Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Noord-Holland

Rechtbank Noord-Holland

Rechtbank Noord-Holland

Case Summary

beschikking RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rekestnummer: C/15/364063 / HA RK 25-56 Beschikking van 22 juli 2025 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [plaats], verzoekster, hierna te noemen [verzoekster], advocaat mr. G.L.D. Thomas te Amsterdam, tegen VEILIG THUIS , gevestigd te Haarlem, verweerster, hierna te noemen Veilig Thuis, vertegenwoordigd door [betrokkene 1] (manager) en mr. [betrokkene 2] (bedrijfsjurist). 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen 1 en 2, ingekomen ter griffie op 4 april 2025 de oproepingsbrief van 13 mei 2025 aan mr. Thomas en Veilig Thuis het verweerschrift ingekomen ter griffie op 17 juni 2025 de mondelinge behandeling op 24 juni 2025, tijdens welke zitting mr. Thomas het woord gevoerd heeft aan de hand van pleitaantekeningen en van welke zitting de griffier aantekeningen heeft bijgehouden. 1.2. Na het uitroepen van de zaak zijn verschenen mr. Thomas voornoemd namens [verzoekster], [verzoekster] zelf is niet verschenen, mevrouw [betrokkene 1] (manager Veilig Thuis Kennemerland) mr. [betrokkene 2] (bedrijfsjurist Veilig Thuis) 1.3. De beschikking is bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. Veilig Thuis is het regionale advies- en meldpunt bij (vermoedens van) huiselijk geweld en kindermishandeling voor gemeenten in de regio Noord-Holland Noord. Zij heeft op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) onder meer als taak om bij een vermoeden van kindermishandeling onderzoek te doen en - als daartoe aanleiding bestaat - de Raad voor de Kinderbescherming daarvan op de hoogte te stellen. 2.2. [verzoekster] is de moeder van de minderjarige [minderjarige], roepnaam [minderjarige]. Op 12 en 15 juni 2023, toen [minderjarige] 14 jaar oud was, is zij alleen naar het politiebureau gekomen om te vertellen over seksueel misbruik door haar stiefvader vanaf dat zij 8 of 9 jaar oud was. 2.3. Op 16 juni 2023 is naar aanleiding hiervan melding gedaan bij Veilig Thuis over de onveiligheid in de opvoedsituatie van [minderjarige]. Deze melding is geregistreerd onder nummer [nummer 1]. 2.4. Veilig Thuis heeft een huisbezoek afgelegd. [verzoekster] heeft tijdens dat huisbezoek verklaard dat [minderjarige] haar al enige tijd geleden had verteld over het seksueel misbruik, maar dat de stiefvader het ontkende en dat zij niet goed wist wie zij moest geloven en dat zij nooit zorgen had gehad over het contact tussen [minderjarige] en de stiefvader. Ze vertelde dat zij naar aanleiding van de melding haar relatie met de stiefvader van [minderjarige] heeft verbroken. [verzoekster] wilde niet meewerken aan nader onderzoek naar de melding en gaf geen toestemming voor gesprekken met [minderjarige] of haar oudere broer. 2.5. [verzoekster] heeft samen met de stiefvader van [minderjarige] nog twee kinderen van thans 4 en 2 jaar oud. 2.6. Veilig Thuis heeft op 26 juni 2023 besloten de dienst Onderzoek in te zetten. In dat kader is gesproken met de school van [minderjarige], de huisarts en het bij moeder betrokken consultatiebureau. 2.7. Op 29 oktober 2023 heef [minderjarige] bij de politie tegen haar stiefvader aangifte gedaan ter zake van seksueel misbruik. 2.8. Veilig Thuis heeft in een afsluitbrief van 16 november 2023 geconcludeerd dat er voldoende aanleiding is voor zorgen over een bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Veilig Thuis heeft haar zorgen ingebracht bij de Beschermtafel. De Beschermtafel besloot tijdens het overleg dat er onvoldoende redenen waren voor een raadsonderzoek. Vervolgens is het dossier onder casusnummer [nummer 1] zonder monitoringsafspraken gesloten op 14 december 2023. 