Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag

Case Summary

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 25/2318 en SGR 25/2317 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder. Procesverloop Met dagtekening 30 september 2024 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2022 (aanslagnummer [aanslagnummer 1] ) (SGR 25/2317) een aanslag rioolheffing opgelegd. Met dagtekening 31 januari 2024 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2023 (aanslagnummer [aanslagnummer 2] ) (SGR 25/2318) een aanslag rioolheffing opgelegd. Verweerder heeft bij separate uitspraken op bezwaar van 19 maart 2025 de aanslagen met aanslagnummer [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2] gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Namens eiser is verschenen, zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] . Overwegingen Feiten 1. Met dagtekening 31 mei 2023 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2022 een aanslag gemeentelijke belastingen opgelegd voor de objecten aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats] . 2. Met dagtekening 24 februari 2023 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2023 een aanslag gemeentelijke belasting opgelegd voor de objecten aan de [adres 3] , [adres 4] , [adres 1] en [adres 2] te [plaats] . 3. Verweerder heeft in een geschrift bij uitspraak op bezwaar van 14 februari 2024 de onder 1 en 2 genoemde aanslagen gedeeltelijk vernietigd. 4. Met dagtekening 30 september 2024 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2022 een aanslag rioolheffing opgelegd ten bedrage van € 104,34 voor de objecten aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats] . 5. Met dagtekening 31 januari 2024 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2023 een aanslag rioolheffing opgelegd ten bedrage van € 208,68 voor de objecten aan de [adres 3] , [adres 4] , [adres 1] en [adres 2] te [plaats] . 6. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslagen gehandhaafd. Geschil 7. In geschil is of de onder 4 en 5 genoemde aanslagen rioolheffing voor 2022 en 2023 terecht zijn opgelegd. Verder is in geschil of de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase terecht niet is toegekend. Ook verzoekt eiser om een proceskostenvergoeding in de beroepsfase. 8. Eiser stelt dat de aanslagen rioolheffing zoals genoemd onder 4 en 5 ten onrechte zijn opgelegd. Daarbij voert eiser aan dat niet tweemaal dezelfde aanslagsoort voor hetzelfde object kan worden opgelegd. Verder stelt eiser dat zijn gemachtigde een professioneel kantoor heeft en dat hij voor meerdere klanten en accountantskantoren werkzaam is. 9. Verweerder stelt dat de onderhavige aanslagen rioolheffing terecht zijn opgelegd. Verder stelt verweerder dat de gemachtigde van eiser geen beroepsmatige rechtsbijstand verleent. Hij treedt enkel op als gemachtigde ten aanzien van familieleden. Beoordeling van het geschil Aanslagen 2022 en 2023 10. Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet kan, onder de naam rioolheffing, een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater. 11. De rioolheffing wordt ingevolge het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van zowel de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing van de gemeente [plaats] voor het jaar 2022 (de Verordening 2022) en als die voor het jaar 2023 (de Verordening 2023) geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Blijkens de Verordening 2022 en 2023 kan verweerder dus heffen bij de gebruiker van het perceel van waaruit water direct of indirect wordt afgevoerd op de gemeentelijke riolering. Dit kan behalve afvalwater, ook hemelwater of grondwater zijn. 12. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie de hoofdregel is, dat ter zake van hetzelfde belastbaar feit ten laste van een belastingplichtige maar éénmaal een primitieve aanslag kan worden opgelegd. Door het opleggen van een primitieve aanslag is de bevoegdheid tot heffen derhalve in beginsel uitgeput. 13. Bij uitspraak op bezwaar van 14 februari 2024 heeft verweerder de onder 1 en 2 genoemde aanslagen, wegens het ontbreken van een directe aansluiting, vernietigd. Vervolgens heeft verweerder opnieuw voor dezelfde belastingjaren aanslagen opgelegd, genoemd onder 4 en 5, vanwege een indirecte aansluiting en het afvoeren van hemelwater. Verweerder heeft de bewijslast dat het belastbare feit zoals omschreven in de Verordening 2022 en 2023, zich heeft voorgedaan. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de onder 4 en 5 genoemde aanslagen zijn opgelegd op basis van een nieuw belastbaar feit, zijnde het beschikken over een indirecte aansluiting voor het afvoeren van hemelwater. Verweerder heeft met hetgeen ter zitting aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat uit de Verordening 2022 en 2023 volgt dat het beschikken over een indirecte aansluiting en het afvoeren van hemelwaterafvoer, in plaats van een directe aansluiting, leidt tot een nieuw belastbaar feit. Nu verweerder bij uitspraak op bezwaar de onder 1 en 2 genoemde aanslagen heeft vernietigd, kan verweerder niet nogmaals een aanslag voor hetzelfde belastingjaar hetzelfde belastbare feit opleggen. De aanslagen rioolheffing, genoemd onder 4 en 5, zijn derhalve ten onrechte aan eiser opgelegd. 14. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen voor zover gericht tegen de aanslagen 2022 en 2023 gegrond te worden verklaard. Kostenvergoeding bezwaarfase 15. Van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is volgens vaste rechtspraak sprake als het verlenen van rechtsbijstand door de rechtsbijstandverlener een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. Waar het om gaat, is dat het verlenen van rechtsbijstand behoort tot iemands beroepsmatige taak. Personen zonder enige juridische scholing kunnen niet geacht worden beroepsmatig rechtsbijstand te verlenen (Nota van Toelichting bij het Besluit, Stb. 1993, 763, p. 6 onderaan). 16. Dat gemachtigde familie is van eiser, hoeft er in beginsel niet aan in de weg te staan dat de rechtsbijstand kan worden aangemerkt als door een derde verleend. De familierelatie hoeft namelijk niet aan het beroepsmatige karakter van de verleende rechtsbijstand in de weg te staan. 17. Indien eiser in aanmerking wenst te komen voor een vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast in dit geval mee dat hij aannemelijk maakt dat de aan hem verleende rechtsbijstand beroepsmatig is verleend en dat de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand op hem drukken, hebben gedrukt of zullen drukken. 18. Namens eiser is door gemachtigde aangevoerd dat hij een professioneel kantoor is, vier mensen in dienst heeft en de grootste adviseur van diverse supermarkten, drogisten en slijterijen is. Ter zitting heeft de gemachtigde nog stuk overlegd. Dit stuk betreft een uitspraak van een andere gemeente waarbij eiser wel proceskostenvergoeding heeft ontvangen. Daarnaast heeft gemachtigde ter zitting aangegeven lid te zijn van Fiscount Adviesgroep en van Register Belastingadviseurs. 19. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van het verlenen van rechtsbijstand die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komt. Nu verweerder nadrukkelijk erop heeft gewezen dat gemachtigde telkens gelieerde personen met dezelfde achternaam vertegenwoordigt, ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat er naast procedures die voor familieleden worden gevoerd ook sprake is van het verlenen van rechtsbijstand aan anderen dan familieleden, zoals door gemachtigde gesteld. De enkele stellingen over het controleren van de jaarrekeningen van supermarkten, drogisterijen en slijterijen acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Ook dat gemachtigde vanwege privacy verder geen informatie over zijn andere cliënten kan verstrekken acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank ziet niet in waarom het niet mogelijk zou zijn om aan de hand van andere informatie dan persoonsgegevens een concreter beeld te geven van de (omvang van de) gestelde, duurzame beroepsuitoefening door de gemachtigde. De enkele stelling dat hij de afgelopen 45 jaar heeft geprocedeerd voor niet-gelieerde personen acht de rechtbank eveneens onvoldoende. 20. De rechtbank is van oordeel dat de proceskosten voor de bezwaarfase terecht niet zijn vergoed. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gericht tegen de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase ongegrond verklaard. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur 21. De stelling van eiser dat verweerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou hebben gehandeld, lees: het vertrouwensbeginsel, het specialiteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel, faalt, aangezien hij deze stelling niet heeft onderbouwd. 22. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar van 19 maart 2025; - vernietigt de aanslag rioolheffing voor het jaar 2022; - vernietigt de aanslag rioolheffing voor het jaar 2023; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Sahebali, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.M. Schillings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 15 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8274.