Skip to content
Case Law
NL

Toewijzing schrapping uit IR, IVR, EVR en intrekken melding CBV

Rechtbank

Rechtbank

Case Summary

RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/709301 / KG ZA 25-1088 Vonnis in kort geding van 4 december 2025 in de zaak van [eiser] , wonend in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. J.N. Pracht, tegen [gedaagde] , gevestigd in [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudend in [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M.P. Vink. 1 De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 10 november 2025, met producties 1 tot en met 8; - de akte uiteenzetting en duiding feiten en overlegging producties van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 16; - de mondelinge behandeling op 20 november 2025; - de spreekaantekeningen van [gedaagde] . 2 De feiten 2.1. [eiser] had een schadeverzekering bij Achmea Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Achmea of Centraal Beheer) voor een Toyota Aygo (hierna: de auto). 2.2. Op 3 januari 2024 heeft [eiser] een schadeverzekering afgesloten bij [gedaagde] voor de auto. 2.3. Bij de aanvraag van de verzekering bij [gedaagde] heeft [eiser] een vragenlijst ingevuld. Eén van deze vragen luidde: “Heeft een verzekeraar jou in de laatste 5 jaar geweigerd of je contract opgezegd?” [eiser] heeft deze vraag ontkennend beantwoord. 2.4. Op 3 maart 2024 heeft [eiser] de auto totall loss gereden. [gedaagde] heeft de schade betaald en op 8 maart 2024 een bedrag van € 20.240,00 aan [eiser] uitgekeerd. 2.5. Bij e-mail van 30 mei 2024 heeft [gedaagde] [eiser] onder meer laten weten dat [eiser] in een telefoongesprek op 18 april 2024 met [gedaagde] heeft verklaard dat [eiser] zijn auto eerder had verzekerd bij Achmea en dat [eiser] door Achmea uit de verzekering is gezet omdat [eiser] de premie niet tijdig betaalde. [gedaagde] heeft hier onderzoek naar gedaan en trekt de conclusie dat [eiser] bij de verzekeringsaanvraag bij [gedaagde] zijn mededelingsplicht niet is nagekomen. 2.6. Bij e-mail van 28 juni 2024 reageert [eiser] op e-mail van [gedaagde] . Daarin schrijft [eiser] onder meer dat hij zelf de autoverzekering bij Achmea heeft opgezegd. 2.7. Bij e-mail van 16 december 2024 schrijft [gedaagde] onder meer aan [eiser] dat zij concludeert dat [eiser] [gedaagde] met opzet heeft misleid door het geven van onjuiste informatie bij de verzekeringsaanvraag en dat [eiser] daardoor zijn mededelingsplicht niet is nagekomen. Als gevolg daarvan zegt [gedaagde] de door [eiser] bij [gedaagde] afgesloten verzekeringen op. Daarnaast wordt [eiser] gedurende vijf jaar geregistreerd in het incidentenregister van [gedaagde] , het Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR), het Intern Verwijzingsregister (hierna: IVR) en er wordt een melding gedaan aan het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (hierna: CBV). Verder laat [gedaagde] weten dat zij de op 8 maart 2024 aan [eiser] uitgekeerde schade op hem gaat verhalen. 2.8. [eiser] maakt bezwaar tegen de conclusie en maatregelen van [gedaagde] . Bij e-mail van 16 januari 2025 laat [gedaagde] weten dat zij haar standpunt handhaaft. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – samengevat en zoals nader toegelicht ter zitting – bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. primair; [gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na dit vonnis alle handelingen te verrichten die nodig zijn om [eiser] te verwijderen uit het Incidentenregister van [gedaagde] en het IVR, in elk geval door de afdeling Legal & Anti-Fraud schriftelijk opdracht te geven de geregistreerde gegevens van [eiser] te verwijderen, en [eiser] een afschrift te sturen van die opdracht en van de bevestiging van Legal & Anti-Fraud dat de gegevens daadwerkelijk zijn verwijderd, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag; II. primair; [gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na dit vonnis alle handelingen te verrichten die nodig zijn om [eiser] te verwijderen uit het EVR, in elk geval door de stichting Centraal Informatie Systeem (hierna: CIS) schriftelijk opdracht te geven de geregistreerde