Skip to content
Case Law
NL

Uitgebreide bespreking afluisteren telefoongesprekken in relatie tot HvJ EU en HR uitspraken (Landeck en Prokuratuur)

Gerechtshof

Gerechtshof

Case Summary

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000488-20 Uitspraak d.d.: 19 augustus 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 23 januari 2020 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-996110-15 en 08-993150-16, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 28 maart 2023, 24 juni 2025 en 19 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr. G. Spong en mr. C.G. Peerik, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft verdachte ter zake van – kort gezegd – in de zaak met parketnummer 08996110-15 het onder 1 tenlastegelegde als leider deelnemen aan een criminele organisatie en het onder 2 primair tenlastegelegde, (een gewoonte maken van) het zonder vergunning aanwezig hebben van kansspelautomaten op publieke plaatsen, en in de zaak met parketnummer 08-993150-16 de onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde overtredingen van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 08993150-16. Hoger beroep staat hiertegen voor verdachte niet open en het hof zal hem in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ter zake van feit 2 en een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 08996110-15 in eerste aanleg – kort en zakelijk weergegeven, tenlastegelegd: dagvaarding met parketnummer 08996110-15 dat verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie die gericht was op het faciliteren van illegaal gokken, het witwassen van de opbrengsten daarvan en het ontduiken van belastingen (feit 1); en dat hij op verschillende plaatsen in Nederland samen met een ander in de periode van 22 november 2011 tot 1 januari 2015 kansspelautomaten aanwezig heeft gehad op voor het publiek toegankelijke plaatsen (feit 2 primair ten eerste) en in de periode van 1 januari 2015 tot en met 4 april 2016 een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk zonder vergunning aanwezig hebben van kansspelautomaten op voor publiek toegankelijke plaatsen (feit 2 primair ten tweede), dan wel in de periode van 22 november 2011 tot 1 januari 2015 opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan het publiek om via een kansspel mee te dingen naar prijzen zonder dat daarvoor een vergunning was verleend (feit 2 subsidiair ten eerste) en in de periode van 1 januari 2015 tot en met 4 april 2016 een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk gelegenheid geven aan het publiek om via een kansspel mee te dingen naar prijzen zonder dat daarvoor een vergunning was verleend (feit 2 subsidiair ten tweede); dagvaarding met parketnummer 08993150-16 dat verdachte twee pistolen, munitie, een stroomstootwapen, een vlindermes, een stiletto en een busje traangas aanwezig heeft gehad. Voluit luidt de tenlastelegging dat: Zaak met parketnummer 08-996110-15 1. hij in of omstreeks de periode van 22 november 2011 tot en met 4 april 2016 in de gemeente [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] en/of elders in Nederland en/of Duitsland, als oprichter/leider/bestuurder heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband met o.a. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en één of meer andere natuurlijke en/of rechtspersonen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: - het gelegenheid geven om mede te dingen naar prijzen en/of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschied door enige kansbepaling waarop de deelnemers geen invloed kunnen uitoefenen en waarvoor geen vergunning is afgegeven (als bedoeld in artikelen 1 lid 1 onder a, 36 WOK) en/of - ( gewoonte)witwassen (als bedoeld in artikel 420ter/bis SR) en/of - belastingfraude; het niet afdragen van inkomstenbelasting en/of kansspelbelasting (als bedoeld in artikel 68 en/of 69 AWR); 2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 november 2011 tot 1 januari 2015, in de gemeente [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen althans alleen, opzettelijk telkens zonder vergunning van de burgemeester één of meer kansspelautomaten aanwezig heeft gehad op voor het publiek toegankelijke plaatsen, te weten onder meer: - [stichting 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 1] - vanaf moment bestuurlijke boete - (zaaksdossier 002) en/of - [cybercafé] en/of [stichting 2] , gelegen aan de [vestigingsplaats 2] (zaaksdossier 003) en/of - [video en tabakshop] , gelegen aan de [vestigingsplaats 3] (zaaksdossier 004) en/of - [stichting 3] , gelegen aan de [vestigingsplaats 4] (zaaksdossier 005) en/of - [bedrijf 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 5] (zaaksdossier 6) en/of - [Café] gelegen aan het [vestigingsplaats 6] (zaaksdossier 006) en/of - [Kiosk] , gelegen aan de [vestigingsplaats 7] (zaaksdossier 007) en/of - [stichting 4] , gelegen aan de [vestigingsplaats 8] (zaaksdossier 008) en/of - [stichting 5] , gelegen aan de [vestigingsplaats 9] (zaaksdossier 009), en hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 4 april 2016, in de gemeente [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen althans alleen, opzettelijk telkens zonder vergunning van de burgemeester één of meer kansspelautomaten aanwezig heeft gehad op voor het publiek toegankelijke plaatsen, te