Rechtbank Midden-Nederland
Rechtbank Midden-Nederland
Case Summary
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/3066 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de minister van Justitie en Veiligheid, de minister (gemachtigden: mr. M. Moddejonge en mr. S. van der Steeg). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om verwijdering van justitiële gegevens met betrekking tot zijn persoon uit het justitieel documentatiesysteem (JDS) op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). 1.1. Bij besluit van 15 februari 2024 (het primaire besluit) heeft de minister het verzoek van eiser afgewezen. Eiser heeft diezelfde dag bezwaar hiertegen gemaakt. 1.2. Met het besluit van 12 maart 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de minister bij zijn eerdere besluit gebleven en heeft het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het besluit 2. Eiser heeft op 17 januari 2024 een herhaald verzoek ingediend om de op zijn naam geregistreerde justitiële gegevens in de JDS te verwijderen. De registratie waar het verzoek over gaat is de veroordeling door de politierechter van de rechtbank Amsterdam van 9 januari 2023 wegens overtreding van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast. Eiser is van oordeel dat sprake is van een onterechte registratie. 3. De minister heeft het verzoek van eiser om verwijdering van de hem betreffende justitiële gegevens op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking en heeft dit besluit in de beslissing op bezwaar gehandhaafd. Volgens de minister is niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden. De geregistreerde justitiële gegevens in het JDS komen overeen met de aangeleverde gegevens van het Openbaar Ministerie en de beslissing van de politierechter van 9 januari 2023. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank beoordeelt of de minister het verzoek om verwijdering van de justitiële gegevens van eiser uit het JDS terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 5. Het beroep is ongegrond . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 6. Eiser voert – kort samengevat – aan dat hij zich niet kan verenigen met het feit dat hij een strafblad heeft op basis van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. Bovendien is het besluit volgens eiser in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij wijst hij er op dat overtreding die de voormalige minister van Justitie Grapperhaus tijdens de coronapandemie heeft begaan, niet tot een strafblad heeft geleid. 7. De rechtbank constateert dat eiser eerder, namelijk op 4 april 2022, een vergelijkbaar verwijderingsverzoek heeft ingediend bij de minister. Dit verzoek is door de minister afgewezen en daarna heeft de rechtbank het beroep hiertegen bij uitspraak van 27 februari 2023 ongegrond verklaard . 8. De rechtbank is van oordeel dat de minister het verzoek terecht heeft afgewezen, omdat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht. Wat eiser heeft aangevoerd ziet vooral op de inhoudelijke beoordeling van de vraag of hij een (te registreren) strafbaar feit heeft gepleegd. Zowel in het verzoek, het bezwaar en in beroep neemt eiser het standpunt in dat hij meent dat de justitiële gegevens in het JDS onjuist zijn omdat hij nooit vervolgd had mogen worden. Dit standpunt heeft eiser ook ingenomen in zijn eerdere verzoek en is uitgebreid aan de orde gekomen in de uitspraak van de rechtbank van 27 februari 2023. 9. De rechtbank verwijst in onderhavige procedure naar voornoemde uitspraak van de rechtbank van 27 februari 2023 en herhaalt dat bij de beoordeling of de gegevens in de JDS ‘feitelijk onjuist zijn’ moet worden bezien of de beslissing van de rechter of het OM, zoals die destijds genomen is en inmiddels in rechte vaststaat, correct is over- dan wel opgenomen in het JDS. Of die beslissing van de strafrechter of het OM inhoudelijk een juiste is geweest, staat in het kader van dit geschil dus niet ter beoordeling. 10. De rechtbank heeft dit ook met eiser op de zitting besproken. Daarbij heeft eiser ook naar voren gebracht dat hij niet alleen ten onrechte is vervolgd, maar dat die vervolging ten onrechte is gebaseerd op artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. Eiser wijst er op dat zijn vermeende overtreding van een noodbevel in elk geval niet opzettelijk geweest is. Een eventuele vervolging had volgens eiser dan ook op grond van artikel 443 van het Wetboek van Strafrecht moeten plaatsvinden. In dat geval zou de registratie in het JDS wel zijn geschrapt, gelet op de Tijdelijke wet maatregelen covid-19. De rechtbank begrijpt dat eiser zich niet kan vinden in de door het OM gekozen grondslag voor zijn vervolging, vooral nu die keuze doorwerkt in de wettelijke (on)mogelijkheden om die registratie in het JDS te verwijderen. Maar ook de vraag of de strafvervolging op een juiste grondslag is gebaseerd staat ter beoordeling aan de strafrechter en laat onverlet dat die strafvervolging een te registreren justitieel gegeven betreft. 11. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat de voormalig minister van Justitie & Veiligheid wel is vervolgd op grond van een overtreding van artikel 443 van het Wetboek van Strafrecht. Alleen daarom al kan het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Conclusie en gevolgen 12. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L.K. Dagmar, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:938.