gegevens van [eiser] te verwijderen, en [eiser] een afschrift te sturen van die opdracht en van de bevestiging van CIS dat de gegevens daadwerkelijk zijn verwijderd, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag; III. primair; [gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na dit vonnis alle handelingen te verrichten die nodig zijn om de melding bij het CBV in te trekken, in elk geval door het CBV schriftelijk te informeren dat de eerder gedane melding wordt ingetrokken, en [eiser] een afschrift te sturen van die opdracht en van de bevestiging van het CBV dat de gegevens daadwerkelijk zijn verwijderd, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag; IV. subsidiair; te bepalen dat de registratieduur in het IVR en EVR niet langer mag zijn dan één jaar of een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn en dat [gedaagde] alle handelingen dient te verrichten om ervoor te zorgen dat dit in het EVR en IVR juist staat geregistreerd, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag; V. meer subsidiair; een andere passende voorziening te treffen, zo nodig op straffe van een dwangsom; VI. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten. 3.2. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente daarover. 4 De beoordeling [eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen 4.1. [eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen omdat hij als gevolg van de onterechte registratie in diverse frauderegisters geen verzekeringen kan afsluiten, wat hem belemmert in het dagelijks leven. [gedaagde] betwist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen omdat [eiser] volgens [gedaagde] een verzekering bij De Vereende kan afsluiten. [eiser] heeft daartegen aangevoerd dat De Vereende zeer hoge premies rekent, zodat het voor hem financieel niet mogelijk is om bij De Vereende een verzekering af te sluiten. Dat De Vereende hoge premies rekent, is door [gedaagde] niet betwist. Gelet hierop en gezien de aanzienlijke duur van de registraties heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. De inhoudelijke standpunten van partijen 4.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] hem ten onrechte heeft opgenomen in de frauderegisters. Hij betwist dat hij zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Hij heeft op 14 december 2023 de autoverzekering bij Achmea telefonisch opgezegd, waarna hij op 3 januari 2024 een nieuwe autoverzekering afsloot bij [gedaagde] . 4.3. [gedaagde] stelt dat [eiser] haar bewust onjuist heeft geïnformeerd bij het afsluiten van de autoverzekering. Op één van de vragen die [gedaagde] stelde voorafgaand aan het sluiten van de autoverzekering, antwoordde [eiser] in strijd met de waarheid dat hij in de laatste vijf jaar niet door een verzekeraar is geweigerd of opgezegd. Achmea heeft de verzekering van de auto immers opgezegd bij brief van 21 december 2023. [eiser] heeft dan ook de op hem rustende mededelingsplicht geschonden. Als gevolg daarvan heeft [gedaagde] overeenkomstig de polisvoorwaarden de autoverzekering per 18 december 2024 opgezegd en [eiser] aangemeld bij de registers. [gedaagde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden 4.4. In geschil is of de inschrijving van [eiser] in het Incidentenregister van [gedaagde] , het IVR en het EVR, alsook de melding bij het CBV door [gedaagde] terecht hebben plaatsgevonden. Daarvoor moet worden beoordeeld of [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden. 4.5. Het betoog van [eiser] dat hij tijdens het telefoongesprek op 14 december 2023 zijn autoverzekering bij Achmea heeft opgezegd, heeft [gedaagde] weersproken en is verder niet onderbouwd. Volgens [eiser] heeft hij Achmea verzocht hem de geluidsopnames van dat telefoongesprek te verstrekken, maar was dat volgens Achmea niet meer mogelijk omdat de opnames al waren gewist. [eiser] plaatst daar vraagtekens bij en vindt het opmerkelijk dat Achmea wel in staat is om inhoudelijke mededelingen over telefoongesprekken te doen aan [gedaagde] . De voorzieningenrechter sluit niet uit dat [eiser] op 14 december 2023 inderdaad zelf de autoverzekering heeft opgezegd, maar of dat aannemelijk is, hoeft in deze procedure niet verder onderzocht te worden. Dat wordt hieronder uitgelegd. 