Rechtbank Amsterdam
Rechtbank Amsterdam
Case Summary
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-189005-25 Datum uitspraak: 17 december 2025 UITSPRAAK op de vordering van 25 juni 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 juni 2025 door de Substituut-Procureur bij de rechtbank van Arras, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in [penitentiaire inrichting] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 21 augustus 2025 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 augustus 2025 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. F.H. van der Pol, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Tevens is de gevangenhouding bevolen. gevangenhouding. Tussenuitspraak van 4 september 2025 De rechtbank heeft op 4 september 2025 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst. De rechtbank heeft daarbij de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 1 oktober 2025 De behandeling van het EAB is - met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling - voortgezet op de zitting van 1 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. F.H. van der Pol, advocaat in Amsterdam. Tussenuitspraak 15 oktober 2025 De rechtbank heeft op 15 oktober 2025 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst. De rechtbank heeft daarbij de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting 30 oktober 2025 De behandeling van het EAB is - met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling - voortgezet op de zitting van 30 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. F.H. van der Pol, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding. Tussenuitspraak van 13 november 2025 De rechtbank heeft op 13 november 2025 tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst. De rechtbank heeft daarbij de termijn waarbinnen zijn uitspraak moet doen verlengd met zestig dagen op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie. Zitting van 17 december 2025 De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden - met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling - op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. F.H. van der Pol, advocaat in Amsterdam. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 4 september 2025 De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 4 september 2025 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten. Hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen ten aanzien van de detentieomstandigheden in de tussenuitspraken van 4 september 2025, 15 oktober 2025 en 13 november 2025 , die hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Bij tussenuitspraak van 13 november 2025 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat er sprake is van een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon in detentie in Frankrijk als de overlevering zou worden toegestaan. De rechtbank heeft daarom de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aangehouden om na te gaan of binnen de gestelde redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden optreedt. The Office for International Mutual Criminal Assistance heeft bij email van 3 december 2025 onder andere de volgende aanvullende informatie verstrekt: “We have already guaranteed that after a stay of 4 to 15 days in the new arrivals section [opgeëiste persoon] would be untitled to a personal space of at least 3 square meters. We have also detailed the detention conditions in the new arrival section. Since our last email there has no been no changes in circumstances but still, we can add that current regulations in France stipulate a minimum of one hour of outdoor exercise per day for prisoners. However, outdoor exercise is generally organized as two hours of planned walking in one or two sessions spread throughout the day, to be adjusted according to weather conditions.” Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB omdat met de aanvullende informatie van 3 december 2025 het vastgestelde individuele gevaar voor de opgeëiste persoon niet is weggenomen. De Franse autoriteiten bevestigen hun eerdere berichten en vermelden dat er geen wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden. Het blijft onduidelijk hoeveel vierkante meter aan persoonlijke ruimte de opgeëiste persoon na overlevering zal krijgen, met name in de “new arrivals section”. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak van 13 november 2025 gestelde redelijke termijn van dertig dagen een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De rechtbank overweegt dat de aanvullende informatie van de Franse autoriteiten van 3 december 2025 niet duidelijk maakt hoeveel vierkante meter persoonlijke ruimte de opgeëiste persoon na overlevering zal krijgen en met name niet hoeveel minder dan drie vierkante meter dat zal zijn voor de eerste periode na overlevering, in de “new arrivals section”. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde aanvullende informatie van de Franse autoriteiten niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. Dit terwijl de gegeven redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken. De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW en zal op grond van artikel 11, vierde lid, juncto artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. 5 Slotsom De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB. 6 Toepasselijke wetsartikelen Artikel 11 OLW. 7 Beslissing GEEFT GEEN GEVOLG aan het EAB. VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. HEFT OP de overleveringsdetentie. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer voorzitter, mrs. M. Scheeper en H.P. Kijlstra rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 december 2025. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. ECLI:NL:RBAMS:2025:6458. ECLI:NL:RBAMS:2025:7644. ECLI:NL:RBAMS:2025:8691.