2.9. Op 5 december 2023 heeft [verzoekster] per e-mail Veilig Thuis verzocht om vernietiging van haar persoonsgegevens en dossierinformatie voortkomend uit de melding op 16 juni 2023. 2.10. Veilig Thuis heeft op dit verzoek afwijzend beslist, maar heeft verzuimd dat besluit toe te zenden aan [verzoekster]. 2.11. Op 13 november 2024 heeft Veilig Thuis opnieuw een melding ontvangen met betrekking tot [minderjarige], dit keer van haar middelbare school. Deze melding is geregistreerd onder nummer [nummer 2]. De gemelde zorgen hebben betrekking op spijbelgedrag van [minderjarige] en schooluitval, mishandeling van een medeleerling op straat, een verstoorde relatie met moeder, onvoldoende toezicht en zorgsignalen richting pedagogische verwaarlozing. 2.12. In een e-mail van haar advocaat van 31 januari 2025 heeft [verzoekster] haar verzoek om vernietiging van dossier [nummer 1] herhaald. Veilig Thuis heeft dit verzoek in een brief van 24 februari 2025 afgewezen. 2.13. Op 28 februari 2025 heeft Veilig Thuis [verzoekster] geïnformeerd over de inzet van dienst Onderzoek in dossier [nummer 2]. Veilig Thuis heeft verklaard daartoe te hebben besloten omdat zij onvoldoende gerustgesteld was over het mogelijke verband tussen de nieuwe gemelde zorgen en de eerdere melding in dossier [nummer 1]. 2.14. [verzoekster] heeft op 27 maart 2025 Veilig Thuis schriftelijk verzocht om haar besluit tot afwijzing van het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van dossier [nummer 1] te heroverwegen. Volgens Veilig Thuis heeft dit verzoek om heroverweging haar niet eerder bereikt dan bij het verzoekschrift in de onderhavige zaak. 2.15. Na een verzoek van de advocaat van [verzoekster] om alle correspondentie met [verzoekster] via hem te laten verlopen, heeft Veilig Thuis op 28 april 2025 uiteengezet dat inhoudelijk overleg van Veilig Thuis wordt gevoerd met [verzoekster] als direct betrokkene maar dat mr. Thomas als haar advocaat welkom is haar daarbij bij te staan. 2.16. Na een uitnodiging van Veilig Thuis voor een startgesprek voor het onderzoek in dossier [nummer 2] hebben partijen in overleg afgesproken om het startgesprek te laten plaatsvinden op 15 mei 2025. 2.17. [verzoekster] had op 14 april 2025 Veilig Thuis verzocht om een afschrift van het cliëntdossier. Veilig Thuis heeft [verzoekster] op 12 mei 2025 meegedeeld dat het langer duurde dan de gebruikelijke vier weken om het inzagedossier gereed te maken, zodat het nog niet kon worden afgegeven. In reactie hierop is de afspraak voor het startgesprek op 14 mei 2025 door mr. Thomas namens [verzoekster] afgezegd. 2.18. Veilig Thuis heeft op 13 mei 2025 het verzoekschrift van [verzoekster] in de onderhavige zaak ontvangen. 2.19. In een e-mail van 15 mei 2025 heeft Veilig Thuis [verzoekster] laten weten dat de dienst onderzoek in het dossier [nummer 2] zou worden voortgezet, hoewel het startgesprek nog niet had plaatsgevonden, omdat Veilig Thuis verdere vertraging niet wenselijk achtte in het belang van de betrokken minderjarigen. Het startgesprek heeft uiteindelijk op 10 juni 2025 plaatsgevonden. Van dit gesprek is een geluidsopname gemaakt. 3 De standpunten [verzoekster] 3.1. verzoekt de rechtbank om Veilig Thuis te bevelen, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, het besluit van 24 februari 2025 te vernietigen en het dossier met nummer [nummer 1] te vernietigen, dan wel de daarin opgenomen persoonsgegevens van [verzoekster] te verwijderen op grond van artikel 17 AVG, binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking en met veroordeling van Veilig Thuis in de proceskosten. 