4.6. Het is aan [gedaagde] om voldoende feiten te stellen waaruit volgt dat [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Als [eiser] deze feiten voldoende gemotiveerd betwist, is het vervolgens aan [gedaagde] om deze feiten in deze procedure voldoende aannemelijk te maken. [gedaagde] stelt dat [eiser] op 3 januari 2024, toen hij de autoverzekering aanvroeg bij [gedaagde] , wist dat Achmea zijn autoverzekering had opgezegd. Dit volgt volgens [gedaagde] uit de opzeggingsbrief van 21 december 2023 van Achmea, uit de gang van zaken rond het betalen van de achterstallige premies op 2 januari 2024 en uit telefonische mededelingen van [eiser] aan [gedaagde] . 4.7. [gedaagde] voert allereerst aan dat Achmea de opzeggingsbrief van 21 december 2023 naar het adres van [eiser] heeft verstuurd en dat [eiser] deze brief moet hebben ontvangen, omdat Achmea vaker brieven naar het adres van [eiser] heeft verstuurd. [eiser] was zich dus bewust van de opzegging door [gedaagde] . 4.8. [eiser] betwist de ontvangst van de brief van 21 december 2023. Hij was niet van deze brief op de hoogte en zeker niet op 3 januari 2024. 4.9. Op grond van artikel 3:37 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, in dit geval de tot [eiser] gerichte opzeggingsbrief van Achmea, die persoon hebben bereikt om haar werking te hebben. [eiser] heeft de ontvangst van de opzeggingsbrief betwist. Gelet daarop lag het op de weg van [gedaagde] om aannemelijk te maken dat de opzeggingsbrief [eiser] heeft bereikt. [gedaagde] heeft dit niet gedaan, zodat voorshands niet aannemelijk is dat [eiser] de opzeggingsbrief daadwerkelijk heeft ontvangen en de verzekering bij Achmea geldig is opgezegd door Achmea. Met de verwijzing naar de brief van 21 december 2023 heeft [gedaagde] dus niet voldaan aan haar stelplicht. 4.10. [gedaagde] stelt verder dat [eiser] op 2 januari 2024 contact heeft opgenomen met de klantenservice van Achmea om over de opzegging door Achmea te spreken. Naar aanleiding van dit telefoongesprek heeft Achmea een betaallink gestuurd in verband met de achterstallige premies. Op 2 januari 2024 heeft [eiser] de achterstallige premies via de betaallink betaald. Ook hieruit volgt volgens [gedaagde] dat [eiser] op de hoogte was van de opzegging door Achmea en dat hij de vragenlijst bewust verkeerd heeft ingevuld. 4.11. [eiser] voert aan dat hij op 2 januari 2024 contact heeft opgenomen met Achmea om de nog openstaande premies te bespreken en te betalen, zodat de autoverzekering bij Achmea kon worden afgewikkeld. [eiser] betwist dat tijdens dit telefoongesprek is gesproken over een opzegging door Achmea. 4.12. De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagde] niet heeft onderbouwd dat tijdens het betreffende telefoongesprek is gesproken over de door [gedaagde] gestelde opzegging door Achmea. [gedaagde] heeft geen concrete gegevens overgelegd waaruit dit blijkt. Dat [eiser] tijdens dit telefoongesprek op de hoogte was van de betalingsachterstand bij Achmea en dat hij deze achterstand na het telefoongesprek heeft ingelopen, betekent niet dat [eiser] op de hoogte was van de door [gedaagde] gestelde opzegging door Achmea. De verklaring van [eiser] is immers verenigbaar met zijn uitleg dat hij de verzekering bij Achmea op 14 december 2023 heeft opgezegd omdat hij niet tevreden was over die verzekeraar, dat hij op 2 januari 2024 de verzekering bij Achmea heeft afgewikkeld door het betalen van de laatste premies en dat hij daarna de autoverzekering bij [gedaagde] heeft aangevraagd. 4.13. [gedaagde] voert verder aan dat [eiser] op 18 april 2024 contact heeft opgenomen met [gedaagde] vanwege de afhandeling van de schade aan zijn auto. Tijdens dit gesprek heeft [eiser] zich versproken en daardoor erkend dat Achmea de autoverzekering heeft opgezegd wegens wanbetalingen. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] onder meer het volgende tegen de medewerker van [gedaagde] gezegd: Ik was eerst bij Centraal Beheer verzekerd. […] Maar omdat ik niet op tijd betaalde, hebben ze mij daar weggehaald. […] ”. Hieruit volgt volgens [gedaagde] dat [eiser] op de hoogte was van de opzegging door [gedaagde] . 