weten onder meer: - [stichting 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 1] vanaf -moment bestuurlijke boete- (zaaksdossier 002) en/of - [cybercafé] en/of [stichting 2] , gelegen aan de [vestigingsplaats 2] (zaaksdossier 003) en/of - [video en tabakshop] , gelegen aan de [vestigingsplaats 3] (zaaksdossier 004) en/of - [stichting 3] , gelegen aan de [vestigingsplaats 4] (zaaksdossier 005) en/of - [bedrijf 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 5] (zaaksdossier 6) en/of - [Café] gelegen aan het [vestigingsplaats 6] (zaaksdossier 006) en/of - [Kiosk] , gelegen aan de [vestigingsplaats 7] (zaaksdossier 007) en/of - [stichting 4] , gelegen aan de [vestigingsplaats 8] (zaaksdossier 008) en/of - [stichting 5] , gelegen aan de [vestigingsplaats 9] (zaaksdossier 009), zulks terwijl hij, [verdachte] , en/of zijn mededaders van het plegen van voormelde feiten een gewoonte heeft gemaakt; althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, terzake dat hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 november 2011 tot 1 januari 2015, in de gemeente [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in - [stichting 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 1] - vanaf moment bestuurlijke boete - te [plaats 1] (zaaksdossier 002) en/of - [cybercafé] en/of [stichting 2] , gelegen aan de [vestigingsplaats 2] (zaaksdossier 003) en/of - [video en tabakshop] , gelegen aan de [vestigingsplaats 3] (zaaksdossier 004) en/of - [stichting 3] , gelegen aan de [vestigingsplaats 4] (zaaksdossier 005) en/of - [bedrijf 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 5] (zaaksdossier 6) en/of - [Café] gelegen aan het [vestigingsplaats 6] (zaaksdossier 006) en/of - [Kiosk] , gelegen aan de [vestigingsplaats 7] (zaaksdossier 007) en/of - [stichting 4] , gelegen aan de [vestigingsplaats 8] (zaaksdossier 008) en/of - [stichting 5] , gelegen aan de [vestigingsplaats 9] (zaaksdossier 009), (telkens) al dan niet opzettelijk gelegenheid heeft gegeven (aan personen uit) het publiek om door middel van een (kans)spel op de website [website 1] , in elk geval enig (kans)spel, mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaars geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen en daarvoor (telkens) ingevolge de Wet op de kansspelen geen vergunning was verleend; en hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 januari 2015 tot en met 4 april 2016, in de gemeente [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in - [stichting 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 1] - vanaf moment bestuurlijke boete - te [plaats 1] (zaaksdossier 002) en/of - [cybercafé] en/of [stichting 2] , gelegen aan de [vestigingsplaats 2] (zaaksdossier 003) en/of - [video en tabakshop] , gelegen aan de [vestigingsplaats 3] (zaaksdossier 004) en/of - [stichting 3] , gelegen aan de [vestigingsplaats 4] (zaaksdossier 005) en/of - [bedrijf 1] , gelegen aan de [vestigingsplaats 5] (zaaksdossier 6) en/of - [Café] gelegen aan het [vestigingsplaats 6] (zaaksdossier 006) en/of - [Kiosk] , gelegen aan de [vestigingsplaats 7] (zaaksdossier 007) en/of - [stichting 4] , gelegen aan de [vestigingsplaats 8] (zaaksdossier 008) en/of - [stichting 5] , gelegen aan de [vestigingsplaats 9] (zaaksdossier 009), (telkens) al dan niet opzettelijk gelegenheid heeft gegeven (aan personen uit) het publiek om door middel van een (kans)spel op de website [website 1] , in elk geval enig (kans)spel, mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaars geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen en daarvoor (telkens) ingevolge de Wet op de kansspelen geen vergunning was verleend zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders van het plegen van voormelde feiten een gewoonte heeft gemaakt; Zaak met parketnummer 08-993150-16 (gevoegd) 1. hij op of omstreeks 04 april 2016 in de gemeente [plaats 1] één of meer wapens van categorie III, te weten pistolen (merk/type: Browning Baby Fn en/of Ag Brescia Brevett), en/of munitie van categorie III, te weten patronen (merk/type: Sellier & Bellot 7.65 en/of Win.25 Auto), voorhanden heeft gehad; 2. hij op of omstreeks 04 april 2016 in de gemeente [plaats 1] (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad; 4. hij op of omstreeks 04 april 2016 in de gemeente [plaats 1] , een wapen(s), van categorie I, onder 1°, te weten een stiletto en/of een vlindermes, voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid openbaar ministerie De cumulatieve tenlastelegging onder 2 primair ten eerste en subsidiair ten eerste is toegesneden op overtreding van respectievelijk het voorschrift gesteld bij artikel 30b (oud) van de Wet op de kansspelen en het voorschrift gesteld bij artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet op de kansspelen en houdt in respectievelijk het zonder vergunning aanwezig hebben van kansspelautomaten op voor het publiek toegankelijke plaatsen en het zonder vergunning gelegenheid geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing van de winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, gepleegd in de periode van 22 november 2011 tot 1 januari 2015. Gedragingen in strijd met deze voorschriften waren in de ten laste gelegde periode als economisch delict strafbaar gesteld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 