de rechtercommissaris in deze zaak op grond van artikel 126m, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering bij de beoordeling van het opnemen van communicatie via bij de verdachte in gebruik zijnde telefoon- en IPnummers heeft uitgevoerd, niet aan deze eisen (van proportionaliteit en subsidiariteit) voldoet. Van belang hierbij is dat bij de beoordeling van de machtigingen om te tappen de inhoud van de daartoe strekkende vorderingen van de officier van justitie over de verdenking tegen de verdachte en de medeverdachte in aanmerking mag worden genomen. De feiten en omstandigheden uit die vorderingen hielden in dat de verdachte en de medeverdachte in georganiseerd verband op grote schaal illegaal toto aanbieden en zo een gewoonte maken van overtreding van de Wet op de kansspelen en dat gedurende het opsporingsonderzoek de schaal waarop zij illegale toto aanbieden groter en de verdenking tegen hen gaandeweg sterker zijn geworden. Zo heeft de officier van justitie uiteindelijk het gezamenlijk wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op netto € 2.377.962,-. Aan het betoog van de verdediging over de betekenis van HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C548/21, ECLI:EU:C:2024:830 ( Landeck ) en HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409 voor de aan een tapmachtiging te stellen eisen, kan dan ook niet de conclusie worden verbonden die zij er aan gehecht wil zien. Het hof laat daarbij verder buiten beschouwing dat deze rechtspraak gaat over een onderzoek van gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, en niet over het opnemen met een technisch hulpmiddel van communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 en 2 subsidiair. Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 (primair en subsidiair) tenlastegelegde. Daartoe is, zakelijk weergegeven en in lijn met de verklaringen van verdachte, aangevoerd dat verdachte op verschillende locaties in Nederland zijn gokwebsite promootte waarop vervolgens in het buitenland kon worden gegokt. De in het buitenland gegenereerde winsten werden vervolgens via tussenpersonen naar de betreffende locaties in Nederland gebracht, waar verdachte deze samen met medeverdachte [medeverdachte 1] periodiek ophaalde. Voor zover er in Nederland via zijn website is gegokt, is dit buiten weten van verdachte geschied, aldus de verdediging. Oordeel van het hof De rechtbank heeft in haar vonnis uitvoerige overwegingen gewijd aan het bewijs. Het hof maakt die overwegingen tot de zijne en zal die – voor zover het hof de overwegingen van de rechtbank overneemt – hierna citeren en gecursiveerd weergeven. Waar in de hierna cursief weergegeven tekst ‘de rechtbank’ staat vermeld, moet in dat geval ‘het hof’ worden gelezen. Aanvullingen van het hof worden niet-cursief weergegeven. Inleiding In februari 2015 is het onderzoek onder de naam ‘Mandoline’ gestart omdat de verdenking bestond dat medeverdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) vanaf 22 november 2011 op een aantal locaties in Nederland in samenwerking met anderen illegaal online kansspelen aanbood, waarbij het vermoeden was dat de opbrengsten hieruit werden witgewassen. Op 23 maart 2015 heeft de Kansspelautoriteit (hierna: Ksa) aangifte gedaan tegen [verdachte] . Kort na de start van het opsporingsonderzoek bleek uit opgenomen telefoongesprekken dat [verdachte] veelvuldig contact had met verdachte (hierna: [medeverdachte 1] ), met wie hij eerder door politiemensen op verschillende goklocaties was gezien. In hun onderlinge telefoongesprekken ging het onder meer over activiteiten op diverse goklocaties. Beide verdachten waren tijdens observaties bij diverse locaties gezien waar mogelijk gegokt werd. Het onderzoek heeft geleid tot doorzoekingen op meerdere adressen in Nederland, Duitsland en Oostenrijk op 4 april 2016. Beide verdachten werden die dag ook aangehouden door de politie. Beoordelingskader Verdachte wordt onder 1 verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Onder een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt verstaan ‘een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en tenminste één ander persoon.’ Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijk samenwerkingsverband het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan het min of meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking. Daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of de onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van een gemeenschappelijk doel van de organisatie en, meer in het algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Van deelname aan een criminele organisatie is slechts dan sprake, indien de betrokkene: 1. behoort tot het samenwerkingsverband en 2. een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt bij, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 140 Sr bedoelde oogmerk. Voor deelneming is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Er moet sprake zijn van een zodanige rol in het geheel van handelingen dat het samenwerkingsverband daardoor functioneert of kan functioneren. De rechtbank is - met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw - van oordeel dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie. Uit het dossier blijkt dat er sprake was van een samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [verdachte] . Hierbij vervulde iedere verdachte zijn eigen rol, waarbij de volgende (globaal weergegeven) modus operandi werd gehanteerd. [verdachte] en [medeverdachte 1] gingen actief op zoek naar fysieke locaties om gokactiviteiten te ontplooien. Dit betroffen onder meer locaties die reeds ingericht waren als koffiehuis of tabakswinkel, waarbij een samenwerking werd aangegaan met de eigenaar. In sommige gevallen werd een stichting opgericht en een locatie gehuurd of gekocht. Deze bestemmingen werden door [verdachte] expliciet een dekmantel genoemd. Er werden mensen benaderd voor bijvoorbeeld de rol als stichtingsbestuurder of penningmeester, waardoor de stichting niet eenvoudig naar [verdachte] en [medeverdachte 1] te herleiden was. [verdachte] en [medeverdachte 1] bepaalden in onderling overleg welk personeel voor een locatie werd ingehuurd en tegen welke vergoeding. In Oostenrijk werd het programma [programma 1] ingekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] , een softwarebedrijf dat softwarelicenties verstrekt. [verdachte] en [medeverdachte 1] gebruikten deze software in hun pand aan de [vestigingsplaats 1] en stelden deze op verschillende locaties in Nederland aan anderen ter beschikking. Daarbij werd onder meer gebruik gemaakt van [programma 2] en van de website [website 1] . [verdachte] zorgde ervoor dat op de locaties apparatuur werd geplaatst en programma’s werden geïnstalleerd waarmee ingelogd kon worden op de servers van [bedrijf 2] . In een later stadium kon worden gespeeld op een eigen server die door [verdachte] en [medeverdachte 1] was aangekocht. Bij de locatiehouder en andere medewerkers op die locaties konden weddenschappen worden geplaatst waarvoor kwitanties of bonnen werden uitgedraaid, dan wel credits gekocht waarvoor tickets met een persoonlijke ID en/of inlogcode werden ontvangen. Een speler kon daarmee inloggen en vervolgens inzetten op voetbalwedstrijden. Eventuele gokwinsten werden door de locatiehouder contant uitbetaald aan de betreffende speler. Als er onvoldoende cash aanwezig was dan werd door de betreffende locatiehouder contact opgenomen met [verdachte] , die vervolgens in overleg met [medeverdachte 1] er voor zorgde dat er voldoende geld kwam om uit te betalen. Aan de hand van de gegevens op de [bedrijf 2] server konden [verdachte] en [medeverdachte 1] vaststellen hoeveel geld zij per goklocatie konden ophalen. Maandelijks werden de zogenaamde afrekenrondes gereden om hun gokwinsten op te halen. De locatiehouders ontvingen vergoedingen. In enkele gevallen kregen ze een salaris (van bijvoorbeeld 500 euro per week) en in andere gevallen een percentage van 30 tot 40 procent van de netto gokwinst. In de hierboven omschreven werkwijze van [verdachte] en [medeverdachte 