Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam

Case Summary

RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/770243 / HA ZA 25-1119 Vonnis van 24 december 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. H.A.J.M. van Kaam, tegen GEMEENTE AMSTERDAM , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: de gemeente, advocaat: mr. M. Jansen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 23 mei 2025 - de akte overlegging producties van 4 juni 2025 van [eiser] met producties - de conclusie van antwoord van 13 augustus 2025 met producties - het tussenvonnis van 10 september 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald - het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 oktober 2025 en de daarin vermelde stukken - de zittingsaantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling die zich in het dossier bevinden. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] is een Nederlandse vastgoedondernemer en oprichter van de [bedrijf] . Sinds 2023 is hij eigenaar van de [ontwikkelproject] in de [locatie] . 2.2. Tussen [eiser] en de gemeente is sindsdien onenigheid ontstaan over de ontwikkeling en toekomstige exploitatie van de [ontwikkelproject] , waarbij [eiser] daarin een sportfaciliteit met padelbanen wil huisvesten. Hierbij is ook de Amsterdamse woningcorporatie Stadgenoot, een van de vorige eigenaars van de [ontwikkelproject] , betrokken. 2.3. Zowel de lokale media als de lokale politiek hebben aandacht besteed aan de ontwikkelingen met betrekking tot de [ontwikkelproject] . 2.4. Begin 2025 plaatste [eiser] een bericht op het online platform LinkedIn (hierna: het LinkedIn-bericht) met de volgende inhoud: “Afgelopen week hebben wij een brief ontvangen van woningbouwvereniging Stadgenoot. [naam 1] , [functie 1] Stadgenoot, deelt mede dat [functie 2] [naam 2] van D’66 hem bij brief heeft laten weten dat zij de woningbouwvereniging verbiedt mee te werken aan een overeenkomst met [bedrijf] . Zij stelt de woningbouwvereniging aansprakelijk indien de woningbouwvereniging uitvoering geeft aan de schriftelijk gemaakte afspraken met [bedrijf] . [naam 1] geeft aan “klem “te zitten. Deze linkse [functie 2] en haar [functie 3] , [naam 3] , draaien Padel op [locatie] de nek om en laten zich ringeloren door [naam 4] de [functie 4] van de PVDA. Ondernemers vertrekken uit de wijk omdat de gemeente geen onderhoud uitvoert en haar afspraken niet nakomt mbt bestrating en inrichting van de openbare ruimten. [locatie] ziet er uit als een bouwplaats en op sommige momenten een afvalberg. Het hoofdkantoor van de stadsreiniging met al haar wagentjes is gevestigd op [locatie] . Het schoonhouden van de wijk is geen prioriteit. Dan wil je in deze sobere wijk iets bouwen waar de [wijkbewoners] elkaar kunnen ontmoeten en dan komt er een linkse wethouder die daar een stokje voor steekt. [naam 2] van D’66 is de naam van deze krachtige visieloze [functie 5] .” 2.5. Naar aanleiding van dit bericht stuurde de gemeente op 3 februari 2025 een brief aan [eiser] met onder meer de volgende inhoud: “In uw bericht heeft u de naam en toenaam van een ambtenaar van de gemeente Amsterdam zonder diens toestemming gedeeld. Wij wijzen u erop dat hoewel het uiteraard uw recht is om kritiek te uiten en uw mening te delen, het niet wenselijk is om de namen van medewerkers van de gemeente Amsterdam ongevraagd op sociale media of in andere communicatie naar buiten toe te gebruiken. (…) Daarom ontvangt u middels deze brief het dringende verzoek om de tekst in bovengenoemd bericht aan te passen (de naam uit het bericht te halen) en in de toekomst geen namen van ambtenaren meer zonder hun toestemming te plaatsen op sociale media of anderszins in uw communicatie naar buiten toe te gebruiken. Dit verzoek is in lijn met de waarden van de gemeente Amsterdam en heeft als doel de veiligheid en privacy van onze medewerkers te waarborgen, evenals de integriteit van onze Organisatie. (…) Indien zich een dergelijke situatie opnieuw voordoet, zullen wij genoodzaakt zijn verdere stappen te ondernemen. Het incident zal worden geregistreerd in ons Gemeentelijk Incidenten Registratiesysteem.” 