3o, van de Wet op de economische delicten. Voor zover opzettelijk begaan betreffen dit misdrijven en wordt degene die het misdrijf begaat op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 2o, van de Wet op de economische delicten gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Ingevolge artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2o, van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Ingevolge artikel 72, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht stuit elke daad van vervolging de verjaring. Ingevolge artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht vangt na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn. Op het moment van de onderhavige uitspraak, 19 augustus 2025, geldt ten aanzien van een deel van de pleegperiode van de cumulatief onder 2 primair ten eerste en subsidiair ten eerste ten laste gelegde feiten dat vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn. Dit zijn de onder 2 primair ten eerste en subsidiair ten eerste ten laste gelegde misdrijven die in de periode van 22 november 2011 tot en met 18 augustus 2013 zouden zijn gepleegd. Ten aanzien van die misdrijven is het recht tot strafvordering vervallen, zodat het openbaar ministerie in zoverre in de vervolging van de verdachte nietontvankelijk moet worden verklaard. Rechtmatigheid vooronderzoek Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie nietontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte, dan wel dat bewijsuitsluiting moet worden toegepast. Terwijl het opsporingsonderzoek al liep zijn controlebevoegdheden voor opsporingsdoeleinden toegepast. Zo zijn bij de Kansspelautoriteit in het kader van toezicht verzamelde gegevens gevorderd en hebben bestuursrechtelijke controles plaatsgevonden op locaties ten aanzien waarvan het vermoeden bestond dat er illegaal werd gegokt. Dit vormt een ontoelaatbare sfeercumulatie in de vorm van samenloop van controle- en opsporingsbevoegdheden. De met bestuursrechtelijke bevoegdheden verzamelde informatie is in het strafdossier ingebracht, zonder inachtneming van de waarborgen die het strafprocesrecht de verdachte toekent. Zo heeft een bestuursrechtelijke controle plaatsgevonden op 9 juni 2015 op de locatie van [stichting 3] op het adres [vestigingsplaats 4] , terwijl uit het dossier niet duidelijk wordt wat de aard en het doel van de controle was en of er mogelijk overleg met het openbaar ministerie heeft plaatsgevonden. Op 13 november 2015 is op de locatie van [stichting 5] op het adres [vestigingsplaats 9] een controle uitgevoerd door gemeenteambtenaren, de politie en toezichthouders van de Kanspelautoriteit, waarbij computergegevens die betrekking hebben op kansspelaanbod zijn veiliggesteld en zonder machtiging van de officier van justitie zijn onderzocht. Op 7 januari 2016 is nog een controle uitgevoerd op de locatie van [cybercafé] ( [stichting 2] ) op het adres [vestigingsplaats 2] . Bij toepassing van de controlebevoegdheden voor uitsluitend opsporingsdoeleinden is sprake van misbruik van bevoegdheid en zijn de aan de verdachte toekomende waarborgen niet in acht genomen. Hierdoor is het fundament onder een eerlijk proces weggevallen, wat dient te leiden tot nietontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het dossier verschaft geen duidelijkheid over de manier waarop en de omstandigheden waaronder het bewijs is vergaard en met welke doelstelling de bevoegdheden zijn ingezet. Door de verwevenheid van controle en opsporing is niet goed te onderscheiden welke informatie is verkregen door de inzet van controlebevoegdheden en welke door de inzet van (bijzondere) opsporingsbevoegdheden. De controles hebben geen redelijk bestuursrechtelijk doel gediend en waren gericht op bewijsvergaring ten behoeve van het opsporingsonderzoek. De tijdens de controles verkregen informatie is gebruikt voor vorderingen tot machtiging om te tappen. Zonder die informatie zouden de tapmachtigingen niet zijn verkregen. De gegevens waarop de tapmachtigingen zijn gebaseerd, zijn verkregen via bestuursrechtelijke controles die na juni 2015, toen de verdachte als zodanig in beeld was gekomen, zijn ingezet met een ander doel dan waarvoor zij wettelijk zijn verleend. Als het openbaar ministerie niet nietontvankelijk in de vervolging van de verdachte wordt verklaard, dienen in ieder geval de tapgesprekken van het bewijs te worden uitgesloten. De verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat wanneer de bewezenverklaring in grote dan wel niet geringe mate wordt gebaseerd op de inhoud van afgeluisterde gesprekken bij de afgeluisterde gesprekken moet zijn voldaan aan de eisen die in het Landeck-arrest (HvJ EU 4 oktober 2024) en het naar aanleiding daarvan door de Hoge Raad gewezen arrest (HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409) zijn gesteld aan het onderzoek in inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers. Het tappen van telefoongesprekken komt op hetzelfde neer als het maken van een image van een smartphone, omdat daarmee alle communicatie die via het nummer tot stand komt zonder filter wordt verkregen. Onderzoek aan inhoudelijke, via een smartphone uitgewisselde, communicatie moet worden gezien als een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Voor het afluisteren van de telefoons was daarom niet alleen een machtiging