1] was sprake van een zekere rolverdeling. Met name uit het groot aantal afgeluisterde gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] komt dat naar voren. In de gesprekken noemt [verdachte] [medeverdachte 1] bijvoorbeeld dikwijls ‘patron’ en andersom wordt [verdachte] door [medeverdachte 1] vaak ‘directeur’ genoemd. [verdachte] treedt naar de buitenwereld het meest op de voorgrond. Ondertussen overlegt hij, met name voor belangrijke beslissingen, met [medeverdachte 1] . Uit de observaties, de huiszoekingen en de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] de financiën beheert. Zo houdt hij tijdens de zogenoemde afrekenrondes langs de goklocaties de administratie in de auto bij. De aangetroffen handgeschreven kasadministratie en notities in de woning van [medeverdachte 1] en in zijn kantoorruimte aan de [vestigingsplaats 1] ondersteunen dit, als ook het op 4 april 2016 in de woning van [medeverdachte 1] contant aangetroffen geldbedrag van € 300.000,-. Verder constateert de rechtbank dat zij doorgaans in de “wij-vorm” spreken wanneer het over zaken gaat. Zo stelt [medeverdachte 1] in een op 1 september 2015 gevoerd gesprek "wij zijn al 4 à 5 jaar totoaanbieder" en, een maand, later: "We verdienen net zoveel als een coffeeshop" en "het geld dat wij sinds 2010 of 2011 hebben uitgegeven is heel veel." Zij benoemen onderling ook expliciet dat zij een bedrijf runnen. Wanneer [verdachte] op 1 oktober 2015 tegen [medeverdachte 1] zegt: "Zo he! Patron, wij zijn een echt bedrijf, maar we beseffen dat niet", antwoordt [medeverdachte 1] : "En niet zo'n klein bedrijfje ook." Vervolgens bespreken zij de omzet van "Voetbal en Sports." Ook naar derden laat [verdachte] zich in vergelijkbare zin uit. Zo benoemt hij in een gesprek met een zekere [naam 1] dat hij een compagnon heeft die [medeverdachte 1] heet en dat zij samen de eigenaars zijn van de hele business. Verder constateert de rechtbank dat zij doorgaans in de “wij-vorm” spreken wanneer het over zaken gaat. Zo stelt [medeverdachte 1] in een op 1 september 2015 gevoerd gesprek “wij zijn al 4 à 5 jaar totoaanbieder” en, een maand, later: “We verdienen net zoveel als een coffeeshop” en “het geld dat wij sinds 2010 of 2011 hebben uitgegeven is heel veel”. Zij benoemen onderling ook expliciet dat zij een bedrijf runnen. Wanneer [verdachte] op 1 oktober 2015 tegen [medeverdachte 1] zegt: “Zo he! Patron , wij zijn een echt bedrijf, maar we beseffen dat niet”, antwoordt [medeverdachte 1] : “En niet zo'n klein bedrijfje ook”. Vervolgens bespreken zij de omzet van “Voetbal en Sports”. Ook naar derden laat [verdachte] zich in vergelijkbare zin uit. Zo benoemt hij in een gesprek met een zekere [naam 1] dat hij een compagnon heeft die [medeverdachte 1] heet en dat zij samen de eigenaars zijn van de hele business. Verder constateert de rechtbank dat uit de aangifte van Ksa volgt dat door verdachten nooit een vergunning is aangevraagd. [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij geen vergunning had voor het aanbieden van kansspelen. Dat beide verdachten wisten dat hun business niet legaal was, volgt ook uit verschillende afgeluisterde gesprekken. Zo bevat het dossier een gesprek van [verdachte] met een onbekend gebleven persoon, waarin [verdachte] onder meer zegt: “Ook wij laten hier in Nederland de mensen illegaal spelen (…). En als er controle komt, druk je op een knop en omdat het gestreamd wordt, verdwijnt het. (…) Er blijft geen enkel bewijs achter”. In een gesprek met [naam 1] benoemt hij opnieuw meermalen dat het illegaal is wat hij doet en dat hij in Nederland heel veel illegaal heeft. Uit de afgeluisterde gesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] ook op de hoogte was van hoe het systeem werkte en op welke manier de controles konden worden gesaboteerd. Verder stelt de rechtbank vast dat de illegale herkomst van de gokopbrengsten door verdachten werd verhuld. Zo spreekt [verdachte] over de aanschaf van cafetaria “ [cafetaria] ”, zodat hij kan laten zien dat hij omzet heeft en wordt op 4 april 