Skip to content
Case Law
NL

Verzet ongegrond in Wpg inzage zaak

Rechtbank

Rechtbank

Case Summary

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/2748-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 op het verzet van [opposant] , te [plaats] , opposant. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van de korpschef van de politie van 5 februari 2023. In de uitspraak van 20 januari 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen 1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 januari 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant geen procesbelang had bij zijn beroep. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2025 niet juist was. 3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2025 niet juist omdat hij wel procesbelang heeft. De gegevens zijn volgens opposant namelijk onterecht. Opposant stelt dat hij niets te maken heeft gehad met Veilig Thuis. Zijn privacy is hierdoor jarenlang geschonden door Veilig Thuis en de politie. Wat opposant verder in zijn verzetsschrift naar voren brengt gaat niet over de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2025. 4. In de uitspraak van 20 januari 2025 is vermeld dat opposant op 13 september 2022 heeft verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens. Bij besluit van 5 februari 2023 heeft de korpschef dit verzoek ingewilligd. Op 4 april 2023 heeft opposant zijn persoonsgegevens feitelijk ingezien. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat opposant geen procesbelang heeft bij zijn beroep omdat hij de gevraagde gegevens al heeft ingezien en de uitkomst van het beroep niet tot een voor hem gunstiger resultaat kan leiden. De rechtbank overweegt daarbij dat opposant ook niet heeft aangegeven wat hij met zijn beroep nog wil bereiken. 5. De rechtbank overweegt in verzet als volgt. In het beroepschrift van 8 mei 2023 heeft opposant gesteld dat het zich richt tegen het besluit van 5 februari 2023 en dat hij al langere tijd bezig is met zijn inzage recht te kunnen uitoefenen bij de politie. Voorts heeft opposant in zijn beroepsgronden van 27 juli 2023 in zeer algemene zin aangevoerd dat medewerkers van Veilig Thuis en de politie zijn privacy zouden hebben geschonden, waarbij is verwezen naar eerdere procedures. 6. Gelet op hetgeen opposant in zijn beroepsgronden heeft gesteld is de rechtbank in de uitspraak van 20 januari 2025 terecht ingegaan op de gronden van opposant ten aanzien van de inzage in zijn persoonsgegevens. Voor zover opposant in zijn verzetschrift van 22 januari 2025 nieuwe stellingen aanvoert en concretiseert in de zin dat hij stelt dat zijn privacy zou zijn geschonden door het delen van zijn gegevens met Veilig Thuis en dat er ten onrechte gegevens zwart zijn gemaakt, overweegt de rechtbank dat de omvang van de toetsing in de onderhavige procedure beperkt is tot de vraag of de rechtbank in de uitspraak van 20 januari 2025 terecht heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Nu hetgeen is aangevoerd in verzet niet afdoende concreet en inzichtelijk is aangevoerd in beroep, heeft de rechtbank in de uitspraak van 20 januari 2025 terecht geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. De verzetsgrond treft dus geen doel. 5. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2025 in stand blijft. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.