Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam

Case Summary

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/230459-24 Datum uitspraak: 21 januari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 6 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 juli 2024 door de procureur generaal bij het gerechtshof van Parijs, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Marokko) in het jaar 1950, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 1 oktober 2025 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 1 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Arabische (Marokkaanse) taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. De rechtbank heeft het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de vragen die in het proces-verbaal zijn opgenomen over de detentieomstandigheden, aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn met nog eens 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting 4 november 2025 De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling – voortgezet op de zitting van 4 november 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, en door een tolk in de Arabische (Marokkaanse) taal. Tussenuitspraak 18 november 2025 Bij tussenuitspraak van 18 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van 1 april 2019 gewezen door het Gerechtshof van Parijs, groep 5 – Kamer 12 (referentie 18/004762) op te vragen, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Frankrijk opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW. Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de beslistermijn met nog eens 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting 8 januari 2026 De rechtbank heeft de behandeling van het EAB - met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling - voortgezet op de zitting van 8 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is met toestemming van de rechtbank niet verschenen, en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. S.M. Hof. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 18 november 2025 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW (onder 4) en de (dubbele) strafbaarheid (onder 5). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De rechtbank verwijst hierover allereerst naar haar overwegingen in de tussenuitspraak van 18 november 2025 (onder 6) die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Het gerechtshof van Parijs heeft in haar beslissing van 24 november 2025 vastgesteld dat de opgeëiste persoon op 19 september 2025 tegen het arrest verzet heeft ingediend en dat de opgeëiste persoon via een brief van 3 november 2025 aan het parket generaal van het hof heeft laten weten dat hij van het verzet afziet. Het gerechtshof heeft vervolgens beslist dat het verzet ontvankelijk is en dat het arrest van 1 april 2025 blijft gelden. De rechtbank begrijpt hieruit dat het arrest daarmee onherroepelijk is geworden. De beslissingsstaat heeft in deze zaak toestemming gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland. De beslissingsstaat heeft daartoe het certificaat gedateerd 6 december 2025 en het veroordelende arrest van 1 april 2019 van het gerechtshof van Parijs, groep 5 – Kamer 12 toegezonden. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft verzocht om bij weigering van de overlevering onder gelijktijdige strafovername, het bevel op grond van artikel 27, vierde lid, OLW bij uitspraak te schorsen vanwege onder meer de medische omstandigheden van de opgeëiste persoon. Hij zal tussen nu en zes weken geopereerd worden. De raadsvrouw zal in verband met die medische situatie een gratieverzoek indienen zodra de straf wordt overgenomen. De raadsvrouw bepleit dat de opgeëiste persoon de gratieprocedure in vrijheid moet kunnen afwachten. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich verzet tegen het schorsingsverzoek. De uitvaardigende justitiële autoriteit verwacht van Nederland dat een eenmaal overgenomen straf daadwerkelijk en spoedig zal worden geëxecuteerd. Het schorsen van de opgeëiste persoon in verband met een gratieverzoek past daar niet bij, te meer nu het toewijzen van het gratieverzoek of opschortende werking daarvan een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft. Bovendien kan schorsing van het bevel slechts in uitzonderlijke omstandigheden plaatsvinden, waarvan in dit geval geen sprake is, nu niet is gebleken dat de benodigde zorg vanuit de Penitentiaire Inrichting niet kan plaatsvinden. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevelen tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. De rechtbank ziet in het feit dat de raadsvrouw een gratieverzoek zal indienen geen reden om het schorsingsverzoek toe te wijzen. In het algemeen moet worden aangenomen dat het vluchtgevaar toeneemt na een uitspraak waarin de overlevering wordt toegestaan of wordt geweigerd onder gelijktijdig bevel tot strafovername in Nederland. Een dergelijke schorsing is dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde. Het voornemen om een gratieverzoek in te dienen dat mogelijk schorsende werking heeft, maakt niet dat daarmee sprake is van een uitzonderlijk geval. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om het bevel tot gevangenhouding te schorsen vanwege de hoge leeftijd van de opgeëiste persoon in combinatie met het feit dat bij hem sprake is van een ernstige medische aandoening waarvoor hij geopereerd moet worden waarna waarschijnlijk sprake zal zijn van een revalidatietraject. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van uitzonderlijke omstandigheden die in dit geval een schorsing rechtvaardigen. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 6 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 300, 304, 420bis Wetboek van Strafrecht, 5a, 160 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 6a en 7 OLW. 7 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de procureur generaal bij het gerechtshof van Parijs, Frankrijk. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van voornoemde tussenuitspraak van 18 november 2025 bedoelde vrijheidsstraf, zijnde een gevangenisstraf van twee jaren, in Nederland. HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon]. BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en schorst die gevangenhouding onder dezelfde voorwaarden zoals die golden bij de eerdere schorsing. Dit bevel is apart opgemaakt. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 januari 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2025:8943