2.6. Bij brief van 6 februari 2025 verzocht [eiser] bij monde van zijn advocaat om zijn registratie in het Gemeentelijk Incidenten Registratiesysteem (hierna: het GIR) ongedaan te maken. 2.7. Op 7 februari 2025 schreef de gemeente in een e-mail aan de advocaat van [eiser] : “(…) de registratie heeft nog niet plaatsgevonden en vooralsnog zal nu ook geen registratie plaatsvinden. Wij laten het nu bij een waarschuwing. Dat gezegd hebbende maak ik u en uw cliënt er graag op attent dat wij als gemeente niet accepteren als onze medewerkers, al dan niet in het licht van hun werk/functioneren, publiekelijk persoonlijk worden aangevallen. In die zin blijft de strekking van ons schrijven van [door de gemeente gecorrigeerd naar: 3 februari] onverminderd van kracht. Deze waarschuwing is hiermee een eerste blijk van waar voor ons de grens ligt als het gaat om uitingen die de heer [eiser] doet over specifieke medewerker(s). (…)” 2.8. In een brief van 18 februari 2025 schreef de gemeente aan [eiser] : “(…) Naar aanleiding van mijn eerdere brief d.d. [door de gemeente gecorrigeerd naar: 3 februari] 2025 en ons telefoongesprek d.d. 17 februari 2025 deel ik u het volgende mee. In genoemde brief staat dat het incident zal worden geregistreerd in ons Gemeentelijk Incidenten Registratiesysteem (GIR). Dit is onjuist en had niet in de brief mogen staan. Registratie in het GIR heeft ook niet plaatsgevonden. (…) Ik betreur het dat deze fout is gemaakt en ik u niet eerder heb gebeld. Dit had niet mogen gebeuren. Bij deze bied ik u hiervoor mijn excuses aan.” 2.9. 24 februari 2025 diende [eiser] een klacht in over de berichten van de gemeente met betrekking tot het GIR. In haar reactie op deze klacht van 3 april 2025 schreef de gemeente onder meer: “Vooropgesteld staat de gemeente nog altijd achter het versturen van het dringend verzoek om het ongevraagd met naam en toenaam noemen van een ambtenaar van de gemeente Amsterdam op social media te herstellen en in de toekomst niet te doen (onze brief d.d. 3 februari 2025). De in de brief gedeelde motivatie hiervoor onderschrijft de gemeente: medewerkers kunnen zich als ambtenaar niet persoonlijk uiten of verdedigen in een meningsverschil tussen uw cliënt en het bestuur van de gemeente. Een GIR-melding doen is zowel een recht als een plicht van elke medewerker die agressief (in welke gradatie dan ook) door een burger wordt bejegend.” 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de gemeente onrechtmatig handelt vanwege de dreiging met een registratie in het GIR naar aanleiding van het LinkedIn-bericht. 3.2. [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De gemeente heeft gedreigd om [eiser] te registreren in het GIR als hij zich nogmaals kritisch openbaar (over de ambtenaar) uitlaat. Dat is een beperking van de vrijheid van meningsuiting van [eiser] . Deze maatregel heeft een chilling effect op de uitingsvrijheid van [eiser] . De beperking was niet legitiem en niet noodzakelijk en daarom niet gerechtvaardigd. Daarnaast handelde de gemeente in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en daarom jegens [eiser] onrechtmatig. 3.3. De gemeente voert verweer en concludeert in de eerste plaats tot niet-ontvankelijkheid. Daarnaast voert de gemeente aan dat geen GIR-registratie heeft plaatsgevonden en dat zij haar excuses heeft aangeboden voor het misverstand daarover. De gemeente betwist dat er van een dreiging van een registratie in het GIR en van een chilling effect sprake is. Het enige wat de gemeente aan [eiser] heeft verzocht is om de naam van de ambtenaar niet te betrekken in zijn kritiek. Voor zover dit al een beperking is, is dit een legitiem en minimaal verzoek ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van haar werknemers. Van handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of de AVG is geen sprake. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Ontvankelijkheid 4.1. De gemeente heeft als verweer gevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij alleen een verklaring voor recht vordert en onvoldoende belang heeft bij zijn vordering. De rechtbank zal eerst dit verweer beoordelen, omdat zij niet aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering toekomt als dit verweer van de gemeente slaagt. 4.2. De rechtbank stelt voorop dat in beginsel iedere betrokkene belang heeft bij duidelijkheid over zijn rechtsverhouding met anderen. Artikel 3:302 BW biedt daarvoor de rechtsingang. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat een eisende partij ook zonder schade belang kan hebben bij een declaratoire uitspraak over onrechtmatigheid, omdat een dergelijke uitspraak als een vorm van genoegdoening kan worden aangemerkt. Partijen verschillen in deze zaak van mening over de vraag of er sprake was van een inbreuk op het door onder meer artikel 10 EVRM gegarandeerde fundamentele recht op vrije meningsuiting. Omdat de gemeente aan het verzoek tot beperking van zijn uitingen aan [eiser] de waarschuwing verbindt dat hij mogelijk wordt opgenomen in het GIR, is evident dat het onderwerp van geschil van belang is voor [eiser] , waarmee ook zijn belang met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht is gegeven. Dat betekent dat het verweer van de gemeente wordt verworpen. Samenvatting van het inhoudelijk oordeel 4.3. [eiser] heeft aan zijn vordering in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door inbreuk te maken op zijn recht op vrijheid van meningsuiting, zoals dat wordt beschermd door artikel 10 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een inbreuk op het recht op vrije meningsuiting van [eiser] en dat daarvoor geen rechtvaardigheidsgrond bestaat. Dat betekent dat de gemeente onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht. Geen registratie in het GIR 4.4. Voorop staat daarbij dat de gemeente zowel in haar (hierboven bij de feiten aangehaalde) correspondentie met [eiser] als in haar conclusie van antwoord en ter zitting heeft betoogd dat geen registratie in het GIR heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft [eiser] dat weliswaar betwist, maar die enkele betwisting legt tegenover de herhaaldelijk gedane toezeggingen van de gemeente onvoldoende gewicht in de schaal. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [eiser] niet in het GIR is geregistreerd. Er was sprake van een inbreuk op artikel 10 EVRM 4.5. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of er sprake was van een inbreuk door de gemeente op het recht op vrije meningsuiting van [eiser] . De door [eiser] in dit kader aan de gemeente verweten handeling is het dreigen met registratie in het GIR wegens het noemen van de naam van gemeenteambtenaar [naam 3] (hierna: de Ambtenaar) in het LinkedIn-bericht. 4.6. Niet in geschil is dat [eiser] in het LinkedIn-bericht een mening heeft geuit die valt onder het toepassingsbereik van 10 EVRM. 4.7. Volgens vaste rechtspraak is van een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting niet alleen sprake bij een publicatieverbod, maar ook wanneer aan een uiting sancties van strafrechtelijke, arbeidsrechtelijke, privaatrechtelijke of tuchtrechtelijke aard worden verbonden. Ook sancties die geen of weinig nadeel opleveren of de dreiging van sancties kunnen een inmenging in de zin van artikel 10 lid 1 EVRM opleveren. Dreiging met een sanctie 4.8. Op grond van de overgelegde stukken en de toelichting