Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Summary

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- Jeugdrecht Locatie Breda Zaakgegevens : C/02/441553/ FA RK 25-5673 Datum uitspraak : 24 december 2025 Beschikking betreffende voorziening voogdij in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING NIDOS , gevestigd te Utrecht, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , die volgens opgave is geboren te [geboorteplaats] , ( [land] ) op [geboortedag] 2009, thans verblijvende [woonplaats] , hierna te noemen de minderjarige. 1. Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het verzoekschrift met bijlagen van de GI van en ingekomen op de griffie op 5 januari 2025; - de bereidverklaring van de GI tot aanvaarding van de voogdij over de minderjarigen van 5 november 2025; - de akkoordverklaring van de minderjarige van 29 oktober 2025; - de brief van de rechtbank van 5 november 2025 aan de minderjarige. 2 De feiten 2.1 De minderjarige heeft het volgende verklaard. Hij is op 22 oktober 2025 in Nederland aangekomen. Hij is gevlucht vanwege de algemene leefomstandigheden in het land van herkomst. Hij heeft zich bij de vreemdelingendienst gemeld als asielzoeker om in dat verband voor langere tijd in Nederland te verblijven. Op dit moment verblijft hij in een asielzoekerscentrum voor minderjarige asielzoekers op bovengenoemd adres. De naam van zijn moeder is [naam 1] , geboren op een voor de GI onbekende datum in [land] en de naam van zijn vader is [naam 2] , geboren op een voor de GI onbekende datum te [land] . Beide ouders verblijven in [land] . 3 Het verzoek 3.1 De GI verzoekt om als voogdes over de minderjarige te worden benoemd en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Volgens Nidos hebben beide ouders het gezag over de minderjarige. 4 De beoordeling Internationale bevoegdheid 4.1 Vanwege het feit dat de minderjarige niet in Nederland is geboren en hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek. 4.2 Uit het inleidende verzoek van de GI volgt dat het verzoek te kwalificeren is als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid. Hiermee valt het verzoek binnen het materieel toepassingsgebied van artikel 1 lid 1 sub a van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking) (hierna: de Brussel II- ter Verordening). Aangezien het verzoek na 1 augustus 2022 is ingediend is de Brussel II- ter Verordening temporeel van toepassing. De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld en redeneert daartoe als volgt. 4.3 Het begrip gewone verblijfplaats is meerdere malen door het Hof van Justitie van de Europese Unie geïnterpreteerd. Zoals het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft geoordeeld, betreft het een autonoom Unierechtelijke begrip, zodat dit moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van de Brussel II- bis Verordening (en inmiddels de Brussel II- ter Verordening), met name het doel dat de bevoegdheidsregels zijn opgezet in het belang van het kind, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid (zie arresten 2 april 2009, A , C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 34 en 35; 22 december 2010, Mercredi , C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 44-46; 8 juni 2017, OL v. PQ , C-111/47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 40). 4.4 Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie, alsmede de Hoge Raad, dient het begrip gewone verblijfplaats bovendien een eenvormige betekenis te hebben. Volgens diezelfde rechtspraak stemt de gewone verblijfplaats van het kind overeen met de plaats die een zekere integratie in een sociale en familieomgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet door de nationale instantie worden bepaald met inachtneming van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elk zaak (zie arresten 2 april 2009, A , C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 42 en 44; 22 december 2010, Mercredi , C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 47; 8 juni 2017, OL v. PQ , C-111/47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 42). 4.5 Het begrip moet aldus worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf waaronder het naar school gaan, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat (zie arrest 2 april 2009, A , C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225). 4.6 Op basis van de feiten en omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld. Ten tijde van de aanhangig making van deze procedure woonde hij pas een paar weken in Nederland en is niet vast komen te staan dat er sprake is van een zekere integratie in Nederland. 4.7 Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld, acht de rechtbank zich bevoegd op grond van artikel 11 lid 1 Brussel II- ter Verordening, nu de minderjarige zich in Nederland bevindt. Toepasselijk recht 4.8 Op grond van artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek, als zijnde de lex fori, dat wil zeggen het Nederlands recht is van toepassing op een procedure voor de Nederlandse rechter. Inhoudelijke beoordeling van de verzoeken 4.9 Op het verzoek is van toepassing het bepaalde in artikel 1:253r juncto 1:253q van het Burgerlijk Wetboek. 4.10 Op grond van de overgelegde stukken is voldoende komen vast te staan dat de in het land van herkomst verblijvende ouders van de minderjarige in de onmogelijkheid verkeren het gezag over hem in Nederland uit te oefenen. Dit betekent dat het gezag is geschorst. Er is nu dan ook sprake van een gezagsvacuüm. 4.11 Gelet op de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen, de bereidverklaring van de GI en de akkoordverklaring van de minderjarige, zoals die uit het verzoekschrift blijkt, zal de kinderrechter de GI benoemen tot voogdes. 4.12 De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de GI is verzocht. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 5 De beslissing De kinderrechter 5.1 benoemt over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedag] 2009, tot voogdes de gecertificeerde instelling Stichting Nidos, gevestigd te Utrecht; 5.2 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025. Mededeling van de griffier : Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld: a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. Het beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.