2016 in de woning van [medeverdachte 1] een contant geldbedrag van € 300.000,- aangetroffen, voor een groot deel bestaande uit in het normale handelsverkeer ongebruikelijke coupures van € 500,‑. Ook zijn beide verdachten op 8 oktober 2014 gezamenlijk aangehouden aan de grens met Servië, terwijl zij met € 300.000,- aan contanten onderweg waren naar Turkije. Over de uitgekeerde geldbedragen is nooit kansspelbelasting afgedragen en over de inkomsten uit kansspelen is nooit inkomstenbelastingaangifte afgedragen. De hiervoor besproken werkwijze van verdachten vindt verdere bevestiging in de onderzoeksbevindingen op de verschillende locaties in Nederland die in de tenlastelegging zijn genoemd. Op die locaties zal hieronder nader worden ingegaan. [stichting 1] ( [vestigingsplaats 1] ) [medeverdachte 1] is eigenaar van het pand aan de [vestigingsplaats 1] . Blijkens een uittreksel van de Kamer van Koophandel is op dit adres [stichting 1] gevestigd. Deze stichting is opgericht op 23 maart 2010 en [verdachte] staat als voorzitter geregistreerd. [medeverdachte 1] heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij het pand aan [verdachte] verhuurde. Uit de aangifte van de Ksa valt af te leiden dat er op dit adres twee controles hebben plaatsgevonden op 15 februari 2013 respectievelijk 7 januari 2014. Er zijn daarbij pc’s met logbestanden aangetroffen en er lagen tickets in de prullenbak. Onderzoek naar de logbestanden duidde op verdiensten van € 15.000,- in een periode van 6 weken. Bij beide controles was [verdachte] op deze locatie aanwezig. Gedurende het opsporingsonderzoek is de locatie driemaal, namelijk op 18 september 2015, 29 september 2015 en 17 oktober 2015, bezocht door zogenoemde pseudokopers. Op al deze dagen konden de pseudokopers eenvoudig naar binnen, werd hen niet gevraagd naar legitimatie en bleken zij te kunnen deelnemen aan gokactiviteiten. Op 17 oktober 2015 hebben de pseudokopers bovendien waargenomen dat [naam 2] kassierswerkzaamheden in het pand verrichtte en dat hij hen middels een gebruikersnaam en een wachtwoord hielp met inloggen op de website [website 2] . Op vragen aan [naam 2] hoe de pseudokopers zelf in een willekeurige zaak zo’n goksysteem konden krijgen, heeft [naam 2] toen geantwoord dat “zijn baas” dat doet en dat die wel contact met hen zou opnemen als ze een telefoonnummer achterlieten. Twee dagen later, op 19 oktober 2015, heeft een persoon die zich voorstelde als “ [verdachte] ” via WhatsApp contact opgenomen. Aan zijn profielfoto werd deze persoon herkend als [verdachte] . Op 4 april 2016 heeft vervolgens een doorzoeking plaatsgevonden in het pand. Daarbij zijn - onder meer - elf computers aangetroffen, die allemaal aan stonden. Op de schermen van deze computers stond een site met de tekst “ [website 2] ”. In het pand waren verder verschillende personen aanwezig die als getuige zijn gehoord. Zo heeft getuige [naam 3] in zijn verhoor van 19 april 2016 verklaard dat het pand een illegale goktent was. Hij veronderstelt dat het pand van [medeverdachte 1] en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] en [verdachte] ) is en dat het idee van de toto van [verdachte] kwam. [naam 3] heeft verder uitgelegd, zakelijk weergegeven, dat er aanvankelijk een goksysteem was waarbij kon worden ingelogd met een gebruikersnaam en wachtwoord en waarbij bonnetjes werden verstrekt, maar dat de laatste drie maanden gewerkt werd met een systeem met pasjes die konden worden opgewaardeerd en waarbij er geen bonnetjes - die bewijsmateriaal konden vormen - meer aan te pas kwamen. Ook heeft de getuige verklaard over verschillende rollen die enkele personen in het pand vervulden. Zo was ene [naam 4] (de rechtbank begrijpt: fonetisch weergegeven) verantwoordelijk voor het opwaarderen van de pasjes en bestonden de werkzaamheden van Mike (de rechtbank begrijpt: [naam 2] ) uit het binnenlaten van mensen, het opwaarderen van kaarten en het innen en uitbetalen van geld - overeenkomend met de door de pseudokopers geconstateerde kassierswerkzaamheden - en dat hij werd aangestuurd