3.2. [verzoekster] voert aan dat het bewaren van de gegevens een onredelijke en disproportionele inbreuk oplevert op het recht van eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer en die van haar minderjarige kinderen. Zij benadrukt dat het dossier is gesloten zonder verdere maatregelen, dat zij nooit betrokken is geweest in een jeugdbeschermingskader (Raadsonderzoek, ondertoezichtstelling of strafrechtelijk traject), dat het dossier verwijst naar niet geverifieerde meldingen die bij definitieve beoordeling geen aanleiding gaven tot interventie en dat er inmiddels een nieuw dossier ([nummer 2]) is geopend op grond van een melding van geheel andere aard, waarin eventuele nieuwe zorgen zijn geactualiseerd, waarmee dossier [nummer 1] zijn functie en relevantie heeft verloren. Zij verklaart dat zij haar gezinsleven inmiddels anders heeft ingericht. Zij verklaart dat zij haar relatie met de stiefvader weer heeft hervat toen het voor haar evident was dat de beschuldiging van [minderjarige] niet waar was. [verzoekster] verklaart dat [minderjarige] heeft verklaard dat zij de melding heeft gedaan als springplank om een eigen woning te krijgen in het kader van begeleid wonen en benadrukt dat [minderjarige] kan manipuleren. [verzoekster] benadrukt verder dat zij niet langer samenwoont met de stiefvader, maar dat zij ieder hun eigen woning hebben. Zij voert aan dat het bewaren van het dossier leidt tot aanhoudende psychische belasting bij haar en haar kinderen, mede door de aard van de beschuldiging en de onterechte suggestie dat sprake is van een structureel onveilige situatie. [verzoekster] voert aan dat zij door het bewaren van die gegevens bij elke nieuwe melding of onderzoek opnieuw met oude informatie wordt geconfronteerd die op geen enkel moment leidde tot jeugdbescherming, jeugdhulp of rechterlijke maatregelen. Zij wijst er op dat als het verhaal van [minderjarige] waar was geweest er meer dingen zijn die onderzocht hadden kunnen worden. Zij betwist dat bij die stand van zaken Veilig Thuis zich erop kan beroepen dat bewaren van de persoonsgegevens een ‘aanmerkelijk belang’ dient voor [minderjarige] en de andere minderjarigen. 3.3. Tenslotte voert [verzoekster] verweer tegen de door Veilig Thuis verzochte proceskostenveroordeling op grond van vermeend misbruik van recht. Veilig Thuis 3.4. Veilig Thuis voert verweer. Zij voert aan dat op grond van artikel 6 lid 1 sub e juncto lid 3 sub b AVG de verwerking van persoonsgegevens door Veilig Thuis rechtmatig is als de verwerking noodzakelijk is voor het vervullen van een taak van algemeen belang, mits het doel van de verwerking is vastgelegd in een wettelijke regeling. Zij wijst er op dat zij op grond van artikel 4.1.1. lid 2 sub a Wmo als meldpunt fungeert voor gevallen of vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling en dat dit beantwoordt aan een evidente taak- en doelstelling van algemeen belang als bedoeld in artikel 6 lid 1 AVG. Verder voert Veilig Thuis aan dat zij op grond van artikel 4.1.1. lid 2 sub b Wmo als taak heeft om naar aanleiding van een melding te onderzoeken of er sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld of een vermoeden daarvan en dat zij bevoegd is voor het uitoefenen van die taak persoonsgegevens te verwerken, zonder toestemming van [verzoekster]. Tenslotte wijst zij er op dat zij op grond van artikel 5.3.4. Wmo gehouden is deze persoonsgegevens gedurende minimaal twintig jaren te bewaren, of zoveel langer als redelijkerwijs noodzakelijk is in verband met een zorgvuldige uitvoering van haar taken op grond van de Wmo. 3.5. In een inhoudelijke reactie voert Veilig Thuis aan dat er een nieuwe melding is ontvangen met betrekking tot de opvoedsituatie van [minderjarige] bij [verzoekster] en dat het onderzoek naar aanleiding van die melding nog lopend is. Alleen hier volgt al uit, volgens Veilig Thuis, dat het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging van de persoonsgegevens verzet. Veilig Thuis voert verder aan dat de situatie dat [minderjarige] zegt dat het misbruik wel is gebeurd en dat [verzoekster] zegt dat het niet waar is al wijst op een probleem dat in beeld moet zijn, niet alleen voor [minderjarige] maar ook voor de andere twee minderjarige kinderen. Zij wijst er op dat mogelijk sprake is van een verstoorde dynamiek in het gezin, wat ook onveilig kan zijn voor de andere kinderen. Veilig Thuis benadrukt dat zij bij een nieuwe melding niet het oude dossier opnieuw gaat onderzoeken, maar dat die informatie wel wordt meegenomen bij het beoordelen van de veiligheidssituatie. 