Wrakingsverzoek rechter afgewezen.
Rechtbank
Case Summary
beslissing RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Wrakingskamer Zaaknummer: C/18/245328 / KG RK 25/196 Beslissing van 4 juli 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoekster] wonende te [woonplaats] hierna te noemen: de verzoekster, strekkende tot de wraking van mr. T.F. Bruinenberg, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1 De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het schriftelijke wrakingsverzoek van 24 juni 2025; de schriftelijke aanvulling van 24 juni 2025 op het wrakingsverzoek; de schriftelijke reactie van de rechter van 30 juni 2025. 2 Het wrakingsverzoek 2.1 Het verzoek strekt tot wraking van mr. T.F. Bruinenberg, bestuursrechter, die is belast met de behandeling van de voorlopige voorzieningen met de zaaknummers LEE 25/1908 en LEE 25/1909. De voorlopige voorzieningen zijn door de verzoekster aangevraagd in een zaak waarin het UWV heeft besloten niet terug te komen op een eerdere weigering om een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen en in een zaak waarin de verzoekster heeft verzocht om correctie van (medische) gegevens in de rapportages van de verzekeringsartsen van het UWV. 2.2 De verzoekster heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek en de aanvulling daarop, kort samengevat, aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter partijdig is. De rechter heeft ter zitting zijn goedkeuring gegeven voor het openbaren van medische stukken, terwijl dit niet had gemogen. Volgens de verzoekster duidt dit op vergaande partijdigheid en een schending van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De verzoekster stelt dat de rechter niet voldoende op de hoogte is van medische urgentie, de relevante wetgeving omtrent privacy van medische gegevens en van sectie 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin de civiele aansprakelijkheid van bestuursorganen is geregeld. 3 Het standpunt van de rechter 3.1 De rechter berust niet in het verzoek tot wraking en heeft zijn standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per e-mail van 30 juni 2025. 3.2 De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van enige (schijn van) partijdigheid aan zijn zijde. Daartoe heeft de rechter aangevoerd dat hij ter zitting in het kader van de verzoeken om een voorlopige voorziening alleen is ingegaan op de vraag of onverwijlde spoed maakt dat een voorziening moet worden getroffen, teneinde onomkeerbare gevolgen te voorkomen. De rechter heeft geen beslissing genomen of standpunt ingenomen over het openbaar maken van welke gegevens dan ook. Inhoudelijk is ter zitting door de rechter niet gesproken over privacywetgeving. Ter zitting is alleen door het UWV aangegeven dat er in de bodemzaken ingevolge artikel 8:42 Awb nog moet worden overgegaan tot het inzenden van relevante stukken, waaronder stukken van medische aard. De rechter heeft daarop aangegeven dat het aan het UWV is om, ter uitvoering van artikel 8:42 Awb, te bepalen hoe daaraan invulling wordt gegeven. 4 De beoordeling 4.1 De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 8:15 Awb en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria. 4.2 Ingevolge artikel 8:15 Awb kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 Awb en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend. 4.3 De rechtbank overweegt dat aan het verzoek tot wraking geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. Uit de schriftelijke reactie van de rechter blijkt dat de rechter ter zitting geen standpunt heeft ingenomen noch een beslissing heeft genomen over het openbaar maken van medische gegevens, hetgeen het onderwerp is van het wrakingsverzoek. Uit de enkele opmerking van de rechter dat het aan het UWV is om te bepalen hoe invulling wordt gegeven aan artikel 8:42 Awb, kan geen (schijn van) partijdigheid worden afgeleid. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is. 4.4 Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Nederland (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Noord-Nederland, meer regels en procedures, wraking, wrakingsprotocol). 5 De beslissing De rechtbank 5.1 verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond; 5.2 bepaalt dat de procedures met zaaknummers LEE 25/1908 en LEE 25/1909 worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevonden; 5.3 beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan: - de verzoeker; - de gewraakte rechter; mr. T.F. Bruinenberg, - de betrokken partij(en). Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. I. Zetstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E.A. Gaastra, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2025. - de griffier - de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.