van de rechtercommissaris vereist, maar had daarbij ook het materiële afwegingskader moeten worden toegepast. De summier gemotiveerde machtigingen van de rechtercommissaris voldoen niet daaraan. Artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering moet richtlijnconform – in overeenstemming met Richtlijn 2002/58/EG en Richtlijn (EU) 2016/680 – en op basis van het evenredigheidsbeginsel zo worden uitgelegd, dat een machtiging voor tappen blijk moet geven van een volwaardige belangenafweging tussen enerzijds het belang van opsporing en anderzijds het belang van eerbiediging van de grondrechten van het betrokken individu. De getapte gesprekken zijn, nu van een dergelijke belangenafweging bij de machtigingen geen sprake is, onrechtmatig verkregen en dienen op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering te worden uitgesloten van het bewijs. De afgeluisterde telefoongesprekken zijn bovendien onrechtmatig verkregen omdat bij de vermeende strafbare feiten die aan de machtigingen ten grondslag zijn gelegd geen sprake is van een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Weliswaar betrof de verdenking niet alleen overtreding van de Wet op de kansspelen maar ook artikel 140 en artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, maar deze feiten vallen in wezen met de overtreding van de Wet op de kansspelen samen. Standpunt openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en geen bewijsuitsluiting moet worden toegepast. Er was geen sprake van sfeercumulatie, nu er reguliere controlebevoegdheden werden toegepast door de bevoegde bestuursrechtelijke autoriteiten en de resultaten daarvan pas later en naar aanleiding van een vordering op de voet van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering zijn gedeeld. Verder gelden de Landeck-beperkingen niet voor het tappen van telefoons. Oordeel hof Sfeercumulatie Blijkens artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht zijn de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van die wet niet van toepassing op de opsporing van strafbare feiten. De bepalingen van titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht over toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift bieden geen grondslag voor het toepassen van de in die bepalingen neergelegde bevoegdheden van een toezichthouder tot bijvoorbeeld het betreden van plaatsen (artikel 5:15 van de Algemene wet bestuursrecht), het vorderen van inlichtingen (artikel 5:16 van de Algemene wet bestuursrecht), het vorderen van inzage van zakelijke gegevens en bescheiden (artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht) of het onderzoeken van zaken en deze aan opneming onderwerpen (artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht), indien deze bevoegdheidsuitoefening in de concrete omstandigheden van het geval uitsluitend kan worden aangemerkt als opsporing in de zin van artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering (HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:487, rechtsoverweging 3.3.2.). Zolang een dergelijke bevoegdheid, uitgevoerd door een bevoegde toezichthouder, mede is uitgeoefend in het kader van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht is die uitoefening in beginsel rechtmatig, ook indien die bevoegdheid daarnaast het verrichten van opsporingshandelingen mogelijk maakt waarop deze bepalingen niet zien. Die omstandigheid brengt nog niet mee dat de bevoegdheid van de toezichthouder is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend (vgl. HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454, rechtsoverweging 3.4.). Het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit staat niet in de weg aan het uitoefenen van controlebevoegdheden, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegen een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen (vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9670, rechtsoverweging 3.4). In het kader van het onderhavige opsporingsonderzoek heeft de officier van justitie gebruik gemaakt van zijn in artikel 126nd, eerste lid, en artikel 126ne, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheid om in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens de verstrekking van deze gegevens te vorderen, waarbij de vordering betrekking kan hebben op gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, en heeft de officier van justitie deze vorderingen gericht tot de Kansspelautoriteit. De Kansspelautoriteit heeft op 23 maart 2015 aangifte gedaan van het in het kader van een crimineel samenwerkingsverband illegaal aanbieden van kansspelen, witwassen van de uit misdrijf afkomstige opbrengsten en het ontduiken van kansspelbelasting en inkomstenbelasting. Uit de aangifte komt naar voren dat de medeverdachte als spil zou fungeren in een crimineel samenwerkingsverband dat vermoedelijk op verschillende locaties in Nederland illegale toto aanbiedt. De Kansspelautoriteit bewaakt een veilig en betrouwbaar kansspelaanbod, bestrijdt illegale vormen van kansspelen en houdt toezicht op de naleving van de bij en krachtens de Wet op de kansspelen gestelde voorschriften. De Kansspelautoriteit heeft bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten tot haar beschikking. Volgens het door het openbaar ministerie en de Kansspelautoriteit vastgestelde handhavingsprotocol