door [verdachte] en [medeverdachte 1] , die de baas waren. Het dossier bevat daarnaast een groot aantal afgeluisterde (tap- en OVC-)gesprekken, waaruit naar voren komt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in 2015 regelmatig met elkaar spraken over onder meer de omzet en/of winst , de personele bezetting , over ruzies tussen personeelsleden , over te nemen maatregelen bij controles , over het onderhoud van computers en het oplossen van storingen en over het vervangen van kapotte goederen en systeemaanleg. Wat in deze gesprekken opvalt is dat [verdachte] [medeverdachte 1] aanspreekt met “baas” of “patroon” en dat [medeverdachte 1] andersom [verdachte] aanspreekt met “directeur”.' [cybercafé] en/of [stichting 2] ( [vestigingsplaats 2] ) Op grond van de aangifte van de Ksa en van de uit het opsporingsonderzoek verzamelde gegevens, werd vermoed dat aan de [vestigingsplaats 2] een goklocatie zat waarbij [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken waren. Op dit adres stond van 1 januari 2012 tot 23 juni 2014 [cybercafé] ingeschreven. Op 16 april 2012 is door de politie samen met de Belastingdienst en de Ksa een controle uitgevoerd in dit pand, waarbij drie werkende voetbalzuilen zijn aangetroffen. Ook zijn in prullenbakken diverse bonnetjes aangetroffen waarop weddenschappen en bedragen voor het gokken stonden. Vanaf 24 februari 2015 is op dit adres [stichting 2] gevestigd, met als voorzitter [naam 5] , als secretaris [naam 6] en als penningmeester [naam 7] . Uit afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [verdachte] in de periode van augustus tot en met november 2015 regelmatig contact onderhield met [naam 5] . Zij spraken onder meer over het betalen van klanten, over afrekenen en af te dragen percentages , over accountnummers en wachtwoorden en over het nemen van voorzorgsmaatregelen voor het geval er controle komt (er mogen geen tickets te vinden zijn, ook niet bij de vuilnis). Dat er voorzorgsmaatregelen werden genomen, blijkt ook uit een gesprek dat [verdachte] op 19 november 2015 voert met een onbekend gebleven persoon, aan wie hij [stichting 2] laat zien. [verdachte] vertelt dan dat er achterin toto wordt gespeeld en dat het hele systeem verdwijnt als er controle komt. Op 31 augustus 2015 heeft [verdachte] contact met [naam 5] , die op dat moment in Turkije is, waarbij [naam 5] hem vraagt om een bedrag van ongeveer 2000 euro te sturen. Diezelfde dag belt [verdachte] met [medeverdachte 1] en vindt overleg plaats over “Rustem” die vanuit Turkije heeft gebeld en om 2000 euro heeft gevraagd. [medeverdachte 1] geeft dan aan [verdachte] aan dat hij het meteen zal overmaken als [verdachte] het moet sturen. In een afgeluisterd (OVC-)gesprek van 30 september 2019 bespreken [medeverdachte 1] en [verdachte] dat zij om de twee weken zullen komen afrekenen en dat zij bij [cybercafé] goed geld hebben verdiend, waarbij [medeverdachte 1] vermoedt dat zij in totaal 40 à 50 duizend euro hebben opgehaald. Op 5 oktober 2015 bespreken zij dat ze - zakelijk weergegeven - morgen 4000 gaan ophalen van de pandeigenaar van [cybercafé] . Dat [medeverdachte 1] en [verdachte] fysiek op deze locatie kwamen, blijkt ook uit bevindingen van een observatieteam dat hen op 1 september 2015 gezamenlijk dit pand hebben zien binnengaan. Op 7 januari 2016 is tijdens een horeca-controle in het pand een ruimte aangetroffen achter een afgesloten deur, die middels een knop in de keuken geopend kon worden. In deze ruimte stonden tien laptops/pc’s en er hingen twee grote televisies aan de muur. Op één van deze televisies was een voetbalwedstrijd te zien. Op 4 april 2016 zijn vervolgens bij de doorzoeking op deze locatie onder meer acht zwarte laptops inbeslaggenomen. [video en tabakshop] ( [vestigingsplaats 3] ) Uit het register van de Kamer van Koophandel blijkt dat op de [vestigingsplaats 3] een eenmanszaak, genaamd [video en tabakshop] , is gevestigd. Sinds 1 januari 2014 staat [naam 8] als eigenaar geregistreerd. Op 28 maart 2013 heeft een controle in het pand plaatsgevonden, waarbij