van partijen kan met betrekking tot het GIR het volgende worden vastgesteld. Het GIR is een registratiesysteem dat door gemeenten wordt gebruikt voor het registreren van agressie- en geweldsdelicten. Medewerkers van de gemeente kunnen zelf een registratie van een agressie- en geweldsdelict registreren in het GIR. Aan personen die zijn geregistreerd kunnen maatregelen worden opgelegd. De leidinggevende van de melder beslist of de melding gegrond is, en zo ja welke maatregel namens de gemeente wordt opgelegd. Na het opleggen van de maatregel wordt de betrokkene daarvan op de hoogte gesteld. Een maatregel kan bestaan uit een schriftelijke waarschuwing, een pandverbod of een contactverbod. 4.9. Hoewel een registratie in het GIR op zichzelf geen rechtstreekse gevolgen heeft voor de geregistreerde persoon, en de sancties die de gemeente kan opleggen niet (eenvoudig) in een van de bovengenoemde sanctiecategorieën is te plaatsen, is de rechtbank van oordeel dat zowel registratie in het GIR als dreiging met registratie als dreiging met een sanctie kunnen worden aangemerkt. Vast staat immers dat een gemeente op grond van een GIR-registratie maatregelen kan nemen die, zeker in het geval van een pandverbod of contactverbod, vergaande gevolgen voor de betrokkene kunnen hebben. Daarbij speelt mee dat de gemeente een grote vrijheid heeft bij de beslissing om een maatregel op te leggen en dat de geregistreerde persoon daarop vooraf geen invloed kan uitoefenen. Registratie in het GIR betekent daarom dat de geregistreerde er steeds rekening mee moet houden dan hem een maatregel zal worden opgelegd. 4.10. De rechtbank is van oordeel dat er in het geval van [eiser] sprake was van dreiging met sanctie. Dat oordeel wordt als volgt toegelicht. In haar brief van 3 februari 2025 naar aanleiding van het LinkedIn-bericht geeft de gemeente aan dat [eiser] wegens het noemen van de naam van de Ambtenaar zal worden geregistreerd in het GIR. In haar e-mail van 7 februari 2025 schrijft de gemeente weliswaar dat [eiser] niet is geregistreerd in het GIR, maar herhaalt zij haar verzoek aan [eiser] om de naam van de Ambtenaar te verwijderen en schrijft zij ook: “(…) de registratie heeft nog niet plaatsgevonden en vooralsnog zal nu ook geen registratie plaatsvinden. Wij laten het nu bij een waarschuwing.” Deze mededeling, met name de keuze voor de woorden “nog niet”, “vooralsnog” en ”waarschuwing”, wekt sterk de indruk dat de gemeente vasthoudt aan haar standpunt dat het noemen van de naam van de Ambtenaar kan leiden tot registratie en een sanctie. Hoewel de gemeente op 18 februari 2025 aan [eiser] haar excuses aanbood voor het feit dat zij op 3 februari 2025 schreef dat [eiser] zou worden geregistreerd, legt zij in haar reactie van 3 april 2025 op de klacht van [eiser] (zie 2.9) nogmaals het verband tussen het noemen van de naam van een ambtenaar op sociale media en een GIR-registratie. Ook ter zitting heeft de gemeente toegelicht consequent het noemen van namen van medewerkers te zullen handhaven en dus nooit te kunnen garanderen dat [eiser] niet in het GIR register zal komen. 4.11. Anders dan de gemeente heeft betoogd volgt uit de bovenstaande berichten niet dat er geen sprake was van een dreiging met een GIR- registratie. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt daaruit veeleer dat de gemeente vanaf de eerste brief van 3 februari 2025 consequent aan [eiser] heeft gecommuniceerd dat het noemen van de naam van de Ambtenaar zou kunnen leiden tot een GIR-registratie van [eiser] . Dat geen daadwerkelijke registratie heeft plaatsgevonden of een sanctie is opgelegd doet aan de dreiging die van deze correspondentie uitgaat niet af. 4.12. [eiser] heeft in dit verband ook gesteld dat deze dreiging hem ontmoedigt om zich nogmaals kritisch te uiten en daarmee een ‘ chilling effect’ heeft. De gemeente heeft dit weliswaar betwist, maar dat is moeilijk te rijmen met de hierboven genoemde uitlatingen van de gemeente. Niet valt in te zien hoe deze anders zouden kunnen worden begrepen dan dat zij het doel hadden om [eiser] te bewegen het LinkedIn-bericht aan te passen en hem te weerhouden van het noemen van de Ambtenaar. Dat betekent dat voldoende is komen vast te staan dat er sprake was van een ‘chilling effect’. 