4 De beoordeling Bevoegdheid rechter en ontvankelijkheid [verzoekster] 4.1. Veilig Thuis is geen bestuursorgaan. Volgens artikel 35 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: UAVG) mag de betrokkene, hier [verzoekster], in dat geval de burgerlijke rechtbank verzoeken een beslissing te nemen. Dat betekent dat de rechtbank bevoegd is. 4.2. Veilig Thuis heeft in een brief van 24 februari 2025 uitgelegd aan [verzoekster] waarom zij het verzoek van [verzoekster] om haar persoonsgegevens te vernietigen in dossier [nummer 1] heeft afgewezen. Op grond van artikel 35 lid 2 van de Uitvoeringsweg AVG kon [verzoekster] binnen zes weken na genoemde datum een verzoekschrift indienen bij de rechtbank om Veilig Thuis te bevelen het verzoek alsnog te wijzen. 4.3. Het verzoekschrift van [verzoekster] is op 4 april 2025 ontvangen bij de rechtbank en derhalve tijdig ingediend, zodat [verzoekster] in haar verzoek kan worden ontvangen. Juridisch kader 4.4. [verzoekster] beroept zich op artikel 17 lid 1 van de Verordening (EU) 2016/679, Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). Volgens dat artikel heeft een betrokkene het recht om zijn persoonsgegevens te laten vernietigen als de persoonsgegevens niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins worden verwerkt, als de betrokkene de verleende toestemming waarop de verwerking berust intrekt of op grond van artikel 21 AVG bezwaar maakt tegen de verwerking en geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking bestaan, alsook wanneer er een wettelijke verplichting bestaat de persoonsgegevens te wissen. 4.5. In artikel 6 lid 1 sub e juncto 3 sub b AVG is de verwerking van persoonsgegevens door Veilig Thuis rechtmatig als die verwerking noodzakelijk is voor het vervullen van een taak van algemeen belang, mits het doel van de verwerking is vastgelegd in een wettelijke regeling. Op grond van artikel 4.1.1. lid 2 sub a Wmo fungeert Veilig Thuis als meldpunt voor gevallen van vermoedens van huiselijk gewed of kindermishandeling. Dit is een taakstelling als bedoeld in artikel 6 lid 1 AVG. 4.6. Op grond van artikel 4.1.1. lid 2 sub b Wmo heeft Veilig Thuis de taak om naar aanleiding van een melding te onderzoeken of sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld, of een vermoeden daarvan. Uit artikel 5.1.6 Wmo in samenhang met artikel 6 AVG volgt dat Veilig Thuis bevoegd is om persoonsgegevens te verwerken voor het uitoefenen van deze taak, zonder toestemming van [verzoekster]. 4.7. Op grond van artikel 5.3.4 Wmo is Veilig Thuis gehouden deze persoonsgegevens gedurende minimaal twintig jaren te bewaren, of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige uitvoering van haar taken op grond van deze wet noodzakelijk is. 4.8. Ondanks die verplichting van Veilig Thuis heeft [verzoekster] op grond van artikel 17 AVG het recht om Veilig Thuis te verzoeken haar persoonsgegevens te wissen. Veilig Thuis moet op grond van artikel 5.3.5 Wmo de gegevens verwijderen binnen drie maanden na het verzoek daartoe, tenzij redelijkerwijs aannemelijk is dat het bewaren van de gegevens een aanmerkelijk belang is voor een ander dan [verzoekster] als verzoekster en voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet. 4.9. Het bewaren van persoonsgegevens is een inmenging in het recht op een privéleven. De Wmo moet daarom ook worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 8 EVRM. De inmenging in het privéleven van een