Rechtbank Den Haag
Rechtbank Den Haag
Case Summary
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/1658 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. I. de Bruin), en Ministerie van financiën, directie juridische zaken, verweerder (gemachtigden: mr. A. Dadzie en mr. D. Koeman). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres dat ziet op de afwijzing van haar verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (hierna: “Woo”). 1.1. Met het primaire besluit van 17 oktober 2024 heeft verweerder het verzoek van eiseres afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij deze afwijzing gebleven. 1.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiseres heeft op 26 juli 2024 openbaarmaking verzocht van alle e-mails, stukken en correspondentie (hierna: de correspondentie) van een specifieke, bij naam genoemde medewerkster van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: “de UHT”), naar aanleiding van door eiseres gestelde vragen en afgegeven signalen. Eiseres vindt het belangrijk dat openbaar wordt hoe de medewerkster de vragen en signalen heeft afgehandeld. De medewerkster was, samen met een medewerker van het Ministerie van Financiën, contactpersoon van eiseres en andere advocaten van de gedupeerden van de toeslagenaffaire. 2.1. Verweerder heeft openbaarmaking van de correspondentie geweigerd. Volgens verweerder bevatten de stukken waarop het verzoek betrekking heeft subjectieve persoonsgegevens. De informatie is wegens haar inhoud, doel en gevolg terug te leiden naar de specifieke medewerkster van de UHT. Door het anonimiseren van de informatie kan de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene onvoldoende worden geëerbiedigd. Wat vindt eiseres? 3. Eiseres stelt dat zich geen uitzonderingsgrond voordoet die aan openbaarmaking van de correspondentie in de weg staat. De correspondentie is volgens haar niet per definitie herleidbaar tot de medewerkster, omdat de adviezen waar nodig kunnen worden geanonimiseerd. 3.1. Eiseres stelt verder dat geen behoorlijke belangenafweging heeft plaatsgevonden tussen het openbaarheidsbeginsel en het belang van het eerbiedigen van de persoonlijke levenssfeer. De belangenafweging dient volgens haar in het voordeel van de openbaarheid uit te vallen. Het is namelijk van cruciaal belang dat de gevraagde informatie openbaar wordt, omdat dan kan worden beoordeeld of de door eiseres gegeven signalen serieus genomen worden. Eiseres wil controleren of de overheid haar verantwoordelijkheid neemt en of de processen van de hersteloperatie van de toeslagenaffaire goed verlopen. 3.2. Bovendien vindt eiseres dat een individuele en goed gemotiveerde afwijzing van het openbaarmakingsverzoek ontbreekt. Wat is het oordeel van de rechtbank? Eerbiediging persoonlijke levenssfeer en belangenafweging 4. Uitgangspunt van de Woo is dat bij de overheid berustende informatie in beginsel openbaar is. Dat kan anders zijn – onder meer – als het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. 4.1. Voor de toepasselijkheid van de weigeringsgrond van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is relevant of informatie herleidbaar is tot een natuurlijk persoon. Uit vaste rechtspraak volgt dat het beantwoorden van de vraag of een persoon op basis van indirecte gegevens herleidbaar is, casuïstisch is. Hierbij kan een rol spelen of het unieke details zijn binnen het geheel van omstandigheden waarin de betreffende persoon verkeert of heeft verkeerd, dan wel of het voldoende gegevens zijn die onmiskenbaar naar die persoon verwijzen. Als criterium geldt dat de betreffende informatie niet zulke unieke details of zodanige herkenbaarheid met zich mag brengen, dat zij voor een ieder zonder onevenredige inspanning leiden tot identificatie van een persoon. Verder kan, ook als documenten worden geanonimiseerd, de kring van betrokkenen een rol spelen. Verweerder dient aannemelijk te maken dat van herleidbaarheid sprake is. 4.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de opgevraagde correspondentie direct herleidbaar is naar de betreffende medewerkster. Eiseres heeft immers gericht gevraagd om informatie waaruit de manier van afhandelen van vragen en signalen door een bij naam genoemde medewerkster blijkt. Omdat de naam van deze medewerkster in het Woo-verzoek genoemd is, is de opgevraagde informatie automatisch herleidbaar naar deze persoon. 4.3. De rechtbank volgt verweerder bovendien in zijn stelling dat de opgevraagde correspondentie niet op een wijze kan worden geanonimiseerd dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokken medewerkster is gewaarborgd. De identiteit van de betrokken medewerkster is bekend bij eiseres. Op grond van de specifiek aangeduide rol van de betreffende medewerkster binnen de organisatie (zie rechtsoverweging 2) is de informatie – ook in geanonimiseerde vorm – ook voor anderen (zoals medewerkers van de UHT en Dienst Toeslagen) eenvoudig naar de betrokken medewerkster te herleiden. Door de aard en inhoud van het openbaarmakingsverzoek staat vast dat de betreffende medewerkster met de correspondentie te maken had. 5. Nu de persoonlijke levenssfeer van de betrokken medewerkster niet kan worden beschermd door het anonimiseren van de correspondentie, moet het belang van het eerbiedigen van de persoonlijke levenssfeer worden afgewogen tegen het belang van openbaarheid van de opgevraagde informatie. 5.1. Verweerder geeft aan dat openbaarmaking van correspondentie van een specifieke medewerkster een directe inbreuk zou betekenen op de veilige werkomgeving die verweerder verplicht is te bieden aan zijn werknemers, in het bijzonder van die medewerkster. De rechtbank kan verweerder in zijn stelling volgen dat om deze reden een zwaarwegend gewicht toekomt aan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Aan het belang van openbaarmaking kan, anders dan eiseres kennelijk meent, vanwege de aard van de bestuurlijke aangelegenheid geen extra gewicht toekomen. Dat de toeslagenaffaire grote maatschappelijke impact heeft gehad en tot veel maatschappelijke discussie heeft geleid, speelt in het kader van de belangenafweging geen rol. 5.2. Verweerder heeft kortom meer gewicht mogen toekennen aan het belang van de vertrouwelijkheid en daarmee de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de medewerkster dan aan het algemeen belang van openbaarmaking van de door haar uitgebrachte adviezen. 6. De rechtbank oordeelt dat verweerder de weigeringsgrond van artikel 5.1, aanhef en onder e, van de Woo juist heeft toegepast. De beroepsgrond slaagt niet. Algemene motivering weigering 7. Uit vaste rechtspraak volgt dat in beginsel per document of onderdeel daarvan gemotiveerd moet worden op welke grond openbaarmaking daarvan achterwege wordt gelaten. Van deze motiveringsplicht kan alleen van worden afgezien als dat leidt tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Eiseres kan zich niet verenigen met de algemene motivering ten aanzien van de weigering door verweerder, vooral omdat verweerder zelf aangeeft dat ieder advies uniek is en op zichzelf staat. 7.1. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in dit geval mogen volstaan met een motivering van de toepassing van de weigeringsgrond door in meer algemene bewoordingen toe te lichten waarom openbaarmaking van de correspondentie de persoonlijke levenssfeer van de betrokken medewerkster schaadt en waarom het belang van openbaarmaking van de correspondentie niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van die persoonlijke levenssfeer van de medewerkster. In dit geval zou, gelet op het feit dat de weigering gebaseerd is op het gegeven dat alle informatie aan een specifieke medewerkster gekoppeld is, een afzonderlijke motivering per e-mail of ander stuk slechts leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder door het geven van een algemene motivering niet gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Relatie met een uitgebreider Woo-verzoek 8. Eiseres heeft een vergelijkbaar Woo-verzoek gedaan, waarin zij, zonder de koppeling aan een specifieke medewerker of medewerkster, verzocht om alle stukken die inzicht geven in de afhandeling van signalen, klachten, of vragen die eiseres heeft ingediend bij de UHT. 8.1. Uit zowel het beroepschrift als het verweerschrift begrijpt de rechtbank dat verweerder bezig is met de afhandeling van dit bredere Woo-verzoek en de documenten nog aan het beoordelen is. Verweerder geeft aan dat de in deze zaak gevraagde informatie via het bredere Woo-verzoek openbaar zal worden gemaakt. Ter zitting heeft verweerder uitgelegd dat de correspondentie dan niet herleidbaar is naar de specifieke medewerkster. Gelet hierop kan de rechtbank het standpunt van eiseres dat verweerder andere mogelijkheden van openbaarmaking niet voldoende heeft onderzocht niet volgen. 8.2. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat verweerder er blijk van geeft te begrijpen dat informatie die betrekking heeft op de uitoefening van publieke functies niet snel onder de bescherming van de weigeringsgrond van de persoonlijke levenssfeer valt, er bewust van is dat het vertrouwen in de overheid door de toeslagenaffaire is aangetast, en dat transparantie kan bijdragen aan het herstel van dit vertrouwen. Door het verzoek van eiseres in te willigen via het bredere Woo-verzoek, geeft verweerder te kennen oog te hebben voor zowel het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als het belang van de openbaarheid. Conclusie en gevolgen Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de correspondentie niet openbaar hoeft te maken. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. C. Hofman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo. Zie de uitspraken van de ABRvS van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2622, 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2361 en 30 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8937. Deze uitspraken zijn gewezen onder de Wet openbaarheid van bestuur. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze rechtspraak zijn betekenis heeft behouden onder de Woo, zie Kamerstukken II 2013/14, 33328, nr. 22. Zie de uitspraak van ABRvS, 2 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2799. Zie ook: ABRvS 14 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8748, r.o. 2.6.3.1. en ABRvS 9 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:48, r.o. 4.1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:525. Zie ook de uitspraak van de ABRvS van 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:385, en 24 oktober 2018, ECLI:RVS:2018:3460. Intern bekend onder het nummer 2024-694.