4.13. De conclusie is dat er sprake was van een inbreuk door de gemeente op het recht op vrijheid van meningsuiting van [eiser] . De inmenging was niet gerechtvaardigd 4.14. Een inbreuk op het recht van vrije meningsuiting kan op grond van artikel 10 lid 2 EVRM gerechtvaardigd zijn voor zover is voldaan aan de in die bepaling omschreven voorwaarden. Dat wil in de eerste plaats zeggen dat de beperkende maatregel een basis moet hebben in het nationale recht. De inbreuk moet in de tweede plaats een legitiem doel dienen. In de derde plaats moet de inbreuk noodzakelijk zijn om dat doel in een democratische samenleving te bereiken. De laatste voorwaarde houdt in dat sprake moet zijn van een zwaarwegend maatschappelijk belang, de inbreuk moet proportioneel zijn, en de gemeente moet relevante en voldoende gronden aanvoeren om de inbreuk te rechtvaardigen. De beperking is voorzien bij wet 4.15. Anders dan [eiser] heeft betoogd gaat het bij de vraag naar de wettelijke grondslag van de beperking niet om de grondslag van het GIR maar om de vraag of het optreden van de gemeente een wettelijke basis heeft, als bedoeld in artikel 10 lid 2 EVRM. Die vraag wordt bevestigend beantwoord. De gemeente heeft in dit kader aangevoerd dat zij heeft gehandeld ter bescherming van de Ambtenaar. Met de gemeente is de rechtbank van oordeel dat dit handelen zijn grondslag vindt in artikel 7:611 BW en artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet (op grond van welke bepalingen de werkgever, samengevat, dient te zorgen voor de veiligheid en gezondheid van werknemers) in samenhang met artikel 8 EVRM, inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (van de Ambtenaar). De vaste rechtspraak over het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op vrije meningsuiting biedt voldoende houvast om te kunnen voorspellen welk soort omstandigheden in de afweging een rol zal kunnen spelen. Dat betekent dat het handelen van de gemeente een basis had in het nationale recht. De beperking diende een legitiem doel ` 4.16. Tussen partijen is niet in geschil dat het handelen van de gemeente een in artikel 10 lid 2 EVRM genoemd doel dient, te weten de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. De beperking was niet noodzakelijk 4.17. De vervolgvraag is of de inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving. Bij het beantwoorden van die vraag is het volgende van belang. Vast staat dat [eiser] zich niet eerder in een bericht (op sociale media) over de Ambtenaar heeft geuit. [eiser] heeft verder onbetwist aangevoerd dat het LinkedIn-bericht mede is geschreven in reactie op een opiniestuk van twee Amsterdamse gemeentelijke politici, waarin deze zich uitspreken tegen zijn plannen. In het LinkedIn-bericht heeft hij kritiek willen uiten op het functioneren van de overheid met betrekking tot de ontwikkeling van de [ontwikkelproject] , aldus [eiser] . Uit het LinkedIn-bericht blijkt dat de kritiek zich hoofdzakelijk richt op bij de [ontwikkelproject] betrokken gemeentelijke politici, waarbij eenmaal de naam van de Ambtenaar wordt genoemd. [eiser] schrijft dat een [functie 2] en de Ambtenaar de padelbaan ‘de nek omdraaien’ en zich door anderen laten ‘ringeloren’. 4.18. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat dit taalgebruik, hoewel kritisch, niet is te kwalificeren als diffamerend, laat staan als agressief of gewelddadig. De gemeente heeft geen feiten of omstandigheden gesteld, noch is daarvan gebleken, op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld. Dat betekent dat het LinkedIn-bericht kan worden aangemerkt als een bijdrage aan het publieke debat over een onderwerp van maatschappelijk belang. 4.19. Daarbij speelt mee dat, zoals ook de gemeente ter zitting heeft betoogd, de Ambtenaar een publiek profiel heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat zij al geruime tijd projectleider is bij de gemeente en heeft bijgedragen aan een groot aantal publieke projecten. Zij presenteert zichzelf ook als zodanig op LinkedIn en komt van tijd tot tijd in de openbaarheid door mee te werken aan interviews en publicaties en deelname aan publieke bijeenkomsten. Daarmee heeft de Ambtenaar er voor gekozen om een meer zichtbare rol te vervullen. Dat betekent dat zij er rekening mee moet houden dat haar naam in publicaties kan worden genoemd, met name wanneer deze publicaties projecten betreffen waaraan zij namens de gemeente verbonden is. Het betekent ook dat zij met meer kritiek te maken zal kunnen krijgen en deze meer moet kunnen verdragen dan ambtenaren die deze rol niet vervullen en dan willekeurige burgers. 4.20. Het voorgaande betekent niet dat de Ambtenaar geen recht heeft op bescherming van haar persoonlijke levenssfeer. Het betekent evenmin dat de gemeente geen belang zou kunnen hebben bij het beschermen van haar medewerkers wanneer deze te maken krijgt met agressie en geweld. Dat daar in dit geval sprake van was is echter niet vast komen te staan. Dat de Ambtenaar het noemen van haar naam als onprettig heeft ervaren, zoals de gemeente heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. Aan het belang van [eiser] om zich vrij te kunnen uiten moet in dit geval meer gewicht worden toegekend. Conclusie 4.21. Op grond van alle omstandigheden van dit geval, in onderlinge samenhang beschouwd, komt de rechtbank tot de conclusie dat het optreden van de gemeente niet proportioneel was en dat daarmee geen zwaarwegend maatschappelijk belang werd gediend. Dat betekent dat de inbreuk op het door artikel 10 EVRM beschermde recht op vrije meningsuiting van [eiser] niet gerechtvaardigd was en dat de gemeente onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De vordering zal daarom worden toegewezen zoals hierna vermeld. 4.22. Gelet op het voorgaande hoeft wat verder nog door partijen naar voren is gebracht geen verdere bespreking en beoordeling meer. Uitvoerbaarheid bij voorraad 4.23. Een verklaring voor recht is naar zijn aard in beginsel niet vatbaar voor tenuitvoerlegging en kan zodoende niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Er is in deze zaak geen aanleiding voor een ander oordeel. De proceskostenveroordeling zal zoals gevorderd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Proceskosten 4.24. De gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 331,00 - salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.881,47 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart voor recht dat de gemeente jegens [eiser] onrechtmatig handelt door te dreigen met een registratie in het GIR naar aanleiding van zijn LinkedIn-bericht, weergegeven onder 2.4, in strijd met artikel 10 EVRM. 5.2. veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 1.881,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. G.J.W. Pulles en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8146, NJ 2010/172 ( Chipshol/Staat ) HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1140 Frankowicz t. Polen , EHRM 16 december 2008, nr. 53025/99, ECLI:NL:XX:2008:BH4342. ; Steur t. Nederland , EHRM 28 oktober 2003, nr. 39657/98, ECLI:NL:XX:2003:AP0930 Zie bijvoorbeeld HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569 P edersen en Baadsgaard t. Denemarken , EHRM (GK) 17 december 2004, nr. 49017/99, ECLI:NL:XX:2004:AS5152