Skip to content
Case Law · Rechtbank NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Verzet ongegrond in Wpg inzage zaak

Rechtbank
Summary

De Rechtbank Midden-Nederland heeft het verzet van een verzoeker ongegrond verklaard tegen de eerdere uitspraak van 20 januari 2025, waarbij het beroep tegen een inzagebesluit van de korpschef van de politie kennelijk niet-ontvankelijk was verklaard wegens ontbrekend procesbelang. De verzoeker had zijn persoonsgegevens reeds feitelijk ingezien op 4 april 2023 en voerde in verzet onvoldoende concrete stellingen aan die in het oorspronkelijke beroep waren gepresenteerd, waardoor de rechtbank concludeerde dat de eerdere uitspraak terecht was en in stand blijft. Er is geen boete opgelegd.

How it connects

4 of 6 paragraphs apply legislation or carry a topic — see them in the full text ↓

Full text 6 paragraphs

Paragraphs carrying a topic or an applied provision show those connections inline Original at the source →
¶1

De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 januari 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant geen procesbelang had bij zijn beroep. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

¶2

In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2025 niet juist was.

¶3

Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2025 niet juist omdat hij wel procesbelang heeft. De gegevens zijn volgens opposant namelijk onterecht. Opposant stelt dat hij niets te maken heeft gehad met Veilig Thuis. Zijn privacy is hierdoor jarenlang geschonden door Veilig Thuis en de politie. Wat opposant verder in zijn verzetsschrift naar voren brengt gaat niet over de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2025.

¶4

In de uitspraak van 20 januari 2025 is vermeld dat opposant op 13 september 2022 heeft verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens. Bij besluit van 5 februari 2023 heeft de korpschef dit verzoek ingewilligd. Op 4 april 2023 heeft opposant zijn persoonsgegevens feitelijk ingezien. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat opposant geen procesbelang heeft bij zijn beroep omdat hij de gevraagde gegevens al heeft ingezien en de uitkomst van het beroep niet tot een voor hem gunstiger resultaat kan leiden. De rechtbank overweegt daarbij dat opposant ook niet heeft aangegeven wat hij met zijn beroep nog wil bereiken.

¶5

De rechtbank overweegt in verzet als volgt. In het beroepschrift van 8 mei 2023 heeft opposant gesteld dat het zich richt tegen het besluit van 5 februari 2023 en dat hij al langere tijd bezig is met zijn inzage recht te kunnen uitoefenen bij de politie. Voorts heeft opposant in zijn beroepsgronden van 27 juli 2023 in zeer algemene zin aangevoerd dat medewerkers van Veilig Thuis en de politie zijn privacy zouden hebben geschonden, waarbij is verwezen naar eerdere procedures.

¶6

Gelet op hetgeen opposant in zijn beroepsgronden heeft gesteld is de rechtbank in de uitspraak van 20 januari 2025 terecht ingegaan op de gronden van opposant ten aanzien van de inzage in zijn persoonsgegevens. Voor zover opposant in zijn verzetschrift van 22 januari 2025 nieuwe stellingen aanvoert en concretiseert in de zin dat hij stelt dat zijn privacy zou zijn geschonden door het delen van zijn gegevens met Veilig Thuis en dat er ten onrechte gegevens zwart zijn gemaakt, overweegt de rechtbank dat de omvang van de toetsing in de onderhavige procedure beperkt is tot de vraag of de rechtbank in de uitspraak van 20 januari 2025 terecht heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Nu hetgeen is aangevoerd in verzet niet afdoende concreet en inzichtelijk is aangevoerd in beroep, heeft de rechtbank in de uitspraak van 20 januari 2025 terecht geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. De verzetsgrond treft dus geen doel. 5 Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2025 in stand blijft. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

Similar Content