wordt er strafrechtelijk gehandhaafd als de Wet op de kansspelen herhaaldelijk of in ernstige mate wordt overtreden, er sprake is van verwevenheid met georganiseerde criminaliteit of het situaties betreft waarin een voorbeeld moet worden gesteld als handhaving door middel van het bestuursrecht niet afdoende werkt. Op basis van de door de officier van justitie gedane vorderingen heeft de Kansspelautoriteit aan het openbaar ministerie voor het opsporingsonderzoek informatie verstrekt die zij in het kader van toezicht op de naleving van de bij en krachtens de Wet op de kansspelen gestelde voorschriften heeft verzameld. Het gaat daarbij onder andere om informatie over controles die zijn gehouden op verschillende locaties in Nederland waar het criminele samenwerkingsverband volgens de aangifte van 23 maart 2015 illegale gokactiviteiten zou organiseren, waaronder de door de verdediging genoemde locaties [vestigingsplaats 4] , [vestigingsplaats 9] en [vestigingsplaats 2] . Niet aannemelijk is geworden dat, zoals de verdediging heeft gesuggereerd, toezichthouders tijdens deze controles bevoegdheden hebben uitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend en dat die bevoegdheidsuitoefening uitsluitend kan worden aangemerkt als opsporing in de zin van artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering. Het feit alleen dat een controle is uitgevoerd na de start van het opsporingsonderzoek is nog geen reden om aan te nemen dat feitelijk uitsluitend onderzoek is verricht in verband met strafbare feiten. Uit de door de Kansspelautoriteit verstrekte informatie komt niet anders naar voren dan dat de controles zijn uitgevoerd door daartoe bevoegde toezichthouders en dat zij hun bevoegdheden conform de daarvoor geldende wettelijke voorschriften hebben uitgeoefend in het kader van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de kansspelen. Die uitoefening van toezichtsbevoegdheden is naar het oordeel van het hof rechtmatig. Daarvoor maakt geen verschil dat de toepassing van toezichtsbevoegdheden eventueel later, tijdens het opsporingsonderzoek, het verrichten van opsporingshandelingen in de vorm van het afluisteren van telefoongesprekken mede mogelijk heeft gemaakt. De Kansspelautoriteit heeft tijdens controles verzamelde informatie aan de officier van justitie verstrekt en die informatie is mede aan (het vorderen van een machtiging voor) de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden ten grondslag gelegd. Die omstandigheid brengt niet mee dat de bevoegdheid van de toezichthouder is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Overigens hebben de meeste controles waarover de informatie gaat die de Kanspelautoriteit aan het openbaar ministerie heeft verstrekt, plaatsgevonden vóór de start van het opsporingsonderzoek. Voor zover die controles na de start van het opsporingsonderzoek hebben plaatsgevonden – een controle op de locatie [vestigingsplaats 4] is uitgevoerd op 21 februari 2015 en een controle op de locatie [vestigingsplaats 9] op 13 november 2015 – bevatten de processtukken en wat de verdediging heeft aangevoerd geen aanknopingspunten dat zij op initiatief of onder leiding van de officier van justitie in het kader van de opsporing zijn verricht. Zo blijkt uit het verslag van de controle op 13 november 2015 dat de toezichthouders van de Kansspelautoriteit ondersteuning hebben verleend tijdens een controle door toezichthouders van de [gemeente] . Tijdens de controle zijn wedtickets gevonden en hebben de toezichthouders van de Kansspelautoriteit met behulp van onderzoekssoftware computerbestanden veiliggesteld aan de hand waarvan is vastgesteld dat op vijf van de aanwezige computers – zonder daartoe vereiste vergunning – gelegenheid is gegeven om mee te dingen naar prijzen of premies, waarbij de aanwijzing van de winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen (een kansspel in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, de Wet op de kansspelen) en dat dus illegale kansspelen werden aangeboden. De toezichthouders waren bevoegd om de computers te onderzoeken. Niet is gebleken dat zij hun bevoegdheid hebben uitgeoefend als opsporingsambtenaar onder gezag van de officier van justitie. De toezichthouders van de [gemeente] waren ook buitengewoon opsporingsambtenaar. Uit hun verslag komt naar voren dat zij de inrichting hebben gecontroleerd op naleving van de Algemene Plaatselijke Verordening van [plaats 4] naar aanleiding van diverse meldingen over het aanbieden van illegale kansspelen en het vermoeden van het zonder vergunning exploiteren van een horecainrichting. Zij hebben de aanwezigen, waartoe niet de verdachte of de medeverdachte behoorde, ondervraagd en daarbij verteld dat zij niet tot antwoorden zijn verplicht en recht hebben op rechtsbijstand en dus de aan een verdachte als zodanig toekomende waarborgen in acht genomen. De toezichthouders werden geassisteerd door opsporingsambtenaren van de politie die een veilige werkplek hebben gecreëerd. Dat deze politieambtenaren opsporingshandelingen hebben verricht, vindt geen steun in de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting. Het hof komt tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat de informatie over de controle op de locatie [vestigingsplaats 9] op 13 november 2015 of een van de andere controles