betrokkene is gerechtvaardigd als deze inmenging noodzakelijk is voor de gezondheid, de goede zeden of de bescherming van rechten en vrijheden van anderen. Dit betekent dat er een belangenafweging moet plaatsvinden en de verwerking van de persoonsgegevens moet voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De inbreuk op de belangen van een betrokkene (hier [verzoekster]) mag niet onevenredig zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteit). Aan dit vereiste is voldaan als het doel dat Veilig Thuis wil bereiken met het bewaren van de gegevens in redelijkheid niet kan worden bereikt op een andere en voor de betrokkene minder nadelige wijze (subsidiariteit). 4.10. Door Veilig Thuis is aangevoerd dat dit betekent dat zij een verzoek tot vernietiging van persoonsgegevens in een cliëntdossier mag afwijzen als aan vijf voorwaarden is voldaan: verwerking van de gegevens is noodzakelijk om te voldoen aan de wet, het is redelijkerwijs aannemelijk dat het bewaren van de persoonsgegevens van aanmerkelijk belang is voor iemand anders dan verzoeker, het bepaalde verzet zich tegen vernietiging bij of krachtens de wet, het bewaren van de persoonsgegevens is evenredig aan het te dienen doel, dat doel kan niet op een minder nadelige wijze worden verwezenlijkt. Veilig Thuis heeft aangevoerd dat zij deze vijf criteria gemotiveerd ten grondslag heeft gelegd aan haar antwoord in de brief van 24 februari 2025 op het verzoek van [verzoekster]. Zij heeft verklaard dat er een aanmerkelijk belang is bij het bewaren van de persoonsgegevens van [verzoekster] voor zowel [minderjarige] als voor de jongere minderjarige kinderen van [verzoekster], omdat zij alle drie betrokken zijn in een gezinssituatie waarop de gemelde zorgen betrekking hebben, die bovendien thans opnieuw onderwerp is van onderzoek. 4.11. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzoek van [verzoekster] wordt afgewezen. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt. 4.12. De vraag die nu beantwoord moet worden is of Veilig Thuis een aanmerkelijk belang heeft om de gegevens van [verzoekster] in dossier [nummer 1] te bewaren in het kader van haar radarfunctie om signalen van onveiligheid in de opvoedingssituatie aan te kunnen tonen. De rechtbank oordeelt dat Veilig Thuis haar belang voldoende heeft onderbouwd. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang. 4.13. Het dossier waar het verzoek van [verzoekster] betrekking op heeft, dossier [nummer 1], betreft een melding naar aanleiding van een verklaring van [minderjarige], toen 14 jaar oud, bij de politie dat zij vanaf dat zij 8 of 9 jaar oud was door haar stiefvader seksueel werd misbruikt. Dat is een ernstig feit en gaf Veilig Thuis voldoende aanleiding om een onderzoek op te starten. In dat kader heeft Veilig Thuis een huisbezoek afgelegd bij [verzoekster]. [verzoekster] heeft tijdens dat huisbezoek verklaard dat [minderjarige] eerder ook tegen haar had verteld dat ze seksueel misbruikt was/werd door haar stiefvader, dat de stiefvader het ontkende en dat [verzoekster] daarom niet goed wist wie zij moest geloven. [verzoekster] heeft op dat moment wel de relatie met de stiefvader van [minderjarige] verbroken, maar zij wilde niet meewerken aan nader onderzoek door Veilig Thuis en wilde ook geen toestemming geven voor gesprekken met [minderjarige] en/of haar oudere broer. 4.14. Veilig Thuis vond dat sprake was van een zorgelijke situatie en heeft haar zorgen voorgelegd aan de Beschermtafel. Daar is vervolgens besloten geen nader onderzoek te starten. De relatie tussen [verzoekster] en de stiefvader was inmiddels verbroken en de stiefvader was daarmee grotendeels uit beeld, behalve in zijn hoedanigheid als biologische vader van de jongste minderjarigen in het gezin van [verzoekster]. Een nader onderzoek zou bij die stand van zaken echter te ingrijpend zijn in de levens van de betrokkenen. Als de Beschermtafel een dergelijk besluit heeft genomen, eindigt daarmee de bemoeienis door Veilig Thuis op dat moment en moet zij het dossier sluiten. 