4.14. [eiser] betwist dat uit deze mededeling volgt dat hij erkent dat Achmea zijn autoverzekering heeft opgezegd wegens wanbetaling. 4.15. De hierboven geciteerde mededeling is geen letterlijke erkenning van een opzegging door Achmea, laat staan een erkenning van [eiser] dat hij op 3 januari 2024 van die opzegging op de hoogte was. Op basis van uitsluitend deze mededeling kan dan ook niet met de voor dit kort geding vereiste mate van zekerheid worden aangenomen dat [eiser] de opzegging door Achmea tijdens het betreffende telefoongesprek heeft erkend. Daarbij komt nog dat niet valt uit te sluiten dat het [eiser] weliswaar voor 18 april 2024, maar na 3 januari 2024 duidelijk is geworden dat Achmea hem een opzeggingsbrief heeft gestuurd. 4.16. Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde] in deze procedure onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] op 3 januari 2024 op de hoogte was van de opzeggingsbrief van 21 december 2023 van Achmea en dat [eiser] bewust de vragenlijst onjuist heeft ingevuld en daarmee zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Conclusies 4.17. Gelet op het voorgaande en omdat [gedaagde] geen andere argumenten heeft aangedragen die daaraan in de weg staan, worden de vorderingen I, II en III grotendeels toegewezen. [gedaagde] moet binnen vijf werkdagen na dit vonnis alle handelingen verrichten die nodig zijn om [eiser] te (laten) verwijderen uit de betreffende registers en om de gedane melding bij CBV in te trekken. De gevorderde afschriften van de bevestigingen door CIS en het CBV kan [gedaagde] pas aan [eiser] sturen zodra zij die bevestigingen heeft ontvangen van de betreffende derden. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen deze bevestigingen uiterlijk op de tweede werkdag na ontvangst aan [eiser] toe te sturen. De gevorderde dwangsommen worden niet opgelegd, omdat [gedaagde] ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk heeft toegezegd dat zij een veroordeling zal nakomen. [eiser] heeft geen feiten gesteld waaruit kan volgen dat [gedaagde] die toezegging niet zal nakomen. 4.18. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 148,04 - griffierecht € 331,00 - salaris advocaat € 1.107,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.764,04 4.19. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf werkdagen na dit vonnis alle handelingen te verrichten die nodig zijn om [eiser] te verwijderen uit het Incidentenregister van [gedaagde] en uit het IVR, door de afdeling Legal & Anti-Fraud schriftelijk opdracht te geven de geregistreerde gegevens van [eiser] te verwijderen en [eiser] een afschrift te sturen van die opdracht en van de bevestiging van Legal & Anti-Fraud dat de gegevens zijn verwijderd, 5.2. veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf werkdagen na dit vonnis alle handelingen te verrichten die nodig zijn om [eiser] te verwijderen uit het EVR, door CIS schriftelijk opdracht te geven de geregistreerde gegevens van [eiser] te verwijderen en [eiser] een afschrift te sturen van die opdracht en van de bevestiging van CIS, dit laatste uiterlijk op de tweede werkdag nadat [gedaagde] de bevestiging van CIS heeft ontvangen dat de gegevens zijn verwijderd, 5.3. veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf werkdagen na dit vonnis alle handelingen te verrichten die nodig zijn om de melding bij het CBV in te trekken, door het CBV schriftelijk te informeren dat de eerder gedane melding wordt ingetrokken en [eiser] een afschrift te sturen van die opdracht en van de bevestiging van het CBV, dit laatste uiterlijk op de tweede werkdag nadat [gedaagde] de bevestiging van het CBV heeft ontvangen dat de gegevens zijn verwijderd, 5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [eiser] vastgesteld op € 1.764,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als het vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde] € 92,00 extra aan [eiser] betalen, plus de kosten van betekening, 5.5. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025. 3894/3194