vier computerschermen werden waargenomen. Drie van deze schermen stonden aan en op een van de schermen was een internetpagina van een gokwebsite zichtbaar, waarmee op buitenlandse voetbalwedstrijden kon worden gegokt. Gedurende het opsporingsonderzoek zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] meerdere keren geobserveerd en bij het pand gezien. Op 1 juli 2015 wordt waargenomen dat [verdachte] zijn auto op de [vestigingsplaats 3] parkeert en - samen met een andere persoon die een mapje met papieren bij zich hield - uitstapt. Ongeveer een half uur later wordt gezien dat zij het pand aan de [vestigingsplaats 3] uit komen lopen. Vervolgens zijn zij via [plaats 3] naar [plaats 1] gereisd. Op diezelfde dag is telefoonverkeer tussen [verdachte] en [naam 8] afgeluisterd, waaruit kan worden afgeleid dat [verdachte] en [medeverdachte 1] samen zijn en met [naam 8] afspreken aan de [vestigingsplaats 3] en dat zij kennelijk geld komen ophalen. Op 1 september 2015 wordt door het opsporingsteam gezien dat [verdachte] [medeverdachte 1] oppikt in [plaats 1] , waarna zij gezamenlijk naar [plaats 5] rijden en - na eerst een bezoek te hebben gebracht aan [stichting 2] aan de [vestigingsplaats 2] (zie hierboven) - aan de [vestigingsplaats 3] in [plaats 5] parkeren. Zij gaan [vestigingsplaats 3] binnen en verlaten het pand 18 minuten later weer. Ook op deze dag is er telefonisch contact geweest tussen [verdachte] en [naam 8] . Er wordt een ontmoeting afgesproken en in een later gesprek belt [verdachte] om te vragen of het klopt dat er een tas “waar geld is” hebben achtergelaten. Deze tas komen ze ophalen. Op 2 oktober 2015 wordt gezien dat [verdachte] en [medeverdachte 1] vanuit [plaats 4] , via [plaats 7] , naar [plaats 5] rijden en om 18.28 uur [vestigingsplaats 3] binnen gaan. Om 18.42 uur komt [verdachte] naar buiten, pakt iets uit zijn auto en gaat weer naar binnen. Twee minuten later komen [verdachte] en [medeverdachte 1] gezamenlijk naar buiten. Zij rijden weg en parkeren een paar honderd meter verderop bij een eetgelegenheid. Om 19.26 uur wordt gezien dat [verdachte] alleen in zijn auto zit. Drie minuten later wordt deze auto opnieuw in de directe omgeving van [vestigingsplaats 3] geparkeerd, waarna [medeverdachte 1] uit de richting van percelen [vestigingsplaats 3] komt aanlopen en instapt. Zij vervolgen hun weg daarna naar Leiden, [plaats 3] en uiteindelijk [plaats 1] . Naast de observaties en de afgeluisterde gesprekken tussen [verdachte] en [naam 8] , bevat het dossier ook afgeluisterde gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] , waarin zij spreken over het ophalen van geld op diverse locaties. In deze context wordt ook de [vestigingsplaats 3] c.q. [video en tabakshop] genoemd. Verder is gedurende het opsporingsonderzoek tweemaal een pseudokoop ingezet om te onderzoeken of er in het pand gegokt kon worden. Op 15 september 2015 werd de pseudokoper door [naam 8] , de eigenaar, meegedeeld dat gokken illegaal was en dus niet mogelijk. Een kleine anderhalve maand later, op 27 oktober 2015, bleek een tweede pseudokoper echter wel te kunnen inzetten op voetbalwedstrijden. [naam 8] leidde deze pseudokoper naar een ruimte achterin de zaak waarin onder meer drie computers stonden. [naam 8] liet middels een Google zoekopdracht op een van deze computers een gokwebsite tevoorschijn komen, waarna de pseudokoper kon inzetten op voetbalwedstrijden. Na het inzetten werd een ticket uitgeprint onder de kassalade, dat vervolgens door [naam 8] aan de pseudokoper werd overhandigd. Op 4 april 2016 is door het onderzoeksteam ook op dit adres binnengetreden. Bij de doorzoeking van het pand zijn onder meer computers en printbonnetjes die betrekking hebben op gokken op voetbalwedstrijden (tickets) inbeslaggenomen. [stichting 3] ( [vestigingsplaats 4] ) In de aangifte van de Ksa wordt de [vestigingsplaats 4] genoemd als locatie waar mogelijk illegale gokactiviteiten werden verricht. Op deze locatie was in de ten laste gelegde periode [stichting 3] gevestigd. Uit het register van de