4.15. [verzoekster] heeft enige tijd later de relatie met de stiefvader van [minderjarige] weer hervat. [verzoekster] benadrukt dat zij dat heeft gedaan nadat het voor haar evident was geworden dat [minderjarige] heeft gelogen over het seksueel misbruik. Zij heeft verklaard dat [minderjarige] dat heeft toegegeven en heeft gezegd dat ze het had gedaan omdat ze het huis uit wilde. Dit heeft [verzoekster] echter op geen enkele manier onderbouwd, terwijl uit de reactie van [verzoekster] tijdens het huisbezoek indertijd al blijkt dat zij haar dochter op dit punt niet gelooft en ook geen medewerking wilde verlenen aan een verder onderzoek naar aanleiding van de melding. Zelfs als juist is dat de verklaring van [minderjarige] indertijd niet waar is geweest, en zij het heeft gedaan omdat zij uit huis wilde, is het feit dat [minderjarige] die verklaring heeft afgelegd op zichzelf al een signaal dat er mogelijk sprake is van een onveilige of zorgelijke opvoedsituatie ten aanzien van [minderjarige] bij [verzoekster]. Veilig Thuis heeft een aanmerkelijk belang om een dergelijk signaal in het kader van haar radarfunctie te bewaren voor het geval er een nieuwe melding wordt gedaan over [minderjarige] of haar jongere broertje en zusje. 4.16. Inmiddels ligt er een nieuwe melding over [minderjarige]. Weliswaar heeft deze melding geen betrekking op seksueel misbruik maar de melding gaat wel over zorgelijk en problematisch gedrag dat [minderjarige] vertoont. In het kader van die melding wordt ook gesproken over een vermoeden van pedagogische verwaarlozing van [minderjarige], waarbij wordt aangegeven dat [minderjarige] aangeeft dat zij erg vaak alleen thuis is (omdat [verzoekster] bij haar partner verblijft). Hoewel deze melding hier niet ter beoordeling voorligt is namens [verzoekster] hierover niets anders aangevoerd dan dat [minderjarige] de boel manipuleert omdat ze uit huis wil. [verzoekster] heeft daarnaast benadrukt dat zij het gevoel heeft dat zij in verband met het onderzoek naar de nieuwe melding met de nek wordt aangekeken in verband met de eerdere melding over seksueel misbruik en omdat zij opnieuw een relatie heeft met de stiefvader van [minderjarige]. 4.17. De rechtbank oordeelt dat de nieuwe melding voldoende aanwijzing vormt dat er zorgen zijn in de opvoedsituatie van [minderjarige] en misschien ook in de opvoedsituatie van haar jongere broertje en zusje. Daarbij zijn de gegevens in dossier [nummer 1] zeker van belang in het kader van de radarfunctie van Veilig Thuis en weegt het belang van Veilig Thuis om deze gegevens te bewaren ten behoeve van [minderjarige] en de jongere kinderen, zwaarder dan het belang van [verzoekster] bij vernietiging van die gegevens. Proceskosten 4.18. Veilig Thuis heeft verzocht om [verzoekster] te veroordelen in de proceskosten als de in het ongelijk gestelde partij, omdat zij zich met haar verzoek tot de rechtbank heeft gewend en geen gebruik heeft gemaakt van de minnelijke route die Veilig Thuis haar heeft geboden om met Veilig Thuis in gesprek te gaan over een heroverweging van het besluit tot afwijzing van 24 februari 2025. 4.19. Dit verzoek wordt afgewezen. De minnelijke route waarover Veilig Thuis het heeft is niet een wettelijk voorgeschreven route maar een route die Veilig Thuis zelf als een soort tussenstap in het leven heeft geroepen. [verzoekster] was niet verplicht die route te volgen. Zij heeft gebruik gemaakt van haar wettelijke bevoegdheid om het afwijzingsbesluit van Veilig Thuis voor te leggen aan de rechter. Daarbij past geen proceskostenveroordeling zoals door Veilig Thuis verzocht. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025. type: 1155 coll: