Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Case Summary
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/430479 FA RK 25-47 datum uitspraak: 19 december 2025 nadere beschikking betreffende gezag, geschillen inzake artikel 1:253a BW en levensonderhoud in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. T.J.W. Noordegraaf-van Dijke, en [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J.A.E. van Raak-Kuiper. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 7 januari 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen; - het op 11 maart 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen; - de F9-formulieren van mr. Noordegraaf-van Dijke van 13 januari 2025, met bijlagen, 17 februari 2025, en 11 maart 2025, met bijlage; - de F9-formulieren van mr. Van Raak-Kuiper van 13 februari 2025, met bijlage, en 20 november 2025, met bijlage; - de brief van mr. Noordegraaf-van Dijke van 14 november 2025, tevens houdende aanvullend verzoek, met bijlagen; - de brief van mr. Van Raak-Kuiper van 18 november 2025, met bijlagen; - het verslag van het MDO Wijkrechtspraak van 30 oktober 2025; - de beschikking van deze rechtbank van 15 april 2025. 1.2. De verzoeken van partijen zijn behandeld binnen het “Project Wijkrechtspraak familiezaken”. Dit is een pilot van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarbij wordt samengewerkt met onder meer de gemeente Tilburg ( [hulpverlening 1] ), de advocatuur, maatschappelijk werk, Gecertificeerde Instelling, welzijnswerk en jongerenwerk, het Zorg- en Veiligheidshuis, de Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis en de GGZ. Het project betreft alleen bewoners uit [woonplaats] . Het doel van het project is partijen zo doelmatig en efficiënt als mogelijk te helpen bij het duurzaam oplossen van familierechtelijke geschillen en het voorkomen van verdere escalaties in samenwerking met de betrokken instanties. 1.3. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 25 november 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen: - partijen, bijgestaan door hun advocaat; - een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant (hierna: de Raad); - een medewerker van [hulpverlening 1] . 1.4. In het verzoekschrift van de man heeft hij (onder andere) verzoeken gedaan betreffende de vermogensrechtelijke afwikkeling van de relatie van partijen. Deze verzoeken hadden met een dagvaarding aanhangig gemaakt moeten worden. Bij voornoemde beschikking van 15 april 2025 is de man bevolen om conform artikel 69 Rechtsvordering (Rv) over te gaan tot verbetering of aanvulling van het inleidende processtuk en de vrouw te dagvaarden. De man is hiertoe overgegaan. De door hem gedane vorderingen betreffende de vermogensrechtelijke afwikkeling van de relatie van partijen zijn bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/435181 HA ZA 25-278 en gelijktijdig op de zitting van 25 november 2025 behandeld. 1.5. Op de zitting zijn door mr. Noordegraaf-van Dijke alimentatieberekeningen overgelegd. Deze berekeningen zijn eveneens bij de beoordeling van de verzoeken betrokken. 2 De feiten Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast: - partijen hebben een relatie met elkaar gehad; - uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren: 1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019, 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022. - [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn door de man erkend. De vrouw is alleen belast met het ouderlijk gezag over de kinderen; - er is geen rechterlijke uitspraak van kracht over een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie. 3 De verzoeken 3.1. De man verzoekt: - te bepalen dat hij voortaan gezamenlijk met de vrouw wordt belast met het gezag over de kinderen; - vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling); - primair: de man toestemming te verlenen om in de vakanties met de kinderen naar landen met een groene zone volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken op vakantie te kunnen gaan, subsidiair: de man toestemming verlenen om in de vakanties met de kinderen binnen Europa op vakantie te kunnen gaan, meer subsidiair: de man toestemming te verlenen om in de vakanties met de kinderen naar België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Oostenrijk, Zwitserland of Italië op vakantie te kunnen gaan; - de man vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie naar een land zoals hiervoor verzocht in de periode 31 juli 2026 11:00 uur tot 21 augustus 2026 11:00 uur; - bepaling dat partijen verplicht zijn voor reguliere vakanties naar een voor de kinderen passende bestemming (zogenoemde ‘groene kleurcodes’ van reisadviezen) steeds binnen één week na aanvraag daartoe ondertekende toestemmingsformulieren voor het maken van een reis af te geven; - bepaling dat partijen bij iedere wissel de paspoorten c.q. identiteitskaarten van de kinderen meegeven; - te bepalen c.q. te bevelen dat de vrouw steeds de kleding mee teruggeeft die de man voor de kinderen (extra) heeft aangeschaft en meegegeven; - te bepalen dat de vrouw aan de man de helft van het spaargeld van de kinderen overmaakt, te weten € 1.503,19 voor [minderjarige 1] en € 576,25 voor [minderjarige 2] ; - te bepalen dat ieder van partijen rekening en verantwoording schuldig is en blijft over de aanwezige spaartegoeden, vermeerderd met rente vanaf 29 september 2023, onder de verplichting deze spaarsaldi op aparte spaarrekeningen ten behoeve van de kinderen vast te zetten; - vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen van € 209,80 per maand per kind, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen. 3.2. De vrouw verzoekt: - vaststelling van een zorgregeling; - vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen van € 290,= per maand per kind, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen. 4 De beoordeling Het voortraject 4.1. In het kader van het “Project Wijkrechtspraak Familiezaken” heeft voorafgaand aan de zitting een multidisciplinair overleg (MDO) plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig twee medewerkers van [hulpverlening 1] (tevens voorzitter van dit MDO), de advocaten van partijen, een medewerker van de Raad, een medewerker van ‘ [coaching] ’, een medewerker van [hulpverlening 2] , een medewerker van de proeftuin en een medewerker van het [veiligheidshuis] als notulist. Uit het verslag volgt dat partijen elkaar, beiden vanuit hun eigen problematiek, niet kunnen begrijpen en niet willen toegeven aan de ander. Er is hulpverlening geweest via De Gezinsmanager, maar dit heeft niet tot een gewenst resultaat geleid. Partijen hebben een mediationtraject doorlopen maar ook dit is gestrand. Verder is de Gezinsadvocaat betrokken geweest, maar partijen stonden hier niet meer achter. [hulpverlening 1] denkt dat partijen het beste gebaat zijn bij duidelijkheid zonder open eindjes. Er zijn geen zorgen over de kinderen, maar het probleem zit in de communicatie tussen partijen. Gezag 4.2. De man legt aan zijn verzoek om gezamenlijk met de vrouw te worden belast met het gezag over de kinderen ten grondslag dat dit het uitgangspunt is van de wetgever. Er is in deze zaak geen sprake van één van de situaties volgend uit artikel 1:253c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) waardoor het verzoek van de man moet worden afgewezen. De man acht het verder in het belang van de kinderen dat hij ook een juridische stem krijgt in het leven van de kinderen. Feitelijk wordt hij bij bepaalde keuzes over de kinderen ook al betrokken. 4.3. De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij begrijpt dat het uitgangspunt van de wetgever gezamenlijk gezag is. Echter, voor een behoorlijke gezagsuitoefening is wel vereist dat er enige wijze van communicatie mogelijk is en dat is niet het geval. De hoognodige communicatie gaat via de mail en dat verloopt niet goed. Er zijn al veel inspanningen verricht om de communicatie te verbeteren, zonder enig resultaat. Uitoefening van het gezamenlijk gezag leidt tot de nodige problemen en te verwachten is dat de kinderen hierdoor klem komen te zitten tussen de ouders. Op de zitting heeft de vrouw verder toegelicht dat de man dingen achter haar rug om doet, zoals zwemles regelen voor [minderjarige 1] zonder met haar te overleggen. Zij is bang dat dit alleen maar meer wordt als de man ook wordt belast met het gezag. 4.4. De Raad heeft op de zitting aangegeven dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is. Er zijn echter ook zorgen over de communicatie van partijen. Er zijn al veel hulpverleningstrajecten ingezet en tot op heden heeft dat weinig gebracht. Er moet extra ondersteuning komen voor partijen om tot een goede uitvoering te komen van gezamenlijk gezag. 4.5. Uit artikel 1:253c BW volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat in het geval de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek alleen wordt afgewezen als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 4.6. De rechtbank stelt voorop dat uit het genoemde wetsartikel volgt dat het uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is wel vereist dat zij in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. De ouders moeten belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt echter niet zonder meer met zich mee dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend. Uit de overgelegde stukken, en dan met name de e-mailconversaties tussen partijen, blijkt dat de conflicten, dan wel discussies tussen partijen met name gaan over de praktische uitvoering van de zorgregeling (haal- en brengtijden van de kinderen na omgangsweekenden of vakanties, een wisseling van omgangsdagen, vakanties etc.). De zorgregeling is ook aan de orde in deze procedure. De rechtbank verwacht dat de hierna te geven beslissingen op een groot aantal geschilpunten over onder meer de zorgregeling, veel duidelijkheid tussen partijen zal brengen. Hiermee zullen de meeste discussies tussen partijen in de toekomst niet meer aan de orde hoeven te zijn. Verder zijn partijen er op de zitting ook al in geslaagd om op enkele punten overeenstemming te bereiken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank, anders dan de vrouw betoogt, geen omstandigheden die van dien aard zijn dat gezamenlijk gezag op grond van 1:253c lid 2 BW niet mogelijk zou zijn. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat partijen op de zitting hebben ingestemd met een doorverwijzing naar een hulpverleningstraject via het Uniform Hulp Aanbod (UHA). De rechtbank gaat er van uit dat dit hulpverleningstraject ondersteunend kan zijn voor partijen om samen het gezag kunnen uitoefenen over de kinderen. Partijen zullen in het kader van dat traject moeten leren om meer vertrouwen in elkaar te krijgen als ouders en elkaar de ruimte te geven zodat zij er op ieders eigen wijze voor de kinderen kunnen zijn. Beide ouders willen namelijk het beste voor de kinderen, dat is op de zitting ook gebleken, en het is in het belang van de kinderen dat zij elkaar als ouders gaan accepteren en respecteren. De rechtbank verwacht dat partijen met de juiste ondersteuning tot een wijze van communicatie zullen komen waarbij zij in staat zijn zonder conflicten te overleggen over de kinderen en samen beslissingen over hen te nemen. De rechtbank wijst het verzoek van de man dan ook toe en bepaalt dat voortaan beide ouders belast zullen worden met het gezag over de kinderen. De zorgregeling Reguliere zorgregeling 4.7. Uit de overgelegde stukken en wat is besproken op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat een reguliere zorgregeling zal gelden waarbij de kinderen bij de man verblijven in de oneven weken van vrijdag tot maandag, waarbij de man [minderjarige 1] op vrijdag uit school ophaalt en op maandag naar school brengt. Partijen zijn het er verder over eens dat wanneer de kinderen bij de man verblijven in een verlengd weekend (Pasen, Pinksteren etc.), dit weekend doorloopt tot dinsdag naar school of om 9:00 uur bij de vrouw (dit laatste geldt enkel voor [minderjarige 2] tot hij naar school gaat). 4.8. Partijen kunnen het alleen niet eens worden over de haal- en brengtijden voor [minderjarige 2] op vrijdag en maandag. De man stelt zich primair op het standpunt dat de vrouw [minderjarige 2] op vrijdag om 11:00 uur naar de man brengt en subsidiair om 14:15 uur. Eerder dan 11:00 uur is volgens de man niet mogelijk, omdat hij de avond ervoor een nachtdienst heeft tot 00:00 uur en zijn slaap hard nodig heeft voor de start van het omgangsweekend met de kinderen. Op maandag wenst de man [minderjarige 2] om 11:00 uur terug naar de vrouw te brengen. Hij heeft dan, nadat hij [minderjarige 1] naar school heeft gebracht om 08:30 uur, nog wat tijd om samen met [minderjarige 2] door te brengen. Met deze haal- en brengtijden heeft de man ook de mogelijkheid om, zolang [minderjarige 2] nog niet leerplichtig is, op de vrijdag en maandag wat meer tijd met hem door te kunnen brengen in plaats van [minderjarige 2] naar school te sturen. 4.9. De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat zij [minderjarige 2] op vrijdag om 9:00 uur naar de man brengt en subsidiair om 14:15 uur. Het is voor haar niet haalbaar om [minderjarige 2] om 11:00 uur naar de man te brengen, omdat zij [minderjarige 1] al om 8:30 uur naar school brengt. Er is in de korte tijd na het naar school brengen van [minderjarige 1] en 11:00 uur onvoldoende ruimte om iets met [minderjarige 2] te kunnen ondernemen. Ook kan zij dan die gehele dag niet werken. Op maandag wenst zij dat de man [minderjarige 2] om 9:00 uur terugbrengt naar haar. Als [minderjarige 2] vier jaar wordt en naar school gaat, dan komt dit te vervallen en gaat het brengen en ophalen via school. 4.10. De rechtbank acht de overeengekomen reguliere zorgregeling in het belang van de kinderen en zal de afspraken vastleggen in deze beschikking. Ten aanzien van de haal- en brengtijden van [minderjarige 2] bepaalt de rechtbank dat de vrouw [minderjarige 2] op vrijdag om 14:15 uur naar de man zal brengen. Uit de standpunten van partijen volgt namelijk dat dit het enige tijdstip is dat voor beide partijen aanvaardbaar is. Verder zal de rechtbank bepalen dat de man [minderjarige 2] op maandag om 9:00 uur naar de vrouw zal brengen, nadat hij [minderjarige 1] naar school heeft gebracht. Dit acht de rechtbank het meest in het belang van [minderjarige 2] . De rechtbank merkt daarbij op dat deze tijdstippen te gelden hebben totdat [minderjarige 2] in maart 2026 naar school gaat. Vanaf dat moment sluiten de wisselmomenten voor [minderjarige 2] aan bij hetgeen voor [minderjarige 1] geldt; de man haalt de kinderen dan vrijdag op uit school en op maandagochtend brengt de man de kinderen naar school. Verdeling van de vakanties en feestdagen 4.11. Uit de overgelegde stukken en wat is besproken op de zitting is gebleken dat partijen het eens zijn over de volgende verdeling van de vakanties en feestdagen: - zomervakantie : de kinderen verblijven de eerste drie weken bij de vrouw vanaf de eerste maandag van de schoolvakantie om 11:00 uur, tot de vierde maandag van de schoolvakantie om 11:00 uur, en de laatste drie weken bij de man vanaf de vierde maandag van de schoolvakantie om 11:00 uur tot de vrijdag van de laatste week van de schoolvakantie om 11:00 uur. Tijdens het eerste en laatste weekend van de zomervakantie geldt de reguliere zorgregeling; - herfst- en carnavalsvakantie : de kinderen verblijven de eerste helft van de week bij de ouder waar zij volgens de reguliere zorgregeling het eerste weekend zouden verblijven tot woensdag om 11:00 uur, de rest van de week verblijven ze bij de andere ouder tot maandagochtend op het tijdstip zoals gebruikelijk bij de reguliere zorgregeling; - meivakantie : de kinderen verblijven de eerste week van de vakantie bij de ouder waar zij volgens de reguliere zorgregeling het eerste weekend verblijven tot vrijdag om 11:00 uur van de eerste week, vervolgens verblijven de kinderen bij de andere ouder tot vrijdag om 11:00 uur van de tweede week, waarna zij het laatste weekend weer bij de andere ouder verblijven; - kerstvakantie : - 2025/2026: de kinderen verblijven van maandag 22 december 2025 11:00 uur tot en met tweede kerstdag 11:00 uur bij de vrouw, van tweede kerstdag 11:00 uur tot en met 2 januari 2026 11:00 uur verblijven de kinderen bij de man, daarna wordt de reguliere regeling opgepakt; - 2026/2027: de kinderen verblijven van 21 december 2026 tot en met 26 december 11:00 uur bij de man, vanaf 26 december 2026 11:00 uur tot en met 2 januari 2027 bij de vrouw, en daarna wordt de reguliere regeling weer opgepakt; - de verdeling van de kerstvakantie in de jaren daarna zullen voortborduren op de wijze zoals de voorgaande kerstvakanties zijn verdeeld en nader tussen partijen worden afgesproken; - Koningsdag, Hemelvaart, Pasen, Pinksteren en pakjesavond : de reguliere zorgregeling loopt door; - Vader- en Moederdag : de kinderen verblijven altijd op zaterdagavond vanaf 16:00 uur voorafgaand aan Vader- of Moederdag bij de man, dan wel de vrouw tot maandagochtend; - verjaardagen van de kinderen : de kinderen verblijven bij de ouder bij wie de kinderen volgens de reguliere zorgregeling zijn. De ouder bij wie de kinderen die dag niet verblijven krijgt de gelegenheid om met de jarige te videobellen; - verjaardag van de ouders : de kinderen verblijven bij de ouder bij wie de kinderen volgens de reguliere zorgregeling zijn. De ouder bij wie de kinderen die dag niet verblijven krijgt de gelegenheid om met de kinderen te videobellen. 4.12. De rechtbank acht de overeengekomen verdeling van de vakanties en feestdagen in het belang van de kinderen en zal de verzoeken van partijen volgens bovenstaande afspraken toewijzen. 4.13. Het meer of anders verzochte wat betreft de vaststelling van een zorgregeling wordt afgewezen. Vervangende toestemming voor vakanties en het toestemmingsformulier 4.14. Gelet op de samenhang tussen de verzoeken van de man die zien op de toestemming om naar de door hem genoemde landen te reizen, de vervangende toestemming voor de vakantie gedurende de zomervakantie van 2026 en het ondertekenen van het toestemmingsformulier, zal de rechtbank deze verzoeken gezamenlijk behandelen. 4.15. De man heeft op de zitting het volgende aan deze verzoeken ten grondslag gelegd. Hij wil graag zijn vakantie plannen, maar de vrouw weigert mee te werken om de toestemmingsformulieren te ondertekenen. De man kan pas zijn vakantie gaan plannen als hij weet of de vrouw instemt. Hij heeft nog geen specifieke bestemming in gedachten voor zijn vakantie volgend jaar. 4.16. De vrouw heeft op de zitting verweer gevoerd. Volgens haar was met de man afgesproken dat zij pas na de zitting zou reageren op de vakantieplannen van de man. Zij kan nu nog geen toestemming geven. De man heeft namelijk nog niet aangegeven gedurende welke periode hij precies weg wil gaan en wat de bestemming van zijn vakantie is. Ze wil vooraf weten waar de man met de kinderen naar toe gaat en wanneer, voordat zij toestemming kan geven. 4.17. De Raad heeft op de zitting aangegeven dat partijen hierover met elkaar in gesprek zouden moeten gaan. De man kan dan aangeven waar hij naartoe wil gaan en de vrouw kan vervolgens daar haar toestemming voor geven. Het is van belang dat de kinderen met beide ouders op vakantie kunnen gaan, maar de andere ouder moet wel op de hoogte zijn van waar de kinderen zijn. 4.18. Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 4.19. Bij een verzoek aan de rechtbank tot het geven van vervangende toestemming en/of het ondertekenen van een toestemmingsformulier voor een vakantie moet het gaan om een of meerdere concrete vakanties in een gespecificeerde en afgebakende periode, waarbij de rechtbank een oordeel zou moeten geven of, en zo ja in hoeverre, de vervangende toestemming noodzakelijk is in het belang van het kind. De verzoeken van de man, zowel het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire voor toestemming om naar de door hem genoemde landen te reizen, als de verzoeken van de man over de vervangende toestemming voor de zomervakantie in 2026 en het ondertekenen van het toestemmingsformulier, voldoen hier niet aan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze namelijk te onbepaald en zullen dan ook allen worden afgewezen. Tijdens de zitting is gebleken dat de man pas een vakantie wil gaan boeken zodra hij duidelijkheid heeft van de vrouw of zij toestemming zal geven voor een vakantie in één van de door hem genoemde landen. Aan de andere kant wil de vrouw pas toestemming geven voor de vakantie van de kinderen met de man, zodra zij weet waar die vakantie naartoe gaat en in welke periode. Partijen houden elkaar op deze manier in de greep. De rechtbank kan zich voorstellen dat partijen dit op de volgende manier oplossen: de man geeft de vrouw concreet aan voor welke periode hij welke vakantie (dus land en accommodatie) wenst te boeken, hij vult het toestemmingsformulier in met die informatie en stuurt dit naar de vrouw, de vrouw zal dan op haar beurt op een zo kort mogelijke termijn het toestemmingsformulier ondertekenen, waarbij zij op de zitting heeft aangegeven dat als duidelijk is wanneer en waar de kinderen naartoe gaan met de man en dit binnen Europa is zij in beginsel toestemming zal geven voor die vakantie. Na retournering van het toestemmingsformulier aan de man, kan hij die vakantie boeken. Uiteraard staat het partijen vrij om het op een andere manier op te lossen. Identiteitsbewijzen van de kinderen 4.20. De man verzoekt te bepalen dat partijen bij ieder wisselmoment tussen de ouders de paspoorten van de kinderen meegeven. Op de zitting is namens de man subsidiair verzocht om hem vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van extra identiteitskaarten voor de kinderen die hij dan in beheer houdt. De vrouw houdt de paspoorten in haar beheer. Hij heeft ter onderbouwing van zijn primaire en subsidiaire verzoek aangevoerd dat wanneer de kinderen bij hem zijn en er is sprake van een calamiteit, het van belang is dat de man over een identiteitsbewijs van de kinderen beschikt. Daarnaast wonen partijen in het grensgebied met België, zodat ook om die reden het nodig is dat de man beschikt over identiteitsbewijzen van de kinderen. 4.21. De vrouw voert gemotiveerd verweer. Het lijkt haar niet praktisch om bij ieder wisselmoment de paspoorten van de kinderen mee te geven. Deze zijn in beheer bij de vrouw en wanneer de man deze nodig heeft voor een buitenlandse vakantie of anderszins, dan zal de vrouw deze meegeven. Op de zitting heeft de vrouw aangeboden (een kopie van) de digitale zorgpas van de kinderen aan te man te verstrekken. Dit zou afdoende moeten zijn bij eventuele calamiteiten. 4.22. Ook dit betreft een geschil ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW en de rechtbank zal een beslissing nemen als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 4.23. De rechtbank is van oordeel dat de man de noodzaak van het meegeven van de paspoorten van de kinderen bij ieder wisselmoment, dan wel het aanvragen van extra identiteitskaarten voor de kinderen onvoldoende heeft onderbouwd. Wanneer de kinderen bij de man zijn en er is sprake van een calamiteit, dan gaat de rechtbank er van uit dat het beschikken over de digitale zorgpassen van de kinderen, zoals door de vrouw voorgesteld, voldoende is. Verder zal de vrouw bij calamiteiten geïnformeerd moeten worden door de man en wanneer de paspoorten van de kinderen nodig blijken te zijn, kan zij die alsnog brengen. Daarnaast heeft de man onvoldoende onderbouwd waarom het wonen in een grensgebied betekent dat de man op regelmatige basis in België zal zijn met de kinderen. Mocht de man dit wel voornemens zijn, dan zal hij hiervoor toestemming van de vrouw nodig hebben en kunnen dan de identiteitsbewijzen door de vrouw verstrekt worden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank dit verzoek van de man afwijzen. De rechtbank gaat er wel van uit dat de vrouw zo snel mogelijk (kopieën van) de digitale zorgpassen van de kinderen aan de man zal verstrekken, dan wel hem de daarvoor benodigde gegevens zal toesturen. Spaargeld van de kinderen 4.24. De man legt het volgende ten grondslag aan zijn verzoeken betreffende het spaargeld van de kinderen. De kinderen hadden ieder een Groei Groter rekening bij de ING, die gekoppeld waren aan de gezamenlijke rekening van partijen. De vrouw heeft op 29 september 2023 de spaarsaldi van de kinderen opgenomen en naar haar eigen rekening overgemaakt (€ 3.000,37 van [minderjarige 1] en € 1.152,50 van [minderjarige 2] ). De vrouw is niet gerechtigd hier zelf over te beschikken. De man is van mening dat ieder van partijen de helft van het spaargeld van de kinderen in beheer dient te houden en daarvoor ieder afzonderlijk rekening en verantwoording dient af te leggen aan de kinderen. Op de zitting heeft de man verder toegelicht dat hij de mogelijkheid wil hebben een deel van dat spaargeld van de kinderen voor hen te beleggen. 4.25. De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij heeft het geld op een aparte rekening gezet omdat zij vreesde dat de man het geld voor zichzelf zou opnemen. De spaarrekening is gekoppeld aan een rekening van de vrouw en zij is bereid de man jaarlijks te informeren door een financieel jaaroverzicht te sturen. Het geld is en blijft gereserveerd voor de kinderen. Op de zitting heeft de vrouw verder toegelicht dat ze inmiddels voor ieder kind een aparte spaarrekening heeft geopend waar ze de gelden op heeft gestort. 4.26. Artikel 1:253i BW bepaalt dat de ouders ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening gezamenlijk het bewind voeren over het vermogen van het kind. De ouders of een ouder moet(en) op grond van artikel 1:253j BW het bewind over het vermogen van hun kind als goede bewindvoerders voeren. Op een geschil dat voortvloeit uit artikel 1:253i BW is op grond van het tweede lid van dat artikel de geschillenregeling van artikel 1:253a BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 1:253a BW neemt de rechtbank een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 4.27. Uit de overgelegde stukken en wat is besproken op de zitting stelt de rechtbank vast dat tijdens de samenleving van partijen twee spaarrekeningen bestonden voor de kinderen, voor ieder kind één rekening. Partijen spaarden daarop voor de kinderen en zijn het erover eens dat dat spaargeld volledig bestemd is voor de kinderen. De vrouw heeft erkend dat zij het geld heeft opgenomen en op twee nieuwe spaarrekeningen heeft gezet op naam van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Die rekeningen zijn gekoppeld aan haar eigen bankrekening. Zij gebruikt deze rekeningen om verder te sparen voor de kinderen. Nu de rechtbank het verzoek tot gezamenlijk gezag van de man heeft toegewezen, betekent dat ook dat partijen samen het bewind moeten voeren over het vermogen van de kinderen. In dat verband is het van belang dat de man zelfstandig inzage krijgt in de spaarrekeningen van de kinderen. Dat houdt dus niet in dat de vrouw de man jaarlijks een financieel overzicht toestuurt, maar dat hij op elk moment toegang moet kunnen hebben tot de betreffende rekeningen. De vrouw zal de man dus toegang tot de door haar geopende spaarrekeningen van de kinderen moeten verschaffen. Voor het splitsen van het geld zoals door de man verzocht ziet de rechtbank echter geen grondslag in voormelde wetsartikelen. Dat betekent dat de rechtbank dat verzoek afwijst. Ook het verzoek om te bepalen dat partijen rekening en verantwoording schuldig zijn en blijven tegenover de kinderen zal worden afgewezen. Dit verzoek is namelijk te onbepaald en het is voor de rechtbank niet duidelijk wat de wettelijke grondslag hiervoor is. Verder is in de wet al bepaald dat ouders het bewind over het vermogen van hun kinderen als goede bewindvoerders moeten voeren. Niet is gebleken dat één van partijen dat niet zal doen. De rechtbank geeft partijen mee, in het kader van het in te zetten hulpverleningstraject, afspraken te maken over de toegang tot de spaarrekeningen van de kinderen zoals hiervoor overwogen. Waarbij tevens te gelden heeft dat wanneer één van partijen iets met het geld zou willen doen, bijvoorbeeld het te beleggen zoals door de man op de zitting voorgesteld, hiervoor toestemming moet zijn van de andere ouder. Dit brengt het gezamenlijk gezag namelijk met zich mee. UHA en meegeven van kleding 4.28. Uit de overgelegde stukken en wat is besproken op de zitting is gebleken dat er al meerdere hulpverleningstrajecten zijn ingezet voor partijen. Zo is de Gezinsadvocaat betrokken geweest, hebben partijen geprobeerd afspraken te maken bij een mediator en heeft een traject bij de Gezinsmanager plaatsgevonden. De vrouw ontvangt verder individuele hulpverlening. Deze ingezette trajecten hebben echter niet geleid tot een verbetering van de communicatie tussen partijen. Hoewel de rechtbank verwacht dat duidelijkheid over onder andere de zorgregeling ervoor zal zorgen dat veel ruis tussen partijen wordt weggenomen, zullen partijen als ouders van twee nog jonge kinderen nog veel beslissingen samen moeten nemen. Partijen hebben allebei een zeer verschillend karakter en kijken beiden anders naar het oplossen van problemen. Dit leidt tot een dynamiek tussen partijen die niet helpend is bij het voeren van een constructief overleg tussen hen. Om in de toekomst deze conflicten tussen partijen te voorkomen of in ieder geval tot een minimum te beperken, is het nodig dat voor hen en hun kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De verwijzing heeft op 3 december 2025 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. 4.29. Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund. 4.30. Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; - de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind. De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1). 4.31. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/ [hulpverlening 1] op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen. 4.32. Partijen hebben aangegeven dat in hun visie enkel gewerkt kan worden aan hun communicatie in een hulpverleningstraject als er geen ‘open eindjes’ meer zijn. Ook de rechtbank ziet daar het belang van in. Echter, een hulpverleningstraject via het UHA wordt alleen gestart wanneer tegelijkertijd een procedure aanhangig is bij de rechtbank. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man tot het meegeven van kleding tijdens de wisselmomenten aanhouden. Hoewel de rechtbank voornemens is dit verzoek na afronding van het hulpverleningstraject af te wijzen, wegens het ontbreken van een juridische grondslag, is deze aanhouding nu nodig zodat het loket kan terug rapporteren in deze zaak aan de rechtbank. Daarbij illustreert dit verzoek over de kleding van de kinderen de problematiek tussen partijen waaraan gewerkt moet worden in het hulpverleningstraject. Mogelijk kunnen partijen over het meegeven van kleding alsnog afspraken maken in het hulpverleningstraject, aangezien de rechtbank hier dus (nog) niet over zal beslissen. 4.33. Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage aan de rechtbank hun reactie op de UHA-rapportage kenbaar te maken. Hierna volgt in beginsel zonder zitting een eindbeschikking. 4.34. Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten. 4.35. Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten. 4.36. Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad om te onderzoeken in hoeverre partijen hun ouderschap uitvoeren in het belang van de minderjarigen. 4.37. Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dat onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten en hij daartoe aanleiding ziet. 4.38. Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop. 4.39. Partijen zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd. Kinderalimentatie 4.40. Op de zitting is gebleken dat partijen het eens zijn over de hoogte van de door de man te betalen kinderalimentatie, namelijk € 258,= per maand per kind. Zij zijn hierbij uitgegaan van de volgende uitgangspunten: - de behoefte van de kinderen bedraagt € 664,= per maand per kind; - het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw is € 1.243,= per maand en haar draagkracht bedraagt (volgens de tabel) € 50,= per maand; - het huidige NBI van de man is € 3.957,= per maand en zijn draagkracht bedraagt (volgens de formule) € 1.022,= per maand; - de draagkracht van de man is gelijk verdeeld over drie kinderen ( [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (zijn kind uit zijn huidige relatie)), oftewel voor elk kind is € 340,= per maand beschikbaar; - er is uitgegaan van een zorgkorting van 35%. 4.41. Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de man deze bijdrage dient te voldoen aan de vrouw. Volgens de vrouw moet deze bijdrage primair worden voldaan met ingang van 1 januari 2025, en subsidiair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift. 4.42. De man stelt zich op het standpunt dat de verplichting tot betaling van die bijdrage moet ingaan op de datum van deze beschikking. Er zijn namelijk te weinig concrete gegevens om te rekenen over het verleden. De vrouw ontving in ieder geval tot en met maart 2025 een WIA-uitkering. Deze uitkering was hoger dan haar huidige inkomen. Als wordt uitgegaan van ingangsdatum 1 januari 2025 of de datum van indiening van haar zelfstandig verzoek zou de bijdrage die de man moet betalen, gelet op het inkomen van de vrouw destijds, te hoog zijn. 4.43. Uit art. 1:402 lid 1 BW volgt dat ten aanzien van iedere alimentatiebeslissing de ingangsdatum moet worden bepaald. De wetgever laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft toegelicht dat de WIA-uitkering die zij ontving is gestopt op 21 maart 2025, dat zij daarna pas met ingang van juni 2025 weer een baan heeft en vanaf dat moment haar huidige inkomen ontvangt. De rechtbank is gelet daarop en gelet op het verschil in hoogtes van de inkomens van partijen, van oordeel dat de vrouw kort na indiening van haar zelfstandig verzoek (11 maart 2025) in ieder geval behoefte had aan een hogere bijdrage dan de bijdrage die de man daarvoor voldeed ten behoeve van de kinderen, ter hoogte van € 197,= per maand per kind. Om die reden zal de rechtbank de verplichting tot betaling van de kinderbijdrage laten ingaan op eerste dag van de daarop volgende maand, namelijk 1 april 2025. Vermogensrechtelijke verzoeken 4.44. Gelet op hetgeen in voormelde beschikking van 15 april 2025 is overwogen en beslist, zal de rechtbank de vermogensrechtelijke verzoeken van partijen afwijzen. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarigen 1. [minderjarige 1] , geboren te [woonplaats] op [geboortedag 1] 2019, 2. [minderjarige 2] , geboren te [woonplaats] op [geboortedag 2] 2022; 5.2. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar: - in de oneven weken van vrijdag tot maandag; - waarbij de man [minderjarige 1] , en vanaf het moment dat [minderjarige 2] in maart 2026 naar school gaat ook [minderjarige 2] , op vrijdag uit school ophaalt en op maandag naar school brengt; - totdat [minderjarige 2] in maart 2026 naar school gaat brengt de vrouw [minderjarige 2] op vrijdag om 14:15 uur naar de man en brengt de man hem op maandag om 9:00 uur weer naar de vrouw; - wanneer de kinderen bij de man verblijven in een verlengd weekend (Pasen, Pinksteren etc.), loopt het weekend bij de man door tot dinsdag naar school of om 9:00 uur bij de vrouw (dit laatste geldt enkel voor [minderjarige 2] tot hij naar school gaat); 5.3. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken volgens de volgende verdeling bij partijen verblijven gedurende de vakanties en feestdagen: - zomervakantie : de kinderen verblijven de eerste drie weken bij de vrouw vanaf de eerste maandag van de schoolvakantie om 11:00 uur, tot de vierde maandag van de schoolvakantie om 11:00 uur, en de laatste drie weken bij de man vanaf de vierde maandag van de schoolvakantie om 11:00 uur tot de vrijdag van de laatste week van de schoolvakantie om 11:00 uur. Tijdens het eerste en laatste weekend van de zomervakantie geldt de reguliere zorgregeling; - herfst- en carnavalsvakantie : de kinderen verblijven de eerste helft van de week bij de ouder waar zij volgens de reguliere zorgregeling het eerste weekend zouden verblijven tot woensdag om 11:00 uur, de rest van de week verblijven ze bij de andere ouder tot maandagochtend op het tijdstip zoals gebruikelijk bij de reguliere zorgregeling; - meivakantie : de kinderen verblijven de eerste week van de vakantie bij de ouder waar zij volgens de reguliere zorgregeling het eerste weekend verblijven tot vrijdag om 11:00 uur van de eerste week, vervolgens verblijven de kinderen bij de andere ouder tot vrijdag om 11:00 uur van de tweede week, waarna zij het laatste weekend weer bij de andere ouder verblijven; - kerstvakantie : - 2025/2026: de kinderen verblijven van maandag 22 december 2025 11:00 uur tot en met tweede kerstdag 11:00 uur bij de vrouw, van tweede kerstdag 11:00 uur tot en met 2 januari 2026 11:00 uur verblijven de kinderen bij de man, daarna wordt de reguliere regeling opgepakt; - 2026/2027: de kinderen verblijven van 21 december 2026 tot en met 26 december 11:00 uur bij de man, vanaf 26 december 2026 11:00 uur tot en met 2 januari 2027 bij de vrouw, en daarna wordt de reguliere regeling weer opgepakt; - de verdeling van de kerstvakantie in de jaren daarna zullen voortborduren op de wijze zoals de voorgaande kerstvakanties zijn verdeeld en nader tussen partijen worden afgesproken; - Koningsdag, Hemelvaart, Pasen, Pinksteren en pakjesavond : de reguliere zorgregeling loopt door; - Vader- en Moederdag : de kinderen verblijven altijd op zaterdagavond vanaf 16:00 uur voorafgaand aan Vader- of Moederdag bij de man, dan wel de vrouw tot maandagochtend; - verjaardagen van de kinderen : de kinderen verblijven bij de ouder bij wie de kinderen volgens de reguliere zorgregeling zijn. De ouder bij wie de kinderen die dag niet verblijven krijgt de gelegenheid om met de jarige te videobellen; - verjaardag van de ouders : de kinderen verblijven bij de ouder bij wie de kinderen volgens de reguliere zorgregeling zijn. De ouder bij wie de kinderen die dag niet verblijven krijgt de gelegenheid om met de kinderen te videobellen. 5.4. verwijst partijen en genoemde minderjarigen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal partijen en kinderen vervolgens via [hulpverlening 1] van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder; 5.5. verzoekt het loket om uiterlijk op 23 juni 2026 pro forma , of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen; 5.6. verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad; 5.7. verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten; 5.8. verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen met inachtneming van rechtsoverweging 4.36 en daarover te rapporteren en te adviseren; 5.9. verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen; 5.10. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 april 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 258,= (tweehonderdachtenvijftig euro) per maand per kind; 5.11. houdt aan de beslissing op het verzoek met betrekking tot het meegeven van kleding tijdens de wisselmomenten; 5.12. wijst al het meer of anders verzochte door partijen, af. Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.