die op vordering van de officier van justitie door de toezichthouders aan het openbaar ministerie is overgelegd, tot stand is gekomen als gevolg van een vormverzuim. Er is dus ook geen reden het openbaar ministerie op die grond nietontvankelijk in de vervolging van de verdachte te verklaren of informatie over de controles van het bewijs uit te sluiten. Tapmachtiging rechtercommissaris Het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid tot het bevelen van het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel houdt in dat die bevoegdheid aan de officier van justitie is verleend. De rechtercommissaris dient van tevoren een schriftelijke machtiging te hebben verstrekt. Het staat daarbij in eerste instantie ter beoordeling van de officier van justitie of er sprake is van een verdenking als bedoeld in artikel 126m, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en of het onderzoek dringend vordert dat gegevensverkeer wordt opgenomen. Bij deze laatste toetsing spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. Vervolgens dient de rechtercommissaris bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan bovenstaande wettelijke voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. In het wettelijk systeem houdt die beoordeling, in een geval waarin de rechtercommissaris een machtiging heeft verstrekt, de beantwoording van de vraag in of de rechtercommissaris in redelijkheid tot zijn oordeel over die machtiging heeft kunnen komen. Verder omvat die beoordeling de vraag of het gebruik dat de officier van justitie vervolgens heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het bevelen van het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel in overeenstemming is met die machtiging en overigens rechtmatig is. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtercommissaris in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat machtigingen konden worden verstrekt omdat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Op grond van de inhoud van de vorderingen heeft de rechtercommissaris ook steeds in redelijkheid tot het afgeven van een tapmachtiging kunnen komen. De verdenking tegen de medeverdachte en later ook de verdachte hield in dat zij deel uitmaakten van een criminele organisatie die zich bezig houdt met het aanbieden van illegale toto op verschillende locaties in Nederland en het op die manier op grote schaal overtreden van de Wet op de kansspelen. Daarbij werden de opbrengsten witgewassen en kansspelbelasting en inkomstenbelasting ontdoken. Ondanks bestuursrechtelijk optreden door gemeentebesturen en de Kansspelautoriteit zou het illegaal aanbieden van kansspelen al meer dan drie jaar op verschillende locaties in het land plaatsvinden. Gezien de aard van de verdenking en de concrete omstandigheden waaronder de misdrijven in georganiseerd verband werden gepleegd, heeft de rechtercommissaris naar het oordeel van het hof kunnen oordelen dat sprake was van de verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Het hof onderschrijft niet de opvatting van de verdediging dat de schriftelijke machtigingen van de rechtercommissaris voor een bevel tot het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel niet voldoen aan daaraan in het licht van HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 ( Landeck ) en HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409 te stellen eisen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/680. Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 ( Landeck ) heeft het HvJ EU geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten onder voorwaarden de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). De richtlijn over privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan. Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 ( Prokuratuur ) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 ( Prokuratuur ) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen. In zijn arrest van 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als politie en justitie onderzoek willen verrichten aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken en er van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer sprake is – bijvoorbeeld als inzicht wordt verkregen in de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie – een voorafgaande toetsing door de rechtercommissaris is vereist. Deze toetsing vergt een beoordeling of de inbreuk die door het onderzoek wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, is gerechtvaardigd mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang voor de waarheidsvinding van het onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk. De regeling van artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering voldoet aan het Unierechtelijke en door de Hoge Raad in zijn jurisprudentie toegepaste uitgangspunt dat bij een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer door een onderzoek aan elektronische communicatie, voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. De rechtercommissaris – een rechterlijke instantie in de zin van HvJ EU 2 maart 2021, C746/18, ECLI:EU:C:2021:152 ( Prokuratuur ) en HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 ( Landeck ) en de daarop gebaseerde rechtspraak van de Hoge Raad – toetst bij een vordering voor een tapmachtiging of sprake is van een verdenking als bedoeld in artikel 126m, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en of het onderzoek dringend vordert dat telecommunicatie wordt opgenomen. Hierbij spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. In die toetsing ligt naar het oordeel van het hof besloten dat de rechtercommissaris beoordeelt of de inbreuk die door het onderzoek wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van het nummer, is gerechtvaardigd, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van de inzet van het middel voor de waarheidsvinding. