Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Summary

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: BRE 25/2380 en 25/2381 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 op de verzetten van [opposante] , uit [woonplaats] , opposante , tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 juli 2025 in de gedingen tussen opposante en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda. Inleiding 1. Deze uitspraak op de verzetten van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 10 juli 2025 waarin de rechtbank de beroepen van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.1. Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 10 juli 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Zij doet dit aan de hand van de grond van de verzetschriften. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaken pas toe als de verzetten gegrond zijn. 3. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verzetten ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De beroepen van opposante 4. De beroepen van opposante van 22 april 2025 gingen over het niet op tijd beslissen van het college op opposante haar aanvragen op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (Avg) van 28 januari 2025. 4.1. Het college heeft op 18 april 2025 op de aanvragen beslist. De uitspraak van 10 juli 2025 5. De rechtbank heeft in de beroepszaken uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat op beide aanvragen op 18 april 2025 is beslist voordat opposante de beroepen instelde op 22 april 2025. De rechtbank acht de beroepen, gelet op de inhoud van de beroepschriften, dan ook gericht tegen de besluiten van 14 maart 2025 waarin het college bepaalt dat hij geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd is voor het, door opposante gestelde, niet op tijd beslissen op de aanvragen van 28 januari 2025. Tegen de besluiten van 14 maart 2025 moet eerst bezwaar worden gemaakt, voordat beroep kan worden ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen om die reden kennelijk niet-ontvankelijk geacht Heeft het college nog steeds niet beslist op de aanvragen van opposante? 6. In haar verzetschriften van 26 augustus 2025 voert opposante aan dat in de besluiten van 18 april 2025 de verzoeken inzage persoonsgegevens op grond van de Avg worden toegewezen en dat hiermee onbetwistbaar vaststaat dat het college dan ook moet overgaan tot verstrekking van de persoonsgegevens van zowel haar dochter als van opposante zelf. Aangezien de gegevens nog niet verstrekt zijn, heeft het college volgens oppsante niet op tijd beslist. 6.1. De rechtbank overweegt dat artikel 6:2, onderdeel b, in samenhang met artikel 8:1 van de Awb bepaalt dat een belanghebbende tegen het niet op tijd nemen van een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die op rechtsgevolg is gericht. Er is sprake van rechtsgevolg als er rechten, plichten, aanspraken, verplichtingen, een bevoegdheid en/of een juridische status worden gecreëerd of teniet gedaan. Dit betekent dat feitelijke handelingen en privaatrechtelijke rechtshandelingen in beginsel buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter vallen. 6.2. De rechtbank oordeelt dat het college al op de aanvragen van opposante heeft beslist voordat zij de beroepen instelde. De besluiten van 18 april 2025 zijn namelijk gericht op rechtsgevolg, omdat hiermee een verplichting wordt gecreëerd voor het college om de toegezegde informatie te verstrekken aan opposante. Dat het college deze besluiten nog niet heeft uitgevoerd, wat een feitelijke handeling is die buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter valt, betekent niet dat er niet op de aanvragen is beslist. Conclusie en gevolgen 7. De grond van de verzetten slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 10 juli 2025. De verzetten zijn ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de verzetten ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 16 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).