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de toetsing die de rechtercommissaris in deze zaak op grond van artikel 126m, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering bij de beoordeling van het opnemen van communicatie via bij de verdachte in gebruik zijnde telefoon- en IPnummers heeft uitgevoerd, niet aan deze eisen (van proportionaliteit en subsidiariteit) voldoet. Van belang hierbij is dat bij de beoordeling van de machtigingen om te tappen de inhoud van de daartoe strekkende vorderingen van de officier van justitie over de verdenking tegen de verdachte en de medeverdachte in aanmerking mag worden genomen. De feiten en omstandigheden uit die vorderingen hielden in dat de medeverdachte en de verdachte in georganiseerd verband op grote schaal illegaal toto aanbieden en zo een gewoonte maken van overtreding van de Wet op de kansspelen en dat gedurende het opsporingsonderzoek de schaal waarop zij illegale toto aanbieden groter en de verdenking tegen hen gaandeweg sterker zijn geworden. Zo heeft de officier van justitie uiteindelijk het gezamenlijk wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op netto € 2.377.962,-. Aan het betoog van de verdediging over de betekenis van HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C548/21, ECLI:EU:C:2024:830 ( Landeck ) en HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409 voor de aan een tapmachtiging te stellen eisen, kan dan ook niet de conclusie worden verbonden die zij er aan gehecht wil zien. Het hof laat daarbij verder buiten beschouwing dat deze rechtspraak gaat over een onderzoek van gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, en niet over het opnemen met een technisch hulpmiddel van communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 en 2 subsidiair in de zaak met parketnummer 08-996110-15 en de feiten 1, 2 en 4 in de zaak met parketnummer 08993150-16. Standpunt verdediging Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte vrijgesproken moet worden van het in de zaak met parketnummer 08-996110-15 onder 2 primair tenlastegelegde, omdat hier niet gesproken kan worden van kansspelautomaten. Oordeel van het hof De rechtbank heeft in haar vonnis uitvoerige overwegingen gewijd aan het bewijs. Het hof maakt die overwegingen tot de zijne en zal die – voor zover het hof de overwegingen van de rechtbank overneemt – hierna citeren en gecursiveerd weergeven. Waar in de hierna cursief weergegeven tekst ‘de rechtbank’ staat vermeld moet ‘het hof’ worden gelezen. Aanvullingen van het hof worden niet-cursief weergegeven. Inleiding In februari 2015 is het onderzoek onder de naam ‘Mandoline’ gestart omdat de verdenking bestond dat medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) vanaf 22 november 2011 op een aantal locaties in Nederland in samenwerking met anderen illegaal online kansspelen aanbood, waarbij het vermoeden was dat de opbrengsten hieruit werden witgewassen. Op 23 maart 2015 heeft de Kansspelautoriteit (hierna: Ksa) aangifte gedaan tegen [medeverdachte 1] . Kort na de start van het opsporingsonderzoek bleek uit opgenomen telefoongesprekken dat [medeverdachte 1] veelvuldig contact had met verdachte (hierna: [verdachte] ), met wie hij eerder door politiemensen op verschillende goklocaties was gezien. In hun onderlinge telefoongesprekken ging het onder meer over activiteiten op diverse goklocaties. Beide verdachten waren tijdens observaties bij diverse locaties gezien waar mogelijk gegokt werd. Het onderzoek heeft geleid tot doorzoekingen op meerdere adressen in Nederland, Duitsland en Oostenrijk op 4 april 2016. Beide verdachten werden die dag ook aangehouden door de politie. Overwegingen in de dagvaarding met parketnummer 08-996110-15 Beoordelingskader Verdachte wordt onder 1 verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Onder een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt verstaan ‘een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en tenminste één ander persoon.’ Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijk samenwerkingsverband het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan het min of meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking. Daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of de onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van een gemeenschappelijk doel van de organisatie en, meer in het algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Van deelname aan een criminele organisatie is slechts dan sprake, indien de betrokkene: 1. behoort tot het samenwerkingsverband en 2. een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt bij, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 140 Sr bedoelde oogmerk. Voor deelneming is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Er moet sprake zijn van een zodanige rol in het geheel van handelingen dat het samenwerkingsverband daardoor functioneert of kan functioneren. De rechtbank is - met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw - van oordeel dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie. Uit het dossier blijkt dat er sprake was van een samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Hierbij vervulde iedere verdachte zijn eigen rol, waarbij de volgende (globaal weergegeven) modus operandi werd gehanteerd. [medeverdachte 1] en [verdachte] gingen actief op zoek naar fysieke locaties om gokactiviteiten te ontplooien. Dit betroffen onder meer locaties die reeds ingericht waren als koffiehuis of tabakswinkel, waarbij een samenwerking werd aangegaan met de eigenaar. In sommige gevallen werd een stichting opgericht en een locatie gehuurd of gekocht. Deze bestemmingen werden door [medeverdachte 1] expliciet een dekmantel genoemd. Er werden mensen benaderd voor bijvoorbeeld de rol als stichtingsbestuurder of penningmeester, waardoor de stichting niet eenvoudig naar [medeverdachte 1] en [verdachte] te herleiden was. [medeverdachte 1] en [verdachte] bepaalden in onderling overleg welk personeel voor een locatie werd ingehuurd en tegen welke vergoeding. In Oostenrijk werd het programma [programma 1] ingekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] , een softwarebedrijf dat softwarelicenties verstrekt. [medeverdachte 1] en [verdachte] gebruikten deze software in hun pand aan de [vestigingsplaats 1] en stelden deze op verschillende locaties in Nederland aan anderen ter beschikking. Daarbij werd onder meer gebruik gemaakt van [programma 2] en van de website [website 2] . [medeverdachte 1] zorgde ervoor dat op de locaties apparatuur werd geplaatst en programma’s werden geïnstalleerd waarmee ingelogd kon worden op de servers van [bedrijf 2] . In een later stadium kon worden gespeeld op een eigen server die door [medeverdachte 1] en [verdachte] was aangekocht. Bij de locatiehouder en andere medewerkers op die locaties konden weddenschappen worden geplaatst waarvoor kwitanties of bonnen werden uitgedraaid, dan wel credits gekocht waarvoor tickets met een persoonlijke ID en/of inlogcode werden ontvangen. Een speler kon daarmee inloggen en vervolgens inzetten op voetbalwedstrijden. Eventuele gokwinsten werden door de locatiehouder contant uitbetaald aan de betreffende speler. Als er onvoldoende cash aanwezig was dan werd door de betreffende locatiehouder contact opgenomen met [medeverdachte 1] , die vervolgens in overleg met [verdachte] er voor zorgde dat er voldoende geld kwam om uit te betalen. Aan de hand van de gegevens op de [bedrijf 2] server konden [medeverdachte 1] en [verdachte] vaststellen hoeveel geld zij per goklocatie konden ophalen. Maandelijks werden de zogenaamde afrekenrondes gereden om hun gokwinsten op te halen. De locatiehouders ontvingen vergoedingen. In enkele gevallen kregen ze een salaris (van bijvoorbeeld 500 euro per week) en in andere gevallen een percentage van 30 tot 40 procent van de netto gokwinst. In de hierboven omschreven werkwijze van [medeverdachte 1] en [verdachte] was sprake van een zekere rolverdeling. Met name uit het groot aantal afgeluisterde gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] komt dat naar voren. In de gesprekken noemt [medeverdachte 1] [verdachte] bijvoorbeeld dikwijls ‘patron’ en andersom wordt [medeverdachte 1] door [verdachte] vaak ‘directeur’ genoemd. [medeverdachte 1] treedt naar de buitenwereld het meest op de voorgrond. Ondertussen overlegt hij, met name voor belangrijke beslissingen, met [verdachte] . Uit de observaties, de huiszoekingen en de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [verdachte] de financiën beheert. Zo houdt hij tijdens de zogenoemde afrekenrondes langs de goklocaties de administratie in de auto bij. De aangetroffen handgeschreven kasadministratie en notities in de woning van [verdachte] en in zijn kantoorruimte aan de [vestigingsplaats 1] te [plaats 3] ondersteunen dit, als ook het op 4 april 2016 in de woning van [verdachte] contant aangetroffen geldbedrag van € 300.000,-. Verder constateert de rechtbank dat zij doorgaans in de “wij-vorm” spreken wanneer het over zaken gaat. Zo stelt [verdachte] in een op 1 september 2015 gevoerd gesprek “wij zijn al 4 à 5 jaar totoaanbieder” en, een maand, later: “We verdienen net zoveel als een coffeeshop” en “het geld dat wij sinds 2010 of 2011 hebben uitgegeven is heel veel”. Zij benoemen onderling ook expliciet dat zij een bedrijf runnen. Wanneer [medeverdachte 1] op 1 oktober 2015 tegen [verdachte] zegt: “Zo he! Patron , wij zijn een echt bedrijf, maar we beseffen dat niet”, antwoordt [verdachte] : “En niet zo'n klein bedrijfje ook”. Vervolgens bespreken zij de omzet van “Voetbal en Sports”. Ook naar derden laat [medeverdachte 1] zich in vergelijkbare zin uit. Zo benoemt hij in een gesprek met een zekere [naam 1] dat hij een compagnon heeft die [verdachte] heet en dat zij samen de eigenaars zijn van de hele business. Verder constateert de rechtbank dat uit de aangifte van Ksa volgt dat door verdachten nooit een vergunning is aangevraagd. [verdachte] heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij geen vergunning had voor het aanbieden van kansspelen. Dat beide ver